Conclusie
Inleiding
savedcup);
Conversation No. 278_641171 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [opgeëiste persoon] (JID: savedcup) on May 17, 2021
Conversation No. 278_641180 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [betrokkene 1] (JID: unioneast).
Conversation No. 278 641171 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [opgeëiste persoon] (JID: savedcup)
Conversation No. 278 641180 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [betrokkene 1] (JID: unioneast)[betrokkene 1] says that the pistols will be in the Netherlands tomorrow (May 19, 2021) at around 8 or 9.00 a.m. and [betrokkene 7] says that he will send him an address and that he should take care that they are transporting back five “pieces of the white” – two to Zagreb, three to Split, and asks whether they have agreed on the price for transportation of EUR 1,500 (per piece), which [betrokkene 1] confirms, and [betrokkene 7] tells him that he will give him money for the pistols and the transportation services in Split when the driver “passes on” the goods. In the continuation of the conversation, [betrokkene 7] says that the address is in Breda, near “Jumbo”, and he sends a photo of the map.
Conversation No. 278 657300 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [opgeëiste persoon] (JID: savedcup).
Conversation No. 278 657305 led between [betrokkene 7] (JID: boarddug) and [betrokkene 1] (JID: unioneast)[betrokkene 7] tells to [betrokkene 1] that he will “throw in only one piece” and that this “piece” will be transported to Split, and then he forwards to him the address [a-straat 1] , [plaats] .
Het derde en het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
3.3 Genoegzaamheid van de stukken
NJ2001/588.
IV.Het eerste en het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
De middelen
2.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon
feiten. Van vervolging wegens een politiek delict is dan ook geen sprake.
protesteerden de Leeuwarder raadsherenopenlijk tegen deze misstanden, omdat eerdere interne kritiek vanuit de rechtelijke macht op de omstandigheden in Kamp Erika geen resultaat had gehad. Met het protest namen ze een risico: twee van de drie raadsheren werden op last van de Duitse autoriteiten ontslagen en doken onder.
Article 3 (Political offences)
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid en zal deze bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. [8] Deze taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister brengt mee dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. [9]
dreigendeschending van art. 3 EVRM Pro.
dreigendeinbreuk van art. 3 EVRM Pro is voorbehouden aan de Minister. De rechtbank heeft daarmee het juiste toetsingskader aangelegd. Nadat de rechtbank het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer kort samengevat heeft weergegeven – inhoudend dat sprake is van een dreigende schending van art. 3 en Pro art. 6 EVRM Pro –, heeft zij vervolgens tot uitdrukking gebracht dat daaruit onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen dat sprake is van een geframede uitlevering vanwege de invloed van de georganiseerde misdaad op bepaalde Bosnische autoriteiten. Op grond hiervan is de rechtbank tot haar oordeel gekomen dat niet is gebleken dat er daadwerkelijk sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat van een
voltooideschending van art. 3 EVRM Pro geen sprake is. De rechtbank heeft zich, anders dan het middel betoogt, aldus niet uitgelaten over de vraag of tevens sprake is van een
dreigendeschending van art. 3 EVMR Pro en aldus heeft zij de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister niet miskend, noch een eventuele toetsing bij de burgerlijke rechter van een toekomstig besluit van de Minister gefrustreerd.
Slotsom