Conclusie
1.Vereniging Particuliere Rijkswegvergunningen van Tankstations,
1.Fastned B.V.,
2. The Fast Charging Network B.V.,
3.De Staat der Nederlanden,
VPR c.s.(eiseressen), respectievelijk
Fastned c.s.(verweerders sub 1 en 2), en de
Staat(verweerder sub 3). Verweerder sub 1 wordt apart aangeduid als
Fastneden verweerder sub 2 als
FCN. De Staat is formeel verweerder maar voert geen verweer tegen de vorderingen van VPR c.s.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
tankstations). Eiseres sub 1 (hierna:
VPR) en eiseres sub 2 (hierna:
Vemobin) vertegenwoordigen de rechthebbenden op deze tankstations. Eiseres sub 3 (hierna:
Enviem) is één van die rechthebbenden, onder meer op de locatie De Horn.
Convenant) [4] werd onder meer bepaald dat de opbrengst van de eerste veiling van een concessie voor een verkooppunt niet toekomt aan de Staat, maar aan de voormalig concessiehouder als compensatie voor het opgeven van de langdurige rechten. [5] Art. 4.3 van het Convenant bepaalt:
Benzinewet). [6] Die bepaling luidt:
Kennisgeving). In de Kennisgeving, waarvan de oorspronkelijke versie dateert van 22 maart 2004, wordt onderscheid gemaakt tussen basisvoorzieningen en aanvullende voorzieningen.
shop), een autowasstraat of een snoepautomaat. Aanvullende voorzieningen mogen niet los van een basisvoorziening worden aangeboden.
Wbr) de wettelijke grondslag voor deze vergunningsplicht. [7] Op grond van art. 3 lid 1 Wbr Pro gold een afgebakend toetsingskader bij de beslissing om al dan niet een vergunning te verlenen. Weigering, wijziging of intrekking van een vergunning was slechts mogelijk ter bescherming van ‘waterstaatswerken’ (zoals een verzorgingsplaats) en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken.
basisvoorzieningworden verleend met een maximale looptijd van 15 jaar.
aanvullende voorzieningbij een laadstation. Om dit tot uitdrukking te brengen is per 21 november 2013 het volgende aan de Kennisgeving toegevoegd: [11]
Afdeling) de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. [13] De Afdeling overwoog onder meer:
rechtbank) VPR c.s. toegestaan om zich te voegen aan de zijde van de Staat. [16] Bij vonnis van 14 april 2021 heeft rechtbank de vorderingen van Fastned c.s. gedeeltelijk toegewezen. [17] De rechtbank heeft geoordeeld dat de weigering privaatrechtelijke toestemming te geven in strijd is met de Dienstenrichtlijn. [18] Aan de Staat werd een gebod opgelegd om nieuwe besluiten te nemen op de verzoeken van Fastned c.s. tot het verlenen van het privaatrechtelijke gebruiksrecht. Ook is de Staat veroordeeld tot vergoeding van de schade van Fastned c.s. (zoals op te maken bij staat) als gevolg van de onrechtmatige algemene weigering om aanvullende voorzieningen bij laadstations toe te staan.
nietdat de privaatrechtelijke toestemming in beginsel niet mag worden geweigerd (rov. 6.2 en 6.3).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat klachten over (i) het treden buiten de grenzen van de rechtsstrijd, (ii) de toepassing van en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en de daarbij in acht te nemen toetsingsintensiteit, en (iii) de uitleg van het Convenant en de Benzinewet.
Onderdeel 2bevat klachten over het oordeel van het hof dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, in het kader waarvan wederom de grenzen van de rechtsstrijd aan de orde worden gesteld.
Onderdeel 3voert een motiveringsklacht aan tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de veroordeling van de Staat om opnieuw te beslissen op de aanvragen van Fastned c.s.
Onderdeel 4bevat een voortbouwklacht.
Uitgangspunt is dus dat de Staat als eigenaar het recht heeft om zijn privaatrechtelijke toestemming te weigeren.Dit recht is niet onbegrensd. Weigeren mag, tenzij dit misbruik van recht oplevert of door de weigering wordt gehandeld in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiek recht, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Daarbij kan worden gedacht aan het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel(zie artikelen 3:13 en 3:14 BW en artikel 3:4 Awb Pro).
Het weigeren van privaatrechtelijke toestemming voor shops bij laadstations wordt volgens de Staat dan ook gerechtvaardigd door twee zwaarwegende belangen c.q. twee dwingende redenen van algemeen belang, te weten 1) de noodzaak op grond van artikel 1 EP Pro om een compensatie te geven en 2) het openbreken van de benzinemarkt en daardoor het creëren van meer mededingingsruimte en aldus het beschermen van consumenten.
De Staat heeft echter gekozen voor een categorische weigering van de privaatrechtelijke toestemming. Dat staat al op gespannen voet met de vereiste evenredigheid.
Daar waar vergroting van de concurrentie op de ene markt (benzinemarkt) aanvankelijk het doel was, leidt de gekozen route in de praktijk juist tot belemmeringen op een nieuwe markt (elektrisch rijden) en dus tot een beperking van de concurrentie. Niet aannemelijk is dat dit laatste in het belang van de consument respectievelijk het belang van het milieu is.Dat wringt des te meer nu de Staat juist met het oog op dat milieubelang de markt van elektrische auto’s wil stimuleren (zie hiervoor onder 3.10).
nietonevenredig op de grond dat deze keuze niet noodzakelijk zou zijn, zoals Fastned c.s. betogen.
categorischeweigering van privaatrechtelijke toestemming
niet evenwichtigis in relatie tot het nagestreefde doel de compensatie van benzinestationhouders niet te ondergraven. Deze categorische benadering is onredelijk bezwarend voor Fastned c.s. De concrete omstandigheden van het geval ten aanzien van de betrokken verzorgingsplaatsen (waarvoor Fastned c.s. privaatrechtelijke toestemming vraagt) zullen aan een eventuele weigering ten grondslag moeten worden gelegd.
niet geschiktin relatie tot het doel van meer concurrentie en daarmee de bescherming van de consument. De keuze van de Staat leidt juist tot een beperking van de concurrentie. Dit is voorts niet te rijmen met het milieubelang dat de Staat wil beschermen met stimulering van het gebruik van elektrische auto’s.
eerste klachtverwijt het hof buiten de rechtsstrijd te zijn getreden. Door partijen is zeer beperkt debat gevoerd over de vraag of sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er zijn geen stellingen ingenomen over de omstandigheden die het hof ten grondslag legt aan de oordelen, althans niet in het kader van eventuele strijd met het evenredigheidsbeginsel. De
tweede klachthoudt in dat voor zover het hof de stellingen van Fastned c.s. zo heeft uitgelegd dat de redenen die het hof aan zijn oordelen ten grondslag legt daarin te lezen zijn, sprake is van een onbegrijpelijke uitleg van de processtukken. De
derde klachthoudt in dat het hof in het licht van het partijdebat een ontoelaatbare verrassingsbeslissing zou hebben gegeven.
Met het oog op verbetering van het milieu en bescherming van het klimaat, ontmoedigt de Staat het gebruik van fossiele brandstoffen. In dat kader moedigt de Staat het gebruik van zowel hybride stekkerauto’s (plug-in hybrid, PHEV) als volledig elektrische auto’s (EV’s) aan, als alternatief op auto’s die bijvoorbeeld rijden op benzine of diesel.De Staat heeft daartoe allerlei maatregelen getroffen. Hierbij kan natuurlijk gedacht worden aan de diverse belastingvoordelen die een stuwende werking hebben gehad op de aankoop van elektrische auto’s, maar bijvoorbeeld ook aan het in samenhang met het bedrijfsleven invoeren van interoperabiliteit van de laadinfrastructuur.
Zij stelden zich ter zake initieel echter afwachtend op. Tegelijkertijd was er op dat moment vanuit de markt wel interesse in het realiseren van laadstations. (…) de Staat [heeft] er door middel van een beleidswijziging van 20 december 2011 voor gekozen om per 10 januari 2012 de mogelijkheid te bieden om een energielaadpunt ook als een zogenoemde basisvoorziening toe te staan op de verzorgingsplaatsen naast rijkswegen.
Deze toelichting zal verklaren waarom de Staat weigert de toestemming te verlenen en waarom zulks niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel is, noch onevenredig jegens eisers.”
Fastned c.s. verklaart overeenkomstig de door haar overgelegde spreekaantekeningen en in aanvulling daarop, zakelijk weergegeven:
Het openbreken van de benzinemarkt vereist niet noodzakelijkerwijs het privaatrechtelijk verbieden van de aanvullende voorzieningen. Het verbieden van aanvullende voorzieningen is te vergaand,in strijd met de dienstenrichtlijn
en voldoet niet aan de eisen van het evenredigheidsbeginsel.
De Staat schendt met zijn weigering niet het evenredigheidsbeginsel. De belangen van eisers zijn niet duidelijk en helemaal niet onderbouwd. Deze zijn niet gerationaliseerd. Daarnaast dient de Staat rekening te houden met zijn eigen belangen en de gerechtvaardigde belangen van de pomphouders.
Doordat onder deze voorwaarde de vergunning is verleend, is het niet onevenredig om de consequenties hiervan bij Fastned neer te leggen.”
Het standpunt van de Staat is dat de hoge financiële vergoedingen voor benzinestations noodzakelijk waren om concurrentie te bewerkstelligen [op] de markt voor benzineverkoop. Als dat al juist zou zijn (wat Fastned betwist), dan vereist dat nog geen categorische weigering van shops bij laadstations.(…).
een shoppast binnen de publieke bestemming van de verzorgingsplaatsen en draagt bij aan de mogelijkheden van de laadstations om de energietransitie te faciliteren.
De Staat mag als eigenaar van die publieke verzorgingsplaatsen de laadstationhouders niet weigeren een shop te hebben om elektrische rijders de mogelijkheid te bieden de oplaadtijd aangenaam te overbruggen […], uitsluitend om daarmee de benzinestationhouders ter wille te zijn.De grieven tegen het Vonnis moeten falen.”
Eerste termijn Staat
Dat brengt mee dat de Staat gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. (…). Er moet sprake zijn van een zekere mate van evenredigheid. (…)
Waarom is het niet onevenredig in dit geval?De Staat neemt als vertrekpunt dat het moet gaan om een overgangsperiode, een tijdelijke overgang. Fastned wist bovendien perfect waar zij aan begon toen zij in deze markt stapte; zij wist dat zij alleen laadstations kon exploiteren. Er is met andere woorden geen sprake van ingrijpen in de positie van Fastned. Er is ook geen overtuigend bewijs dat Fastned daadwerkelijk van plan was om vóór 1 januari 2024 shops te exploiteren.
Het evenredigheidsbeginsel valt onder het toetsingskader. Dit beginsel heeft drie vereisten, het is een drietrapsraket: a) de maatregel moet geschikt zijn om het doel te bereiken, b) de maatregel moet noodzakelijk zijn en c) niet verder gaan dan nodig.
Het doel dat de Staat heeft, is concurrentie op de benzinemarkt. Maar dat doel kan ook anders bereikt worden. Dit doel vereist geen verbod op shops bij laadstations. En het verbod op shops beperkt Fastned c.s. veel verder dan nodig is. Dat de Staat nu zegt dat er niet wordt gesteld dat er niet aan behoorlijk bestuur wordt voldaan, is niet juist. Fastned stelt wèl dat er strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.Wat betreft de stelling dat het verbod slechts geldt voor de overgangsperiode: de rechten die Fastned heeft gekregen w.b. de laadstations hebben een beperkte looptijd. Het is dus niet logisch om pas na 2024 een shop te beginnen. Dan moet de investering in een zeer korte tijd worden terugverdiend. En juist in die eerste uitrolperiode was de mogelijkheid van shops belangrijk. Als de Staat zijn weigeringsbeleid niet had gevoerd, dan had Fastned een grote partij kunnen zoeken als partner of investeerder om samen de laadstations én shops uit te rollen.
Zie de brief van 2013 van Fastned aan de Staat: wij willen aanvullende voorzieningen wanneer laadpunten worden geëxploiteerd.
U vraagt mij wanneer de eerste aanvragen voor de shops zijn gedaan? Uit mijn hoofd gezegd: 2015, door Fastned en MisterGreen.Dat betrof in eerste instantie alleen de drie locaties die in het dictum zijn genoemd. Wij wilden niet voor méér locaties een vergunning / toestemming vragen omdat er toen al discussie bestond en zo’n aanvraag en procedure kosten veel tijd en geld. (…)
waaronder het evenredigheidsbeginsel;
Over het punt van onevenredigheid: de toets is niet of het absoluut onmogelijk is om het doel op een andere manier te bereiken. De Staat heeft altijd een andere manier om zijn doel te bereiken, ook in deze zaak. Is het dan een goed idee als de Staat de compensatie uit de kas, de algemene middelen pakt?
Iets is pas onevenredig als de belangen van de Staat zo gering zijn dat het gezien de belangen van Fastned onaanvaardbaar is om het zo te doen.
Over het evenredigheidsbeginsel: het gaat puur om een belangenafweging zegt de Staat. Fastned verwijst naar de rechtspraak van de HR, die bij de uitleg van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aansluit bij bestuursrechtelijke uitspraak. De RvS kijkt op zijn beurt naar de uitleg van het evenredigheidsbeginsel door het HvJEU. Hier zit altijd een subsidiariteitsvereiste in: kan het doel op een minder belastende wijze worden bereikt? Verder merkt Fastned op dat compensatie in de vorm van de eerste veilingopbrengst óók neerkomt op een vergoeding uit algemene middelen. Elke schadevergoeding die betaald wordt door de Staat komt uit de algemene middelen. Het gaat om de manier waarop of het moment waarop.”
subonderdeel 1.5klagen VPR c.s. dat het hof in rov. 6.8 en 6.11-6.15 heeft miskend dat in het kader van het evenredigheidsbeginsel moet worden beoordeeld of de privaatrechtelijke handeling in het licht van het doel daarvan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De rechter kan daartoe enkel toetsen of de Staat daarbij de relevante belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot de bewuste privaatrechtelijke handeling heeft kunnen komen.
Harderwijk-uitspraak van de Grote Kamer van de Afdeling. [25] Deze uitspraak gaat over de toetsing aan art. 3:4 lid 2 Awb Pro, dat luidt: “
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.” Ik citeer de volgende passages uit deze belangrijke uitspraak van de Afdeling:
niet beoordeelt of het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid wel of niet tot het besluit heeft kunnen komen(zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153, Maxis-Praxis), maar bij voorkeur (rechtstreeks) moet aansluiten bij de bewoordingen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
geschiktom het doel te bereiken? Die geschiktheidstoets houdt een effectiviteitstoets en een coherentietoets in;
noodzakelijkom het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast;
evenwichtig(evenredigheid stricto sensu)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?"
De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt.Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn.
Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geldt ook voor beleidsregels. Als de (on)evenredigheid van het bestreden besluit tussen partijen in geschil is en dat besluit in zoverre (mede) op een beleidsregel berust, dan toetst de bestuursrechter, al dan niet uitdrukkelijk, ook de evenredigheid van de beleidsregel.Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toetst de bestuursrechter het bestreden besluit aan de norm van artikel 4:84 (slot) van de Awb ("tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen"). Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij toetsing van een besluit (rechtstreeks) aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Onder ‘bijzondere omstandigheden’ in artikel 4:84 worden Pro zowel niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden als reeds in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden begrepen. Als sprake is van strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb, wordt het bestreden besluit wegens schending van die bepaling vernietigd.”
Harderwijk-uitspraak heeft als datum 2 februari 2022. Dat is (kort) ná de datum waarop in deze zaak de memories van grieven zijn ingediend. Dit kan verklaren waarom het gros van het debat over dit onderwerp pas op zitting heeft plaatsgevonden (zie hiervóór de bespreking van subonderdelen 1.2 t/m 1.4 in 3.5 e.v. van deze conclusie).
subonderdelen 1.18 t/m 1.21(die ik nu bespreek omdat zij samenhangen met subonderdelen 1.5 en 1.6, aldus schriftelijke toelichting VPR c.s. onder 3.25) zijn met name gericht tegen rov. 6.8 en 6.11-6.15. Deze subonderdelen stellen de term ‘toetsingsintensiteit’ centraal (zie in de procesinleiding het kopje boven subonderdeel 1.18).
mede beleidsmatig en in zekere mate speculatief van karakter zijn” (1.19). Het hof had in deze context moeten ingaan op het betoog dat het beleid in de Kennisgeving geen betrekking heeft op het privaatrechtelijk gebruik van het eigendomsrecht van de Staat op de verzorgingsplaatsen. Als het hof over de reikwijdte van het Convenant anders heeft geoordeeld, is dat onjuist. In het licht van de juiste interpretatie (het Convenant heeft geen betrekking op gebruik van het eigendomsrecht) is het zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het hof het handelen van de Staat niet (kenbaar) terughoudend heeft getoetst. De discretionaire bevoegdheid die aan de Staat toekomt bij het onderhavige privaatrechtelijk handelen is immers groot. Fastned c.s. menen juist dat de redenering van het hof blijk geeft van een zeer terughoudende (en daarom voor de Staat en VPR c.s. gunstige) toetsing, maar dat ook bij de in deze procedure door VPR c.s. voorgestane nog geringere toetsingsintensiteit, het hof tot het oordeel kon komen dat het de privaatrechtelijke weigering van de Staat in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. [33]
Harderwijk-uitspraak waarin (in rov. 7.9) wordt benadrukt dat het bij de intensiteit van toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat om een glijdende schaal waarbij alle intensiteiten toegepast kunnen worden. Deze verwijzing van het hof volgt op rov. 6.7 van het bestreden arrest waarin het hof overweegt dat
ook bij een terughoudende toetsingvan de door de Staat aangevoerde redenen, die redenen de weigering van privaatrechtelijke toestemming niet kunnen dragen. Verder blijkt uit rov. 6.4 dat de bestreden oordelen gegeven zijn tegen de achtergrond dat het
uitgangspuntis dat de Staat als eigenaar het recht heeft om zijn privaatrechtelijke toestemming te weigeren. Daarop bestaat evenwel een
uitzonderingals de weigering strijd oplevert met onder meer het evenredigheidsbeginsel. Dit oordeel geeft mijns inziens blijk van terughoudendheid. Daarbij besteedt het hof aandacht aan de aard en het gewicht van de door de Staat ingeroepen belangen (rov. 6.8 en 6.9). Voorts overweegt het hof in rov. 6.3 (en voetnoot 10 met een verwijzing naar rov. 3.7 [34] ) dat in het kader van het publiekrecht allerlei belangen zijn gewogen tegen de achtergrond van de Kennisgeving, maar dat de eigendomsbelangen van de Staat en de (ratio van de) afspraken met de tankstationhouders nog niet zijn gewogen. Daarmee is het hof wel degelijk ingegaan op het standpunt dat de Kennisgeving geen betrekking heeft op het privaatrechtelijk gebruik van het eigendomsrecht. Gelet op één en ander zijn de bestreden overwegingen niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit laatste wordt niet anders in het licht van de in subonderdeel 1.19 opgesomde omstandigheden die volgens VPR c.s. zijn aangevoerd, maar waarvoor in het middel geen enkele vindplaats is gegeven.
subonderdeel 1.6betogen dat het hof in het kader van de evenredigheidstoetsing een eigen beleidsafweging heeft gemaakt, baseren zij zich op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof bespreekt de door de Staat als rechtvaardiging aangevoerde belangen waarom hij tot een weigering van privaatrechtelijke toestemming is gekomen (zie rov. 6.9, aan het slot). De bepleite noodzaak om compensatie te geven komt aan bod in rov. 6.10-6.11 en het creëren van mededingingsruimte en de bescherming van consumenten in rov. 6.12. Het hof beoordeelt in die overwegingen achtereenvolgens de noodzakelijkheid, evenwichtigheid en geschiktheid van de categorische weigering van de Staat in het licht van de aangevoerde belangen. Een eigen beleidsafweging van het hof lees ik daarin niet. Verder respondeert het hof in rov. 6.14 en 6.15 op relevante argumenten van de Staat en VPR c.s. Ook daarin lees ik geen eigen beleidsmatige afweging door het hof.
subonderdelen 1.7 en 1.8. De daarin aangevoerde klachten komen op het volgende neer. Het hof zou met zijn oordeel over evenredigheid, in ieder geval in rov. 6.12, alleen hebben getoetst of de weigering vereist is ter vergroting van de concurrentie en het openbreken van de benzinemarkt. Voorts zou het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd en onjuist zijn, omdat het doel van de maatregel van de Staat niet voorop is gesteld en niet (kenbaar) zou zijn getoetst of de weigering in dat licht geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
categorischzijn toestemming heeft geweigerd, [36] is dat niet gebeurd. Dit oordeel is noch onjuist noch begrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit laatste geldt ook in het licht van de door VPR c.s. en de Staat – achteraf – aangevoerde onderbouwing van de gestelde waardedaling. Op de aangewezen vindplaatsen gaat het om algemeenheden of mogelijkheden (de komst van een shop kán leiden tot een lagere veilingopbrengst); er wordt niet verwezen naar stellingen die duidelijk maken wat de daadwerkelijke impact van toestemming – op de specifieke verzorgingsplaatsen waarom het hier gaat – zou zijn op de veilingopbrengst. Overigens herinner ik eraan dat een rechterlijke vaststelling die strijdt met een stelling van een partij, een (impliciete) verwerping van die stelling inhoudt. [37]
Of op de locatie naast een verkooppunt ook andere voorzieningen mogen worden aangebracht en hoe de locatie verder moet worden ingericht, is voor het voorstel voor de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen irrelevant.”
Dit artikel legt, voor zover nodig, in het wetsvoorstel het zogenaamde locatiebeleid vast dat is verwoord in artikel 7 van Pro het Convenant. Hierdoor beperkt de Staat zich in zijn privaatrechtelijke bevoegdheden om nieuwe locaties in het leven te roepen.Belanghebbenden zullen de Staat daaraan kunnen houden. Een nieuwe locatie is in dit verband een locatie die er niet was op het moment dat de afspraak over het locatiebeleid in het Convenant werd vastgelegd. Omdat dit voor zich spreekt, is er geen aparte definitie opgenomen voor nieuwe locaties. Toch verdient het hier aandacht, omdat in het Convenant nog sprake is van «aanvullende» locaties. Hoewel die term niet terugkomt in het wetsvoorstel, stemt de inhoud van artikel 15 geheel Pro overeen met de afspraken die in het Convenant zijn vastgelegd. (…).”
een langs een Rijksweg gelegen perceel grond, in beheer bij het Rijk (Rijkswaterstaat) en eigendom van de Staat, bestemd voor een MBVP.” Een ‘MBVP’ is in dezelfde bepaling gedefinieerd als: “
een verkooppunt voor motorbrandstoffen”.
De Staat stelt het echter wel wenselijk te vinden om die shops te weren om zo de op grond van artikel 1 EP Pro vereiste compensatie niet te ondergraven.Fastned c.s. brengt daar terecht tegen in dat dat het onzeker is of en in welke mate het toestaan van een shop op een of meer verzorgingsplaatsen waar Fastned c.s. een laadstation heeft, daadwerkelijk tot een daling van de veilingopbrengst van een tankstation zou leiden, en of dat in alle gevallen zo is. (…). . Een negatieve invloed is in elk geval onzekerder naarmate het om een verder weg gelegen tankstation gaat. De Staat heeft echter gekozen voor een categorische weigering van de privaatrechtelijke toestemming. Dat staat al op gespannen voet met de vereiste evenredigheid.
Niettemin heeft de Staat ervoor gekozen deze ondernemers ook in dat opzicht te beschermen.Daar waar vergroting van de concurrentie op de ene markt (benzinemarkt) aanvankelijk het doel was,
leidt de gekozen route in de praktijk juist totbelemmeringen op een nieuwe markt (elektrisch rijden) en dus tot
een beperking van de concurrentie.(…).”
subonderdeel 1.16stellen VPR c.s. de stelplicht en bewijslast aan de orde.
Ten eersteheeft het hof volgens hen in rov. 6.11 miskend dat de stelplicht en bewijslast voor strijd met het evenredigheidsbeginsel op Fastned c.s. rust. Zij hadden in ieder geval moeten stellen en onderbouwen dat het toestaan van een shop in concrete gevallen niet (steeds) tot een daling van de veilingopbrengst leidt en de maatregelen daarom niet geschikt, noodzakelijk dan wel evenwichtig zijn in het licht van het doel daarvan.
21. Het standpunt van de Staat is dat de hoge financiële vergoedingen voor benzinestations noodzakelijk waren om concurrentie te bewerkstelligen [op] de markt voor benzineverkoop. Als dat al juist zou zijn (wat Fastned betwist) dan vereist dat nog geen categorische weigering van shops bij laadstations. (…).” Het hof heeft één en ander kennelijk en niet onbegrijpelijk zo uitgelegd dat Fastned c.s. betogen dat een categorische weigering in dit geval niet evenwichtig is (namelijk: onredelijk bezwarend voor Fastned c.s.), omdat het gaat om drie locaties ten aanzien waarvan niet specifiek is gekeken wat met de vergoeding van tankstationhouders zou gebeuren. Het categorische karakter van de maatregel is dus problematisch volgens Fastned c.s. Dit argument heeft het hof – nadat Fastned c.s. vorenstaande ter zitting hadden aangevoerd – nog eens voorgehouden aan de Staat en VPR c.s. (proces-verbaal mondelinge behandeling 19 januari 2023, p. 7, bovenaan): “
(…) stel dat het hof helemaal mee zou gaan in de redenering van de Staat (…) is het dan niet nog steeds wel de vraag of eencategorische
weigering van shops evenredig is? Je zou ook kunnen beargumenteren dat de Staat minstgenomen per aanvraag zou moeten nagaan of een shop op die bewuste plek de eerste veilingopbrengst op een locatie in de buurt zou kunnen doen verminderen.” Het hof heeft kennelijk en niet onjuist of onbegrijpelijk geoordeeld dat de Staat en VPR c.s. hier onvoldoende tegenover hebben gesteld, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.
niet voorzienbaarheidvan de opkomst en snelle groei van de markt voor elektrisch rijden; (ii) het normale ondernemersrisico
daarvan; (iii) de weigering leidt tot belemmeringen op de markt en van de concurrentie, hetgeen niet in het belang van de consument en het milieu is.
subonderdeel 1.17klagen VPR c.s. dat het evenredigheidsoordeel van het hof (en dan met name rov. 3.8, 6.11-6.16) onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat het hof niet is ingegaan op een aantal essentiële stellingen en in het licht van die stellingen niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Het gaat om de volgende gestelde omstandigheden:
komst van laadstations, heeft het hof beslist dat een verbod op het toestaan van laadstations moet worden afgewezen, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat geen shops waren toegestaan bij de laadvoorzieningen, zodat geen verdere concurrentie zou ontstaan, doch dat de gebruikers van de laadstations juist de reeds bestaande shop bij het benzinestation zouden bezoeken.
jegens Fastnedc.s. evenredig heeft gehandeld door het weigeren van privaatrechtelijke toestemming om een shop te openen bij bepaalde laadstations. In die context is het geen essentiële stelling dat de Staat
aan VPR c.s.zou hebben toegezegd (althans dat VPR c.s. erop hebben vertrouwd) dat er geen shops bij laadstations zouden komen. Bovendien is het hof ingegaan op de inhoud van de afspraken tussen de Staat en VPR c.s. Die zagen niet op de komst van shops bij laadstations (rov. 6.11). Dat is een (impliciet) oordeel in hoeverre VPR c.s. op die afspraken konden varen als het gaat om shops bij laadstations. De Staat wilde de
ratiovan zijn afspraken met VPR c.s. nakomen en is VPR c.s. tegemoet gekomen ofschoon marktontwikkelingen normaalgesproken voor risico van VPR c.s. zou moeten komen (rov. 6.12). Ook dat is een oordeel over de mate van vertrouwen dat VPR c.s. in de afspraken kon en mocht hebben. In zoverre is het vertrouwen van VPR c.s. – dat op de afspraken met de Staat is gebaseerd [41] – geadresseerd, en heeft het hof in rov. 6.15 wél gerespondeerd op de stelling dat Fastned c.s. zelf zou hebben toegezegd dat er geen shops zouden komen: “
(…) voor zover VPR c.s. suggereert dat Fastned c.s. heeft toegezegd geen shops te willen exploiteren bij haar laadstations, geldt dat dit uit niets blijkt. (…).”
(…) Ook is op zichzelf juist dat het daarvoor nodig was om afspraken te maken met de zittende tankstationhouders. Zij moesten immers hun eeuwigdurende, althans langlopende rechten opgeven. Dat deze ondernemers, gelet op artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP Pro), recht hadden op compensatie in ruil daarvoor, wil het hof ook aannemen.” Vervolgens oordeelt het hof in rov. 6.9 dat deze omstandigheid in deze zaak niet een hoofdrol speelt: “
Het gaat echter met name om de daarna gemaakte keuzes. (…).”
subonderdeel 1.22het oordeel in rov. 6.11 aan dat vast staat dat de afspraken over de bescherming van de veilingopbrengst niet zagen op laadstations noch op de komst van shops bij (eenmaal toegelaten) laadstations. Dit oordeel is onjuist althans onvoldoende gemotiveerd, aldus VPR c.s. Uit art. 17 lid 2 en Pro lid 4 van de Benzinewet zou iets anders volgen. Met
subonderdeel 1.23voegen VPR c.s. daaraan toe dat genoemd oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat tussen partijen niet vaststaat dat de afspraken noch zagen op laadstations noch op de komst van shops. VPR c.s. hebben dit uitdrukkelijk betwist. VPR c.s. voegen daar in
subonderdeel 1.24nog aan toe dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat partijen het erover eens zijn dat ook de strekking van het Convenant en de Benzinewet is dat zij niet aan de komst van shops bij laadstations in de weg staan, dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is.
motorbrandstofverkooppuntenzal toestaan op verzorgingsplaatsen en dat dit in het Convenant en de Benzinewet is vastgelegd. Dit strookt met wat hiervóór in 3.21 t/m 3.24 staat over het Convenant en de Benzinewet. Hierbij sluit het hof in de hier bestreden rov. 6.11 aan: de afspraken over bescherming van de veilingopbrengst zien niet op laadstations of shops bij laadstations (maar op motorbrandstofverkooppunten). Dat het hof zou overwegen dat dit
tussen partijenvaststaat, is niet juist. Het staat voor het hof vast, mede op basis van rov. 3.5, waarmee het hof een oordeel heeft gegeven. Het hof heeft evenmin met het aangevallen oordeel (de eerste zin van rov. 6.11) iets overwogen over de strekking van het Convenant en de Benzinewet, en zeker niet overwogen dat die strekking tussen partijen vaststaat.
Ten tweedeis dat oordeel onjuist althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de volgende omstandigheden niet of onvoldoende relevant zijn voor de onevenredigheidstoets: de hoeveelheid shops die Fastned c.s. zouden hebben geopend, vanaf wanneer, en of en in welke mate zij daarmee winst zouden hebben behaald.
Ten derdehad het hof moeten ingaan op het betoog dat Fastned c.s. hebben verklaard niet voornemens te zijn shops te openen bij de laadstations.
Aan het voorgaande doet niet af dat het om een overgangsperiode gaat”). Het hof heeft verder terecht en niet onbegrijpelijk overwogen dat de door VPR c.s. vermelde omstandigheden (pas) aan bod (hoeven te) komen in de schadestaatprocedure. Hierbij moet worden bedacht dat het hof in rov. 6.22 het aannemelijk acht dat Fastned c.s. zonder het weigeringsbeleid van de Staat andere of meer investeringsmogelijkheden zou hebben gehad. Ten slotte is het hof in rov. 6.15 in het kader van de onevenredigheidstoets ingegaan op de stelling dat Fastned c.s. zou hebben verklaard niet voornemens te zijn shops te openen bij de laadstations.
subonderdelen 1.27 en 1.28keren VPR c.s. zich tegen rov. 6.15. Deze overweging luidt als volgt:
Evenmin doet aan het voorgaande af dat Fastned c.s. wist wat het beleid van de Staat was ten aanzien van shops bij snellaadstations toen zij snellaadstations langs de snelwegen opende. Fastned c.s. heeft van meet af aangedrongen op een ander beleid en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zij wel recht heeft op aanvullende voorzieningen.Zij was in het begin weliswaar nog niet van plan shops te openen, maar voor zover VPR c.s. suggereert dat Fastned c.s. heeft toegezegd geen shops te willen exploiteren bij haar laadstations, geldt dat dit uit niets blijkt. Dat Fastned c.s. misbruik van recht zou maken door toestemming nu af te dwingen, zoals VPR c.s. nog aanvoert, gaat niet op en van rechtsverwerking of risicoaanvaarding is evenmin sprake.”
subonderdeel 1.29zijn gericht tegen rov. 6.13. Hierin overweegt het hof:
respectievelijk niet wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang dan wel door zwaarwegende belangen.Bovendien is deze categorische weigering ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Tankstationhouders hebben immers wel recht op een shop.”
niet-economischebelangen onder het Unierechtelijke begrip ‘dwingende redenen van algemeen belang’ vallen. In deze zaak is een afweging gemaakt tussen de
economischebelangen van Fastned c.s. enerzijds en die van VPR c.s. anderzijds. Economische belangen kunnen ‘zwaarwegende belangen’ zijn die in algemene zin een bepaalde beleidskeuze kunnen rechtvaardigen.
subonderdelen 2.1 t/m 2.3klagen VPR c.s. dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de processtukken en dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Het onderliggende argument is telkens dat het partijdebat niet of onvoldoende is gegaan over (mogelijke) strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Verhouding tussen hoedanigheid Staat van grondeigenaar en van vergunningverlener
welmedewerking verleent aan snellaadvoorzieningen bij benzinestations ondanks dat op dezelfde verzorgingsplaats al een snellaadstation van Fastned of MisterGreen is of komt. Voor aanvullende voorzieningen verleent de Staat echter
geentoestemming omdat op dezelfde verzorgingsplaats al een benzinestation met aanvullende voorzieningen aanwezig is. Het resultaat hiervan is dat Fastned en MisterGreen worden geconfronteerd met benzinestations die zowel snellaadvoorzieningen aanbieden als voorzieningen ter overbrugging van de laadtijd, terwijl Fastned op dezelfde verzorgingsplaats uitsluitend snellaaddiensten mag aanbieden. (…).
betekent dat nog niet dat de Staat hen daardoor in strijd met het gelijkheidsbeginsel behandelt. (…)”
subonderdeel 2.4vervolgen VPR c.s. hun klachtenreeks met de klacht dat het aangevochten oordeel bovendien onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Het hof miskent
ten eerstedat het enkele gegeven dat een privaatrechtelijke bevoegdheid door een overheidslichaam wel ten bate van de ene partij wordt ingezet, maar niet ten bate van een andere partij (in casu: het toestaan van een shop) nog niet betekent dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof ziet er althans
ten tweedeaan voorbij dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Uit de overweging van het hof dat tankstationhouders wel recht hebben op een shop kan ten hoogste volgen dat sprake is van een ongelijke behandeling. Uit het oordeel van het hof volgt niet (kenbaar) of ook aan de andere vereisten voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is voldaan. De Staat heeft bovendien aangevoerd dat voor de weigering een rechtvaardiging bestaat (zie het citaat uit de memorie van grieven in het vorige randnummer). Daarop respondeert het hof niet. Het oordeel is in zoverre dus in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
slagen. Het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden is inderdaad te kort door de bocht. Er staat alleen dat tankstationhouders wel recht hebben op een shop, dus (impliciet) laadvoorzieningenhouders ook. Het gelijkheidsbeginsel vereist echter dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen verschillend naar de mate waarin zij verschillen. Om vast te kunnen stellen of sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen zal de rechter moeten nagaan welke verschillen en overeenkomsten voor de vergelijking van belang zijn. Om dit te kunnen doen moet hij zoeken naar een geschikte vergelijkingsmaatstaf. [42] Strijd met het gelijkheidsbeginsel zal pas aan de orde zijn zodra vanuit een
specifiekgezichtspunt sprake is van ongelijke behandeling door de overheid, [43] waarvoor bovendien géén (objectieve) rechtvaardiging bestaat. [44] Dit alles komt in het bestreden arrest niet aan bod. [45] Dat wringt te meer, nu de Staat een rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid heeft aangevoerd (zie zojuist 3.51).
niettot gevolg dat vernietiging van het bestreden arrest moet volgen. De andere zelfstandig dragende grond (strijd met het evenredigheidsbeginsel) voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen, houdt immers om de hiervoor genoemde gronden stand.
subonderdeel 2.5staat de klacht dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de algemene weigering ook in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, in de verschijningsvorm van het recht inzake de verdeling van schaarse publieke rechten, dat oordeel onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
De Staat en de VPR c.s. hebben op hun beurt weliswaar gegriefd tegen de veroordeling van de Staat om opnieuw te beslissen op de aanvragen, maar deze grieven bouwen voort op de hierboven besproken grieven. De Staat en VPR c.s. hebben niet uitgelegd waarom de Staat hoe dan ook (dat wil zeggen: los van de destijds met de zittende tankstationhouders gemaakte afspraken) niet opnieuw zou hoeven te beslissen ten aanzien van deze drie verzorgingsplaatsen. Zij hebben alleen aangevoerd dat de eerdere weigering van de Staat niet onrechtmatig was en dat standpunt is hierboven verworpen. Dat betekent dat het vonnis in elk geval in zoverre bekrachtigd zal worden.”
subonderdeel 3.2sommen VPR c.s. een aantal door hen in hoger beroep aangevoerde stellingen op die zij als essentieel bestempelen maar waarop het hof volgens hen niet is ingegaan:
Didam-arrest [46] blijkt dat de Staat in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet zomaar aan één partij gronden mag uitgeven, maar dat deze via een openbaar aanbod moeten worden uitgegeven. Dat arrest ziet op de situatie dat grond in eigendom werd overgedragen, maar het is aannemelijk dat dit ook voor verhuur geldt, waarover het in deze zaak gaat.
level playing fieldc.q. eerlijke handelsmarkt als rechten op shops zonder openbaar aanbod worden toegekend aan de houders van laadstations.
level playing fieldc.q. eerlijke handelsmarkt, waardoor sprake zou zijn van strijd met het
Didam-arrest. Het slagen van deze argumenten zou ertoe kunnen leiden dat geen belang (art. 3:303 BW Pro) bestaat bij een toewijzing van de vordering tot veroordeling opnieuw te beslissen, omdat die beslissingen in dat geval alleen afwijzend zouden kunnen zijn.
level playing fielden het
Didam-arrest heeft begrepen als argumenten die zien op de vraag naar de onrechtmatigheid van de categorische weigering.
Grief 8
4.24 De rechtbank zal daarom de Staat gebieden om binnen 30 dagen na de datum van dit vonnis te beslissen op de verzoeken van Fastned c.s. tot het verlenen van het privaatrechtelijke gebruiksrecht van de in zijn eigendom zijnde verzorgingsplaatsen waarvoor Fastned of MisterGreen een Wbr-vergunning heeft verkregen.