De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het hof legde een gevangenisstraf op van 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 150 uren. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de strafmotivering en de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht de strafverzwarende omstandigheid van zwaar lichamelijk letsel heeft meegewogen, ook al was deze niet expliciet ten laste gelegd, mits aannemelijk en goed gemotiveerd. De jurisprudentie van de Hoge Raad bevestigt dat niet ten laste gelegde feiten of omstandigheden meegewogen mogen worden als zij onderdeel uitmaken van de context van het bewezen feit.
Echter, het tweede middel slaagde: de redelijke termijn in cassatie was met ruim drie maanden overschreden, wat leidt tot vermindering van de straf. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad bevestigt hiermee de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter, mits binnen het wettelijke maximum en met voldoende motivering.