Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de strafmotivering
getuige [verbalisant 2], Forensisch onderzoeker plaats delict/brigadier van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2022.
getuige [verbalisant 1], Forensisch onderzoeker plaats delict/hoofdagent van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2022.
hof: t.a.v. spoor 2) Er zijn lichte schuine strepen zichtbaar. Dat is typerend voor een band die in een slip zit. Je ziet ook losse rubberen rolletjes die je weg kunt blazen. Dat is kenmerkend voor een bandenspoor, dat je krulletjes ziet.
Bewijsoverweging
het hof begrijpt: beide rijbanen onderzoeken op sporen) en dat zij geen sporen op de rijbaan vanuit de rijrichting van het voertuig van [slachtoffer 2] hebben waargenomen in relatie tot het ongeval.
het hof begrijpt: gele markeringen aan hebben gebracht aan weerszijden van het betreffende spoor) omdat toen zij arriveerden een brandweerwagen over het betreffende spoor stond geparkeerd. De gebruikelijke werkwijze, die in dit geval ook is gevolgd, is dat de markeringen pas worden aangebracht als er genoeg ruimte en voldoende licht is om het gehele spoor na te lopen. Het spoor werd door de verbalisanten geïdentificeerd als een bandenspoor omdat er losse rubberdeeltjes werden waargenomen in het spoor, wat kenmerkend is voor een bandenspoor. De breedte van een bandenspoor kan volgens de verbalisanten variëren met de kracht die op de afzonderlijke banden heeft gestaan, bijvoorbeeld bij het maken van een bocht door het voertuig, waardoor de ene band een smallere afdruk achterlaat dan de andere.
Oplegging van straffen
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel (tweede deelklacht) en het derde middel
zeer waarschijnlijk” afkomstig van de Nissan. Zeker is het dus allerminst. Overigens, waarom het spoor zeer waarschijnlijk van cliënte afkomstig zou zijn, wordt niet gemotiveerd.
geen gronden heeft gezienom te twijfelen aan de steun die ook de sporen op de plaats van het ongeval genoemd in de (aanvullende) verkeersongevallen analyse geven aan de conclusie dat verzoekster het ongeval heeft veroorzaakt (…).” In de toelichting op het derde middel wordt gesteld dat de verdediging op grond van die rapportages het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft ingenomen dat de verdachte, gelet op onder meer het sporenbeeld, het ongeluk niet heeft veroorzaakt. Volgens de steller van het middel “blijft het ongewis op welke gronden precies het hof de inhoud van de in het geding gebrachte rapportages in het licht van de bewijsvoering terzijde kon schuiven.”
deelsop de rijstrook van de verdachte bevond strijdig is met de door het hof overgenomen eigen waarneming van de rechtbank “dat het botspunt A is gelegen op de rijstrook voor het verkeer in de richting van Alkmaar”, te weten de rijstrook bestemd voor de verdachte. Deze strijdigheid tast het arrest op een cruciaal onderdeel aan, aldus de steller van het middel. Ik meen dat er geen sprake is van een strijdigheid. Met de overweging dat “het uiteindelijke botspunt zich (deels) op de (oorspronkelijke en juiste) rijstrook van de verdachte bevond” doelt het hof kennelijk op de situatie dat, zoals blijkt uit de AutoCad tekening die voor het bewijs is gebruikt,
de auto van de verdachtezich op het moment van de botsing deels bevond op de verkeerde rijstrook (de achterkant van de auto) en deels bevond op de juiste rijstrook (de voorkant van de auto, tevens de kant van het botspunt). Deze uitleg past ook bij de opmerking van het hof over de bewezenverklaring (hiervoor geciteerd onder randnr. 3.2), te weten dat het hof de bewezenverklaring zo leest “dat de verdachte de doorgetrokken streep geheel heeft overschreden en – na een abrupte bocht naar rechts te hebben gemaakt en
nog gedeeltelijk op de verkeerde rijstrook rijdend[cursivering A-G] – is gebotst op de tegenligger.
6.Het tweede middel (eerste deelklacht)
in aanzienlijke mateniet de voorzichtigheid en oplettendheid in acht heeft genomen die van een normale voorzichtige en oplettende bestuurder mag worden verwacht. [5] (Ik kom hier onder randnr. 6.10 nog op terug).
NJ2008/440, m.nt. N. Keijzer, HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7860,
NJ2008/441, m.nt. N. Keijzer en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800,
NJ2008/571) afgeleid dat een enkele momentane onoplettendheid onvoldoende is voor het bewijs van culpa in de zin van art. 6 WVW Pro 1994. [7] Betoogd wordt dat de jurisprudentie van de Hoge Raad zo kan worden gelezen, dat de enkele momentane onoplettendheid die tot een verkeersovertreding leidt een fout is die ook de normaal voorzichtige en oplettende bestuurder kan maken. Met andere woorden, een kort moment onoplettend zijn hangt zozeer samen met de aard, capaciteiten en gebreken van de mens, waardoor de fout geen aanmerkelijke schuld oplevert. [8] Dit kan niet worden gezegd indien er meer aan de hand is dan een enkel moment van onoplettendheid, maar bijvoorbeeld ook van te hard rijden of alcoholgebruik. Dan heeft de verdachte het aan zichzelf te wijten dat het tijdig opmerken van andere verkeersdeelnemers wordt bemoeilijkt. [9]
NJ2005/252, m.nt. G. Knigge) is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat het bij de beoordeling van culpa in de zin van art. 6 WVW Pro 1994 aankomt op “het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.” In de casus van de arresten uit 2008 ging het om gedragingen die paste bij de verkeerssituatie van het verlenen van voorrang: het aanpassen van de snelheid en kijken. [10] Het kijken bij het verlenen van voorrang speelt zich af in een zeer korte tijdspanne, een ‘split second’. Dat is anders bij bijvoorbeeld het stoppen voor een rood verkeerslicht of het in de gaten houden van het verkeer tijdens het keren op de weg. De eerste situatie deed zich voor in het arrest van 17 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH1442). In die zaak was de verdachte door rood licht gereden en had een overstekende bromfietser over het hoofd gezien. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaarde culpa niet onbegrijpelijk was, aangezien het hof uit de vaststellingen kon afleiden “dat de verdachte niet alleen het verkeerslicht, maar ook de verkeersdeelnemers bij en op de kruising niet (tijdig) heeft gezien”. Met het waarnemen van (rode) verkeerslichten is enige tijd gemoeid. Hetzelfde geldt voor het keren op de weg, waarvan sprake was in het arrest van 2 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:128). Het hof had vastgesteld dat de verdachte vanuit een parkeerhaven een 80-kilometerweg was opgereden en direct naar links had gestuurd om op die weg te keren. Er had vervolgens een botsing plaatsgevonden met een van links naderende motorrijder, die gedurende circa vier seconden voor de botsing voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat sprake was van culpa in stand.
NJ2013/32). In de zaak van 1 juni 2004 had de verdachte op een tweebaansweg in een flauwe bocht naar links met de bocht mee gestuurd, maar vervolgens niet terug naar rechts zodat zij op de verkeerde rijstrook terecht is gekomen, met een frontale botsing met een tegenligger als gevolg. [11] De Hoge Raad overwoog dat “[z]odanig verkeersgedrag (…) in beginsel de gevolgtrekking [kan] dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen (…). Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.” Hoewel de Hoge Raad in de zaak van 1 juni 2004 casseerde omdat het hof zich niet had uitgelaten over de verklaring van de verdachte dat zij “een soort black-out” had gehad, kan uit dit arrest wel worden afgeleid dat het zonder aanleiding op de verkeerde weghelft rijden culpa oplevert, tenzij sprake is van disculperende omstandigheden. [12]
7.Het vierde middel
10 november 2020en ’s-Hofs arrest van
10 oktober 2022bij de strafmotivering in aanmerking te nemen, aangezien dit tijdsverloop tot verbazing aanleiding geeft.”
Subs. de afdoening