Conclusie
Nummer23/01859
Inleiding
Het middel
De procedure
Het beoordelingskader
NJ2017/51 m.nt. Kooijmans. De in het standaardarrest uit 2008 (inzake de overschrijding van de redelijke termijn) geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten, zo vervolgde de Hoge Raad. Die uitgangspunten en regels gelden dus ook niet (zo voeg ik daaraan toe) als die inbreuk op de verdedigingsrechten het gevolg is van enkel tijdsverloop. Dit betekent m.i. dat inbreuken op verdedigingsrechten opzichzelfstaand moeten worden beoordeeld en dat daarop een eigenstandig sanctiearsenaal van toepassing is. [4]
NJ2017/51 m.nt. Kooijmans, bespreekt de Hoge Raad allereerst de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging. De Hoge Raad onderscheidt drie categorieën van gevallen waarin die sanctie in het vizier komt, namelijk (i) gevallen waarin de wet de niet-ontvankelijkheid voorschrijft, (ii) gevallen van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, te weten onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit, [5] en – zoals in het thans voorliggende geval – (iii) buiten het bereik van artikel 359a Sv vallende (onherstelbare) inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv (categorie (ii)) en inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte (categorie (iii)) aanleiding geven voor de sanctie van niet-ontvankelijkheid. [6] Wat betreft categorie (iii) gaat het dan alleen om uitzonderlijke gevallen waarin zich onherstelbare inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte hebben voorgedaan die niet zijn gecompenseerd op een wijze die beantwoordt aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging en die van dien aard zijn en zodanig ernstig dat “
the proceedings as a whole were not fair”.
NJ2022/281, waarop ook de steller van het middel in zijn cassatieschriftuur een beroep doet. In die zaak had het hof geoordeeld dat geen sprake was van enkel tijdsverloop, maar van
“bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden waardoor de waarheidsvinding ernstig in het gedrang was gekomen”,nu onderzoekshandelingen – bestaande uit het doen opmaken van aanvullende processen-verbaal en de oproeping van een tolk als getuige – niet meer konden worden uitgevoerd. Als gevolg daarvan deed zich volgens het hof de situatie voor dat – door tijdsverloop – informatie was uitgewist die voor de vaststelling van feiten noodzakelijk werd geacht. Dit betekende dat er van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het EVRM geen sprake meer kon zijn, aldus oordeelde het hof. De Hoge Raad casseerde dit oordeel van het hof en overwoog (onderstrepingen mijnerzijds):
volgt datals – onevenredig – tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, tot een vrijspraak kan komen.De door het hof vastgestelde gang van zaken kan zijn kennelijke oordeel dat sprake was van een niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van de verdedigingsrechten die meebrengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging van de verdachte, daarom niet dragen.”
De bespreking van het middel
equality of arms, alsook het in gedrang komen van de waarheidsvinding, hebben geleid tot een behandeling van de strafzaak die in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het Openbaar Ministerie dient dan ook, zo betoogt verdediging, niet-ontvankelijk te worden verklaard in strafvervolging van de verdachte.
“bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden waarbij sprake is van inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte, waardoor de waarheidsvinding ernstig in het gedrag is gekomen”. Zo heeft het tijdsverloop ertoe geleid dat onderzoekshandelingen niet meer kunnen worden uitgevoerd omdat de herinnering van de verbalisanten (voor zover nog werkzaam bij de politie) is vervaagd en getuigen niet meer kunnen worden opgespoord en gehoord. Dit terwijl de verdediging zelf actief is geweest door op voorhand onderzoekswensen en een verzoek ex artikel 36 (oud) Sv in te dienen. In deze concrete zaak doet zich dan ook de situatie voor dat mede door het onbehoorlijke tijdsverloop de voor de vaststelling van feiten noodzakelijk geachte informatie is uitgewist. Bovendien gaat het in casu om inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte die onherstelbaar zijn en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze zijn gecompenseerd, waardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde zodanig zijn geschonden dat de gehele strafprocedure voor de verdachte geen eerlijke meer is geweest. In dat verband heeft het hof mede betekenis toegekend aan de zwaarte van de strafzaak, de ernst van de verdenking en de constatering dat het strafblad van de verdachte geen blijk geeft van naderhand gepleegde strafbare feiten.
“fairness of the proceedings as a whole”, tot bewijsuitsluiting en (eventueel) een vrijspraak kan komen. [8]