ECLI:NL:HR:2009:BG6230

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/165HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Hammerstein
  • O. de Savornin Lohman
  • W.D.H. Asser
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijswaardering en toelaatbaarheid producties na verwijzing in civiel geding

In deze zaak stond centraal de beoordeling van bewijswaardering door het gerechtshof na verwijzing door de Hoge Raad en de toelaatbaarheid van producties die na verwijzing werden overgelegd maar betrekking hadden op vóór de cassatie ingenomen stellingen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 20 februari 2004, waarbij het gerechtshof Amsterdam werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof te 's-Gravenhage. Na een tussenarrest en procesdebat heeft het hof bij eindarrest de vorderingen van eiser afgewezen.

Eiser stelde in cassatie verschillende middelen aan de orde, waaronder de vraag of het hof terecht de producties van verweerder heeft betrokken bij de bewijswaardering. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bevoegd was deze producties te betrekken omdat deze betrekking hadden op vóór de cassatie ingenomen stellingen. De klachten van eiser worden verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

27 februari 2009
Eerste Kamer
Nr. C07/165HR
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. C.S.G. Janssens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 20 februari 2004, nr. C02/283HR, NJ 2004, 254, waarbij het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 juni 2002 is vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 1 juni 2006, waarbij [verweerder] tot bewijslevering is toegelaten, en verder processueel debat, heeft het hof bij eindarrest van 15 februari 2007 het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaten en voor [verweerder] door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
De advocaten van [eiser] hebben op 18 december 2008 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het hof heeft na de verwijzing van de zaak door de Hoge Raad [verweerder] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [eiser] als gevolg van het aan [verweerder] verweten handelen geen schade heeft geleden. In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] in dit bewijs is geslaagd.
3.2 De onderdelen 1 en 2 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3 Ook onderdeel 3 kan geen doel treffen. Het stond het hof vrij de door [verweerder] overgelegde producties te betrekken bij zijn beoordeling van het bewijs dat uit de getuigenverklaringen volgde, nu deze producties volgens de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof betrekking hadden op al voor de verwijzing door de Hoge Raad (waarmee het hof kennelijk bedoelt: vóór de cassatieinstantie) ingenomen stellingen. De klacht dat [eiser] niet tot het nemen van een conclusie is toegelaten mist feitelijk grondslag, nu uit de gedingstukken niet blijkt dat hij daarom heeft verzocht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.207,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 februari 2009.