Conclusie
Nummer23/00231
Inleiding
Het eerste middel
A. (prostitutie)
, en/of gehuisvest en/of opgenomen(telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
B. (prostitutie)
C. (webcamseks)
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2014 t/m 9 december 2014 te [plaats] , althans in Nederland, (lid 3 sub 1) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
immers heeft/hebben verdachte of (één van) de medeverdachte(n)
Het tweede middel
seksof het verrichten van seksuele handelingen”. Gelezen in samenhang met het door de steller van het middel geciteerde onderdeel van de in hoger beroep overlegde pleitnotities, begrijp ik deze klacht zo dat wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de activiteiten met betrekking tot de webcam seksueel van aard zijn.
“op pagina 365:
DP] en [telefoonnummer 1] [uit het bewijsmiddel begrijp ik: [slachtoffer] ,
DP] op
2 december 2014.
op pagina 359:
3 december 2014.
op pagina 369:
4 december 2014.
Op pagina 370:
4 december 2014.
5 december 2014.
op pagina 372:
5 december 2014.
op pagina 373:
6 december 2014.
Het derde middel
DP] [slachtoffer] ertoe gebracht hebben om zich te prostitueren”. Ten aanzien van ‘sub 8’ heeft het hof overwogen dat de verdachte en [medeverdachte 3] “over en weer wetenschap hadden van elkaars betrokkenheid bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] en dat er consensus bestond over het feit dat [medeverdachte 3] een deel van de verdiensten van [slachtoffer] kreeg”. Hieruit blijkt volgens het hof dat er tussen de verdachte en [medeverdachte 3] “ook ten aanzien van sub 8 van een nauwe en bewuste samenwerking [bestond]”.
Als ik een klant had gehad dan ging een deel naar [medeverdachte 3] en naar [verdachte][medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte,
DP]
. Ik hield daar niets aan over. Ik gaf het geld aan [betrokkene 1] en hij gaf het geld aan zijn broer [verdachte]. Zo ging dat een tijdje door.” (bewijsmiddel 3) en “
Neef 1 stond erachter dat ik in de prostitutie zou gaan werken. Hij heeft later geld dat ik had verdiend met de prostitutie van mij in ontvangst genomen. Dit geld heeft hij later naar [verdachte] gebracht. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik mijn geld moest afgeven, zodat die neef het naar hem kon brengen.”(bewijsmiddel 4). Uit deze verklaringen van [slachtoffer] heeft het hof kunnen afleiden dat zij het geld dat zij met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende, heeft moeten afstaan aan anderen. Een deel van het geld was voor de verdachte en een deel van het geld was voor [medeverdachte 3] . Zelf kreeg zij niets. Wat betreft de WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft het hof vastgesteld dat die grotendeels gaan over het starten van websekswerkzaamheden en dat de verdachte daarin meerdere keren nadrukkelijk aangeeft dat er (weer) geld moet komen. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en de inhoud van de WhatsApp-berichten heeft het hof daarmee niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte eerder geld had ontvangen en (opnieuw) wilde verdienen aan de door [slachtoffer] te verrichten seksuele handelingen.
Het vierde middel
noodzakelijk, namelijk:
Redenen waaromde verdediging het noodzakelijk acht dat voormeld onderzoek wordt gelast, ingeval uw Hof zich nog onvoldoende geïnformeerd mocht achten om op grond van de huidige dossierinhoud tot vrijspraak van het tenlastegelegde te komen. Indien uw Hof tot vrijspraak komt, is een beslissing op het verzoek niet noodzakelijk.”
Het vijfde middel
de facto[worden] gestraft voor het genieten van basale verdedigingsrechten, die hem verdragsrechtelijk toekomen”.
. [9]