Conclusie
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een opvolgende zorgmachtiging verleend tot en met 12 januari 2024 voor verschillende vormen van verplichte zorg. [1]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2bestaat uit de subonderdelen 2a en 2b die voortbouwen op het vorige onderdeel en stellen dat het EVRM en de rechtspraak van het EHRM zijn geschonden.
voor één maand
subonderdelen 1a tot en met 1chebben in de kern betrekking op de vraag of de rechtbank bij beschikking van 3 januari 2024 een machtiging voor één maand kon verlenen, nu zij op dat moment beschikte over een medische verklaring die niet voldeed aan de daaraan in de wet gestelde eisen.
b. twaalf maanden, indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a (…);
c. twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar: (1°) verplichte zorg heeft ontvangen; (2°) opgenomen is geweest (…).”
in accordance with a procedure prescribed by law’. De vrijheidsbenemende maatregel krachtens de verleende zorgmachtiging(en) kan dus niet worden aangemerkt als ‘
a lawful detention of [a person] of unsound mind’in de zin van art. 5 lid Pro 1, onder e, EVRM en de daarop gevormde (vaste) rechtspraak van het EHRM. [11] Subonderdeel 2bvoegt daar nog aan toe dat de rechtbank heeft miskend dat voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van het verzoek van de officier van justitie tot verlening van de machtiging van een maand geen sprake was van een volledige deskundige voorlichting (‘
objective medical expertise’), zodat er tevens sprake is van een schending van het in art. 6 lid 1 EVRM Pro gewaarborgde beginsel van
fair trial.
objective medical expertise’ wordt vastgesteld dat sprake is van een geestesstoornis (
true mental disorder) die de vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen. De eis van ‘
objective medical expertise’ is in de jurisprudentie van het EHRM over art. 5 lid Pro 1, onder e, EVRM als volgt uitgelegd: