Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
gestelddat Allerzorg de hiervoor bedoelde zekerheid heeft verkregen. Omdat na verwijzing geen ruimte bestaat voor nieuwe grieven, weren enzovoorts, oordeelt het verwijzingshof dat Finaal Adviesgroep niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daarnaast hebben Allerzorg c.s. volgens het hof gemotiveerd betwist dat Finaal Adviesgroep ervoor heeft gezorgd dat Allerzorg de subsidies daadwerkelijk zal gaan ontvangen. Die betwisting hield (samengevat) in dat een andere dienstverlener Allerzorg al heeft geadviseerd over de subsidies die Finaal Adviesgroep heeft geïdentificeerd.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de eerste klachtonder I.1 heeft het verwijzingshof miskend dat een mondelinge behandeling slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag worden geweigerd. [7] Volgens de steller van het middel zijn dergelijke uitzonderlijke omstandigheden gesteld noch gebleken.
Subonderdeel 2.1-VIaricht zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.8 dat het op de weg van Finaal Adviesgroep lag om aan te tonen welke subsidies/kortingen of besparingen Allerzorg heeft ontvangen dan wel juridische zekerheid daarvoor heeft gekregen. Het hof zou hiermee miskennen dat het gelet op art. 21 Rv Pro (kennelijk wordt een beroep gedaan op de waarheidsplicht) op de weg van Allerzorg lag om inzage te geven in het verloop van de subsidies. Daarbij wordt erop gewezen dat Finaal Adviesgroep dit in feitelijke instantie ook heeft aangevoerd, althans dat de rechter dat zo had moeten opvatten. Ook zou het hof miskennen dat het op de weg van Allerzorg lag om die inzage te geven, omdat de stelplicht en de betwistplicht dit zouden meebrengen dan wel omdat sprake is van een zelfstandig verweer.
Weliswaar verbindt de steller van het middel deze klachten vervolgens op voor mij niet goed navolgbare wijze met de waarheidsplicht, maar dat neemt niet weg dat hij aldus óók klaagt over hetgeen het hof (impliciet) omtrent de bewijslast (‘zelfstandig verweer’) respectievelijk de op partijen rustende stelplicht heeft beslist.
eerste klachtdie ik tegenkom onder II.1 is ongenummerd en is te vinden op het midden van pagina 7 van de procesinleiding. Die klacht richt zich tegen het oordeel van het verwijzingshof in de eerste volzin van rechtsoverweging 2.7: ‘Voorts heeft gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – door Finaal Adviesgroep in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden – geoordeeld dat de success fee pas opeisbaar wordt nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft gekregen dat de subsidies (en/of in de visie van Finaal Adviesgroep: kortingen of besparingen) ontvangen zullen gaan worden, en dat Finaal Adviesgroep niet heeft gesteld dat dergelijke zekerheid is verkregen.’
gehelerechtsoverweging 5.8 van het arrest van het hof vóór verwijzing, dus óók over het oordeel van het hof vóór verwijzing dat Finaal Adviesgroep niet heeft gesteld dat Allerzorg de zekerheid heeft verkregen dat zij de gelden zou gaan ontvangen.
dan wel juridische zekerheid voor heeft gekregen’. Deze zin luidt woordelijk vrijwel gelijk aan de derde volzin van rechtsoverweging 5.8. Dat lijkt dus steun te bieden voor een uitleg van het onderdeel volgens welke Finaal Adviesgroep slechts heeft geklaagd over de eisen die het hof vóór verwijzing had gesteld aan (1) de
onderbouwingdoor Finaal Adviesgroep van de stelling dat Allerzorg zekerheid had verkregen dat zij de gelden zou gaan ontvangen en (2) de
betwistingvan die stelling door Allerzorg (c.s.). In deze strikte uitleg heeft Finaal Adviesgroep niet geklaagd over het oordeel van het hof vóór verwijzing in de eerste twee volzinnen van rechtsoverweging 5.8, voor zover dat hof daarin had geoordeeld dat Finaal Adviesgroep de hiervoor genoemde stelling überhaupt niet had ingenomen (‘
Gesteldnoch gebleken (…)’).
naar de letter, maar ontegenzeggelijk wel
naar de geestin dat het hof vóór verwijzing te hoge eisen had gesteld aan wat van Finaal Adviesgroep mocht worden verwacht als het gaat om het stellen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Allerzorg de zekerheid had verkregen dat zij de gelden zou gaan ontvangen. Het betoog van Finaal Adviesgroep kwam er immers in de kern op neer dat zij de bedoelde feiten en omstandigheden niet kón stellen, en ieder geval niet met enige concreetheid, omdat alle daarvoor benodigde gegevens zich in het domein van Allerzorg bevonden.
eerste (genummerde) klachtonder II.1 slaagt (op pagina 9 van de procesinleiding), voor zover die klacht inhoudt dat de uitleg die het verwijzingshof aan het arrest van uw Raad van 8 juli 2022 heeft gegeven, onbegrijpelijk is.
onder II.2richten zich tegen het oordeel van het verwijzingshof (onder 2.8) over de toelaatbaarheid van uitzonderingen op het uitgangspunt dat na cassatie en verwijzing geen ruimte bestaat voor nieuwe grieven, weren, vorderingen en verzoeken. Die klachten betogen dat het verwijzingshof aan het slot van rechtsoverweging 2.8 onjuist of onbegrijpelijk (impliciet) heeft geoordeeld dat Finaal Adviesgroep bepaalde verweren die Allerzorg al sinds de conclusie van antwoord heeft gevoerd, niet heeft weersproken. Dit betreft de verweren dat Finaal Adviesgroep ‘eigenlijk nog niets gedaan heeft om de fee te verdienen’ en dat ‘het eigenlijke werk (…) niet [is] de mogelijke subsidiegevallen te identificeren (…), maar vooral het zorgdragen dat de bedragen die uit het programma komen ook daadwerkelijk ontvangen worden’.
onder III.1richten zich tegen het oordeel van het verwijzingshof onder 2.9 en 2.10 dat Allerzorg c.s. gemotiveerd hebben betwist dat Finaal Adviesgroep ervoor heeft zorggedragen dat de subsidies/kostenbesparingen/kortingen en dergelijke die volgens haar computerprogramma verkregen kunnen worden ook daadwerkelijk ontvangen kunnen worden.
de eerste klachtonder III.1 (pagina 14 procesinleiding, laatste alinea) heeft het verwijzingshof miskend dat het volgens het arrest van uw Raad van 8 juli 2022 op de weg lag van Allerzorg c.s. om te laten zien wat er gebeurd is met de door Finaal Adviesgroep geïdentificeerde besparingen. Uit de beschrijving die het verwijzingshof onder 2.9 geeft van de door Allerzorg c.s. gegeven onderbouwing, blijkt volgens de steller van het middel dat de kortingen of besparingen wel zijn gerealiseerd, zij het dat die kortingen volgens Allerzorg ook deel uitmaakten van diensten die OAZ voor Allerzorg heeft geleverd. Dit impliceert dat Allerzorg c.s. de (fiscale) gegevens over het daadwerkelijk ontvangen hebben van de door Finaal Adviesgroep geïdentificeerde gelden wel had kunnen overleggen, terwijl zij dit niet heeft gedaan. Bij deze stand van zaken had het verwijzingshof volgens de steller van het middel moeten oordelen dat Allerzorg c.s. niet gemotiveerd hebben betwist dat Finaal Adviesgroep ervoor heeft zorggedragen dat de subsidies/kostenbesparingen/kortingen ook daadwerkelijk ontvangen kunnen worden.
moetenverbinden, faalt de klacht. [29]
als gevolg van de interventie van Finaal Adviesgroep(in plaats van als gevolg van de door OAZ geleverde diensten). Die overweging is onbegrijpelijk, omdat de opschortende voorwaarde waarvan de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is gesteld, niet inhoudt dat Allerzorg de subsidies
alleendankzij de inspanningen van Finaal Adviesgroep heeft verkregen.
alleendoor toedoen van Finaal Adviesgroep verkregen?), dan is niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof de producties als relevante onderbouwing heeft aangemerkt. Volgens het verwijzingshof blijkt namelijk uit die producties dat al een andere partij dan Finaal Adviesgroep heeft geadviseerd over die subsidies. Ik meen als gezegd echter dat het verwijzingshof niet de juiste vraag voor ogen heeft gehad (hiervoor 3.50). Als uw Raad mij daarin volgt, dan zal na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld of producties 1 en 2 gelden als onderbouwing van de gemotiveerde betwisting door Allerzorg c.s. en of die producties aan Finaal Adviesgroep naar behoren aanknopingspunten verschaffen voor een eventuele nadere onderbouwing van haar stelling dat Allerzorg c.s. zekerheid heeft verkregen dat de subsidies ontvangen zullen gaan worden.
onder III.2betoogt in essentie dat wat betreft rechtsoverweging 2.9 onbegrijpelijk zijn (1) de overweging dat OAZ de betreffende diensten al sinds 2013 voor Allerzorg verzorgde, (2) de overweging onder 2.9 dat de door Finaal Adviesgroep geïdentificeerde subsidies daarvan deel uitmaakten en (3) het oordeel dat Allerzorg c.s. de stelling over het daadwerkelijk kunnen ontvangen van de subsidies gemotiveerd hebben betwist, in het licht van een reeks stellingen (op pagina 16 van de procesinleiding en pagina 17 bovenaan) die Finaal Adviesgroep in feitelijke instanties heeft ingenomen.
free riders’-gedrag van Allerzorg c.s. (op pagina 18, eerste drie alinea’s) berusten eveneens op de genoemde onjuiste lezing van het arrest (hiervoor 3.55) en zijn ook ongegrond. Voor de klacht over de relevantie die het verwijzingshof heeft toegekend aan de door OAZ geleverde diensten verwijs ik naar hiervoor 3.50.
onder III.3richten zich tegen het oordeel van het verwijzingshof onder 2.9 en 2.10 (geciteerd hiervoor 3.46) dat het leveren van nadere onderbouwing voor de betwisting door Allerzorg c.s. was toegestaan en dat er gelet op het arrest van uw Raad van 8 juli 2022 ruimte was voor de indiening van nieuwe bewijsmiddelen in het geding na cassatie en verwijzing.
eerste klachtheeft het verwijzingshof het arrest van 8 juli 2022 onjuist of onbegrijpelijk uitgelegd, omdat uw Raad daarin niet heeft geoordeeld dat het na verwijzing is toegestaan aan Allerzorg c.s. om nadere bewijsmiddelen in te dienen. In dat geval prevaleert de hoofdregel van art. 424 Rv Pro en is nadere onderbouwing in beginsel niet toegestaan, aldus de steller van het middel.
tweede klachtbetoogt dat, voor zover moet worden aangenomen dat na cassatie en verwijzing nog nieuwe informatie in het geding mag worden gebracht, die nieuwe informatie uitsluitend mag zien op de vraag van welke subsidies waarover Finaal Adviesgroep heeft geadviseerd Allerzorg de juridische zekerheid heeft verkregen dat zij die subsidies daadwerkelijk zal gaan ontvangen. Informatie over een andere dienstverlener (OAZ) valt hieronder niet. Het oordeel van het verwijzingshof dat die informatie wél valt binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing is onjuist of onbegrijpelijk.
derde klachtzich richt tegen ‘het oordeel’ in de (volledige) rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat de steller van het middel niet preciseert welk oordeel hij bestrijdt en waarom. Uit voetnoot 57 van de procesinleiding leid ik af dat het de steller van het middel ‘in het bijzonder’ te doen is om dit oordeel uit rechtsoverweging 2.10, dat hiervoor ook al aan bod kwam. Ik zal daarom daarvan uitgaan:
vierde klachtheeft het verwijzingshof miskend dat, nu Allerzorg c.s. niet aan de op hen rustende stelplicht hebben voldaan, art. 21 Rv Pro bepaalt dat de rechter daaraan de conclusie mag verbinden die hem geraden voorkomt.
onder III.4 en onder IVbehelzen slechts voortbouwklachten.