ECLI:NL:PHR:2024:886

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
1 september 2024
Zaaknummer
23/01698
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 SvArt. 36f SrArt. 344 lid 1 SvArt. 361 lid 3 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens verkrachting en behandelt bewijsminimum en studievertraging

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens verkrachting van de aangeefster op 25 september 2020. De bewezenverklaring steunde op de verklaring van de aangeefster, een getuige en ondersteunend bewijsmateriaal zoals appberichten en telefoongesprekken. De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was omdat het hof zich uitsluitend op één getuige had gebaseerd, in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro.

De Hoge Raad bevestigt dat het bewijs niet uitsluitend op één getuige mag steunen, maar dat het hof in dit geval voldoende steunbewijs heeft gevonden in de verklaringen en het aanvullende bewijsmateriaal. De Hoge Raad vindt de motivering van het hof toereikend en begrijpelijk, ook ten aanzien van de tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen.

Daarnaast was er een civiele vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding wegens studievertraging. Het hof verklaarde dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wegens een onevenredige belasting van het strafgeding en verwees de benadeelde partij naar de civiele rechter. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.

Het cassatieberoep van de verdachte en het middel van de benadeelde partij worden verworpen. De strafrechter heeft de bewijsvoering en de beoordeling van de civiele vordering zorgvuldig en binnen de wettelijke kaders uitgevoerd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf wegens verkrachting en verklaart de vordering tot vergoeding van studievertraging niet-ontvankelijk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01698 M

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 20 april 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens
"verkrachting"veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over de vordering van de benadeelde partij en (op de voet van artikel 36f Sr) een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Daarnaast heeft C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partij een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie.

Het namens de verdachte voorgestelde middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring, in strijd met het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv Pro, uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 25 september 2020 in de gemeente [plaats] in een woning gelegen aan [a-straat 1] door geweld en/of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten door zijn penis in haar vagina te brengen en haar benen te betasten en het zoenen in haar bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden hierin dat verdachte
-
terwijl hij wist dat die [slachtoffer] geen seks wilde en hem op voorhand al had gevraagd naar zijn bedoelingen en waar hij, verdachte, op uit was en
-
die [slachtoffer] betastte op haar benen en in de richting van haar vagina terwijl zij meermalen verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand gaf en
-
de legging of broek van die [slachtoffer] deels heeft uitgetrokken en
-
vervolgens bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en
-
de string van die [slachtoffer] aan de kant heeft gedaan en
-
misbruik heeft gemaakt van het fysieke overwicht op die [slachtoffer] en
-
meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet van die [slachtoffer] en waarbij verdachte voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL1300-2020203515-6, afgesloten op 8 oktober 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Amsterdam, en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, (p. 52-57 van het politiedossier), voor zover als verklaring van aangeefster [slachtoffer] inhoudende, zakelijk weergegeven:

Omschrijving aangifte

Feit : Verkrachting
Plaats delict : [a-straat 1], [postcode] [plaats]
Pleegdatum/tijd : Tussen vrijdag 25 september 2020 om 21:00 uur
en vrijdag 25 september 2020 om 23:00 uur
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]
Geboren : [geboortedatum] 1999
A: (...) Hij had mijn vriendin [getuige] een bericht gestuurd via messenger. Ze zei tegen hem dat
ze een leuke vriendin had en stuurde hem mijn Facebookprofiel. We raakten aan de praat en
hij wilde afspreken.
V: Waar was je wel naar op zoek?
A: Gewoon vrienden. Daarom vroeg ik hem ook wat zijn intenties waren.
V: Wat was zijn reactie daarop?
A: Dat hij niks wilde doen omdat hij moe was. Dat was voor mij groen licht om af te spreken. Hij kwam naar mijn huis. Toen gingen we film kijken. (...) Ik zat aan het einde van mijn bed en hij zat aan de andere kant van het bed.
A: (...) Het was toen de film een half uur tot drie kwartier bezig was. Toen begon hij me aan te raken bij mijn been. Langs de rechterkant van mijn bovenbeen.
V: Hoe reageerde jij daarop?
A: (...) Ik vroeg hem of hij dat niet wilde doen.
V: Met zoveel woorden? Wat zei je precies?
A: Volgens mij schoof ik zijn hand weg.
V: Dat is wat anders. Zei je wat of schoof je zijn hand weg?
A: Ik schoof zijn hand weg. (...) Hij ging me weer aanraken bij mijn been maar nu meer richting mijn vagina.
V: Wat voor kleding had je aan?
A: Een lange broek (...). De broek was van stretchstof, een soort legging. Ik schoof weer zijn hand weg en ik zei niets. Ik schoof weer zijn hand weg en ik zei niets.
A: (...).Daarna probeerde hij mijn broek uit te trekken en ik trok het de hele tijd terug. Ik zei boos: "Ik wil het niet." Hij is best wel groot en sterk dus op een gegeven moment was mijn broek aan een kant van mijn been uit. Toen ging hij op me liggen en ging mij zoenen in mijn nek. Ik probeerde hem van me af te duwen en zei: "Ik wil géén seks, beloof je dat?". (...) Ik had mijn string nog aan. Hij ging met zijn lul er bij en ik zei: "Stop ik wil dit niet, het doet pijn."
V: Hoe reageerde hij toen jij dat zei?
A: Niet, hij ging gewoon door.
V: Wat deed hij met je string?
A: Die was nog aan, die deed hij opzij. Ik deed mijn hand voor mijn vagina zodat hij er niet bij kon. Het deed zo'n pijn dat ik mijn hand op een gegeven moment wegtrok. Toen ging hij er in en had hij een soort van seks. (...) Ik appte gelijk [getuige]. Hij was er toen nog.
V: Wat deed hij toen?
A: Hij was aan de telefoon met een vriend.
(…)
A: Hij was gewoon sterker.
V: Hoe ging hij weg?
A: (...) Hij ging weg en hij had(het hof begrijpt: aangeefster)
geblokkeerd op Facebook.
2. Een foto van, een telefoon met daarop een Messenger-gesprek met verdachte, door het hof te bezigen als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 , eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, (p. 49 van het politiedossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
"Waar ben je op uit?”
"Niks gek hahahah laten we gewoon een wijntje drinken en wat kletsen”
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige, proces- verbaalnummer 2.0102913304557, afgesloten op 29 oktober 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, respectievelijk zedenrechercheur in opleiding en gecertificeerd zedenrechercheur, (p. 58-63 van het politiedossier), voor zover als verklaring van [getuige] inhoudende, zakelijk weergegeven:
O = opmerking verbalisant(en)
V = vraag verbalisant(en)
A = antwoord getuige
A: Die jongen had mij eerst op facebook-messenger een berichtje gestuurd. (....) Ik had [slachtoffer](het hof begrijpt: aangeefster)
verteld dat ik haar profiel naar hem had gestuurd. Later heeft hij haar toegevoegd op facebook. Hij heeft haar een berichtje gestuurd. (...) Ze heeft hem toen bij haar thuis uitgenodigd voor een drankje. (...) Toen heeft ze hem thuis laten komen.
Aangezien we de hele tijd contact hadden, zei ik: "Laat mij weten als hij er is." (...) Ik had een tijdje niets van haar gehoord dus ik appte haar hoe het was en of hij leuk was. (...) Iets van anderhalf uur later appte ik: "Wat zijn jullie aan het doen?" Ik kreeg geen reactie, hierop heb ik haar gebeld. Ze nam niet op. Toen heb ik haar weer geappt. Toen appte ze meteen terug: "Hij heeft mij verkracht.” (...) Hierop belde zij mij, dit was via Facetime, ik zag aan haar gezicht dat ze tranen in haar ogen had. (...) Hij was op de badkamer met iemand aan het bellen, ik hoorde zijn stem nog op de achtergrond.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, proces- verbaalnummer 21020910258408, afgesloten op 15 november 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4], opperwachtmeester en gecertificeerd zedenrechercheur, en [verbalisant 5], wachtmeester der eerste klasse en zedenrechercheur in opleiding, beiden werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, (p. 129-134 van het politiedossier), voor zover als verklaring van verdachte inhoudende, zakelijk weergegeven:
V = Verbalisant
A = Antwoord verdachte
V: Nadat jij en [slachtoffer] seks hebben gehad en voordat jij daar wegging. Is er nog niets voorgevallen in die tussentijd?
A: Ze was aan het bellen met iemand. Ik wachtte tot ze klaar was met bellen. Daarna heb ik haar verlaten.
5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 5 juli 2021 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik had contact met de vriendin van aangeefster en zij heeft het profiel (het hof begrijpt: Facebookprofiel) van aangeefster naar mij doorgestuurd. We hebben afgesproken bij haar thuis. (...) Het klopt dat aangeefster van tevoren duidelijk heeft gevraagd wat mijn intenties waren. Op dat moment was het duidelijk dat ze geen seks wilde.
6. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 april 2023 voor zover inhoudende, zakeIijk weergegeven:
We gingen een film kijken op bed. (...) Ik heb toen het pand verlaten. Ik heb aangeefster toen gelijk geblokkeerd op Facebook.
7. Een screenshot van een Whatsappgesprek tussen aangeefster en de [getuige], door het hof te bezigen als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, (p. 76 van het politiedossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Hij heeft me verkracht"
6. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 april 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):
Steunbewijs? Disclosure.
13. Van groot belang in deze zaak is de zogenoemde ‘disclosure’ bij [getuige]. De militaire kamer heeft in de bewijsconstructie hieraan veel betekenis toegekend:
(…)
14. Naar de mening van de verdediging kan die uitspraak in ieder geval niet in stand blijven. Dat licht ik toe.
Steunbewijs? Gesprek(ken) na het feit? Het zien van emoties?
15. Een belangrijke eerste constatering is dat een groot deel van de verklaringen van [getuige] niet uit eigen bron zijn, maar hetgeen aangeefster haar pas later ([getuige] is pas op 29 oktober 2020 gehoord, meer dan een maand later) van aangeefster heeft vernomen. Dat gaat dus om dezelfde bron (geen eigen waarneming) en kan niet dienen als steunbewijs voor de aangifte (ECLI:NL:RBZWB:2023:1852).
16. De kern van de vermeende disclosure bestaat uit de verklaringen van [getuige] 'uit eigen bron' over het verloop van de avond, maar voornamelijk de emoties die ze zou hebben gezien tijdens een ‘Facetime-gesprek’ (…).
17. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris is [getuige] op dit belangrijke, essentiële punt van de disclosure bevraagd. (…)
18. Zij verklaart '100 procent zeker’, op doorvragen van de raadsheer-commissaris bevestigt ze:geen Facetime-gesprek, slechts audio.
19. Het een en ander werpt een ander licht op de verklaringen. Zij kan niet hebbengeziendat aangeefster 'tranen in de ogen' zou hebben (wat zij eerder nog verklaarde). Zij kan niet hebbengeziendat ze bang zou zijn. Dit terwijl dit de kern is van de vermeende disclosure. Naar de mening van de verdediging biedt deze verklaring (de vraag is ook: welke verklaring moet dat dan zijn? Hoe moet dat zijn weerslag vinden een bewijsmotivering?) onvoldoende betrouwbaar steunbewijs.
20. Ten overvloede op dit punt: er is zowel aan de telefoon van aangeefster als de telefoon van [getuige] geen nader onderzoek gedaan naar de aard en duur van de gesprekken.
Steunbewijs? Hoe zit het nu met de gesprek(ken) tussen aangeefster en [getuige]?
21. Aangeefster heeft over het gesprek met [getuige] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij via Facetime werd gebeld door [getuige] naar aanleiding van een appje aan haar. Client zou op dat moment nog in de woning zijn geweest; 'Zij bleef een beetje aan de telefoon luisteren wat er 'gebeurde totdat hij weg was'. Zij verklaart dat zij vanaf het eerste moment dat ze beldedoorlopendaan de telefoon zijn geweest: 'Wij hebben nooit opgehangen', 'Mijn gesprek liep juist door zelfs nadat hij weg was' en 'Ik belde met mijn vriendin via video'.
22. [getuige] verklaart op haar beurt dat zij is gebeld door aangeefster: ‘Zij heeft niet een heel verhaal verteld want hij was nog daar. Zij heeft gezegd dat ze de politie ging bellen en toen heeft ze opgehangen. Wat er daarna is gebeurd Weet ik niet. Dat gesprek heeft ongeveer vijf minuutjes geduurd. Ik kan dat mij niet precies herinneren, maar sowieso niet langer dan vijf minuten'. Pas later zou weer zijn teruggebeld. Het klopt gewoon niet, terwijl dit precies de kern van de disclosure is.
23. In zedenzaken ligt de bewijsdrempel al lager en is het soms schrapend zoeken naar steunbewijs. Gelet op de hiervoor genoemde aard van de zaken: terecht. Maar het is wel de betrouwbaarheid juist op dit punt waar u het van moet hebben. De conclusie van de verdediging is dat deze verklaringen die benodigde betrouwbaarheid niet kunnen bieden.
(…)
Appberichten tussen aangeefster en [getuige]
26. In eerste aanleg is al het nodige gezegd over het appverkeer tussen aangeefster en [getuige]. Dat roept vragen pp bij de verdediging en werpt weer een ander licht op de zaak. (…).
27. Er wordt gesteld dat seks tijdens deze date niet aan de orde zou zijn, maar uit deze berichten komt een beeld haar voren waaruit blijkt dat niet zomaar wordt afgesproken. (…).
28. Ook het feit dat, nadat de politie is gebeld, enkele berichten direct zijn gedelete zorgt bij de verdediging voor gefronste wenkbrauwen en vragen met betrekking tot de betrouwbaarheid. Wat stond daarin? Iets dat niet goed bruikbaar was bij een aangifte? Waarom zijn juist die berichten verwijderd? Er blijven andere berichten staan die wellicht gênant kunnen worden gevonden, omdat die immers gaan over (de wens om) seks. (…).
(…)
30. Het ligt simpelweg vele malen meer voor de hand dat deze berichten niet passen bij het verhaal van aangeefster dan dat het gaat om berichten die niets met de kwestie te maken hebben. (…).
32. Een van de lastigste vragen die aan zedenverdachten eigenlijk zonder uitzondering wordt gesteld is: 'Maar waarom zou iemand dat nu verklaren als het niet zo is ?‘. Dat is tegelijkertijd de lastigste vraag om antwoord op te geven. Als verdachte kan je alleen maar gissen. Dit terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat valse aangiften voorkomen, en in niet geringe mate. De onderzoeken hierover (nationaal en internationaal) verschillen van aantallen en percentages: tot zo’n 20-25 procent.
33. Met die vraag wordt gezocht naar een motief. Dat ligt niet op de weg van een verdachte, maar een motief van (al dan niet in paniek) een valse verklaring afleggen over de seks is in deze zaak voorstelbaar. Zo is ook bij de RHC bevraagd op het feit dat dit incident in de weg zou kunnen staan aan het feit dat aangeefster en haar ex ([betrokkene 1] is mijn main') weer bij elkaar zouden kunnen komen. Tegelijkertijd kan dit natuurlijk ook (al dan niet waargenomen) emotie verklaren bij aangeefster. Dat maakt dat dit ook niet zonder meer een bewijsmiddeling van dwang oplevert.
Concluderend
(…)
37. Niet is vast te stellen welk verhaal klopt. Het is dan géén kwestie van: Wie geloof ik? Wat is waarschijnlijker? Vrijspraak betekent ook piet kiezen voor hét een of het andere Verhaal. Er is simpelweg juridisch onvoldoende (steun) bewijs. Primair verzoek ik uw Hof cliënt vrij te spréken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.”
7. Het hof heeft zijn bewezenverklaring, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, als volgt gemotiveerd (onderstrepingen mijnerzijds):
Oordeel van het hof
Vaststaat dat er op 25 september 2020 in de woning van aangeefster seksueel contact, heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster, bestaande uit de in de tenlastelegging genoemde handelingen. De vraag die het hof moet beantwoorden is of wettig en overtuigend bewezen is dat dit seksuele contact onder dwang heeft plaatsgevonden.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Feiten en omstandigheden
Aangeefster heeft aangifte gedaan van verkrachting. Zij was via haar vriendin [getuige] op Facebook in contact gekomen met verdachte. Verdachte wilde met aangeefster afspreken. Aangeefster heeft vooraf aan verdachte gevraagd wat zijn intenties waren. Voor verdachte was op dat moment duidelijk dat aangeefster geen seks wilde. Verdachte heeft geantwoord dat hij niets wilde doen, omdat hij moe was. Alleen wat kletsen en een wijntje drinken. Verdachte is daarna naar de woning van aangeefster gegaan. Aangeefster en verdachte zijn op het bed van aangeefster een film gaan kijken. Volgens de aangifte begon verdachte tijdens de film aangeefster aan te raken. Aangeefster wilde dit niet en schoof de hand van verdachte hand weg. Vervolgens heeft verdachte de broek van aangeefster uitgetrokken. Aangeefster trok zich terug en gaf aan dat zij dat niet wilde. Verdachte heeft de broek van aangeefster toch gedeeltelijk uitgetrokken. Hij is op haar gaan liggen en hij is haar gaan zoenen in haar nek. Aangeefster heeft geprobeerd verdachte van zich af te duwen en zij heeft meermalen aangegeven dat zij geen seks wilde hebben. Verdachte heeft vervolgens toch seks met aangeefster gehad. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij, meteen [getuige] (het hof begrijpt [getuige]) heeft geappt dat ze verkracht was. Verdachte was op dat moment nog in de woning en was aan de telefoon met een vriend. Verdachte is weg gegaan en hij heeft haar meteen geblokkeerd op Facebook.
De [getuige] verklaart dat zij aangeefster in contact heeft gebracht met verdachte en dat aangeefster verdachte bij haar thuis had uitgenodigd voor een drankje. Gedurende de tijd dat verdachte bij aangeefster thuis was, heeft de getuige meerdere keren contact gezocht met aangeefster, omdat zij wilde weten hoe het was. Aangeefster heeft haar toen het volgende berichtje teruggestuurd: "Hij heeft mij verkracht." De getuige verklaart dat zij vervolgens via Facetime heeft gebeld met aangeefster. Ze zag dat aangeefster tranen in haar ogen had en ze hoorde de stem van verdachte op de achtergrond, die in de badkamer aan het bellen was.
Verdachte heeft – net als aangeefster en [getuige] – verklaard dat hij via Facebook in contact is gekomen met aangeefster. Voordat hij naar haar woning is gegaan, heeft aangeefster aan hem gevraagd wat zijn intenties waren. Voor verdachte was het op dat moment duidelijk dat aangeefster geen seks wilde. In de woning zijn aangeefster en hij een film gaan kijken op het bed.Hij heeft aanvankelijk ontkend dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen hem en aangeefster. Pas nadat hij ermee werd geconfronteerd dat zijn DNA bij aangeefster was aangetroffen, heeft verdachte toegegeven dat hij toen seks met aangeefster heeft gehad.Aangeefster en hij wilden allebei deze seks en er is op geen enkel moment sprake geweest van dwang. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster na de seks aan het bellen was met iemand. Daarna is hij weg gegaan. Buiten heeft hij haar meteen geblokkeerd op Facebook.
Bewijsoverwegingen
Het hof gaat uit van de verklaring van aangeefster. Het hof heeft geen reden om, aan de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen, nu deze – anders dan de verklaring van verdachte over de wederzijdse vrijwilligheid van de seks – steun vindt in andere, hierna te benoemen, bewijsmiddelen. De gebruikte bewijsmiddelen – waarvan het hof evenmin twijfelt aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud – zullen later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest worden opgenomen.
Steunbewijs
Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, het volgende heeft te gelden. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro dat de tenlastelegging in haar geheel, betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM2452) volgt dat de vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt. Daarbij is van belang dat, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 15 mei 2018 (ELCL:NL:HR:2018:71 7) heeft geoordeeld, niet is vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen. Ook wanneer de verklaring van een getuige op andere relevante punten wordt bevestigd door bewijsmateriaal uit een andere bron, kan sprake zijn van voldoende steunbewijs.In het dossier bevindt zich een screenshot van het door aangeefster en de getuige genoemde appbericht van aangeefster aan [getuige] gezonden appbericht dat ze verkracht was. Dat er, zoals blijkt uit de screenshots in het dossier, ook berichten van de getuige gewist zijn, doet daaraan niet af. Het hof vindt ook in de verklaring van de [getuige] – in samenhang beschouwd met de verklaring van verdachte dat aangeefster na de seks met iemand aan het bellen was – dat zij met aangeefster belde en dat zij toen tranen in de ogen van aangeefster zag bevestiging van de verklaring van aangeefster. Dat de [getuige] drie jaren later bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat het telefoongesprek geen Facetime-gesprek betrof, maar een telefoongesprek met alleen audio, doet niet af aan haar geloofwaardigheid, temeer niet nu de getuige in haar RHC-verklaring wel ook spreekt over de emoties die zij bij aangeefster waarnam tijdens het gesprek. Aldus is sprake van voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.”
8. De verklaring van de [getuige] afgelegd bij de raadsheer-commissaris, waarnaar het hof in de hiervoor geciteerde bewijsoverweging verwijst, houdt onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):
"Wij hadden die avond een aantal keren contact via WhatsApp. Daarna was het een tijdje stil en toen heeft zij mij gebeld en verteld wat er was gebeurd. Ik heb haar toen meteen gezegd dat zij de politie moest bellen. U vraagt mij of er voor het telefoongesprek al een appje van [slachtoffer] was. Dat weet ik niet meer. U vraagt mij of het telefoongesprek een facetime gesprek was. Nee, het was echt een telefoongesprek, alleen audio. Ik kan mij dat nog goed herinneren, dat weet ik 100 procent zeker.
U Raadsheer-Commissaris vraagt mij of ik op enig ander moment dat [verdachte] bij [slachtoffer] was een facetime gesprek met [slachtoffer] heb gehad. Nee.
U raadsman vraagt mij hoe dat gesprek ging. [slachtoffer] zei heel zachtjes dat [verdachte] haar verkracht had. Ik heb haar toen gezegd dat zij de politie moest bellen, anders zou ik die bellen. Ze heeft niet een heel verhaal verteld want hij was nog daar. Zij heeft gezegd dat ze de politie ging bellen en toen heeft ze opgehangen. Wat er daarna gebeurd is weet ik niet. Dat gesprek heeft ongeveer vijf minuutjes geduurd. Ik kan mij dat niet precies herinneren, maar sowieso niet langer dan vijf minuten. Bij het bellen had zij mij aan het oor niet op luidspreker. Tijdens het telefoongesprek zei ik dat zij eerst de politie moest bellen en daarom heb ik haar ook laten ophangen. Zij heeft de politie pas gebeld nadat hij weg was gegaan. Ik heb online een telefoonnummer opgezocht dat zij kon bellen.
U Raadsheer-Commissaris vraagt mij wat ik dacht op het moment dat [slachtoffer] mij over de verkrachting vertelde. Ik was heel erg geschrokken. Aan haar stem merkte ik ook dat zij erg van slag was.
U raadsman vraagt mij hoe ik wist dat [verdachte] er op het moment van het telefoontje nog was. Ik hoorde hem met een vriend bellen op de achtergrond. Ik heb niet verstaan wat hij zei. Ik kon geen duidelijke woorden opvangen. Ik hoorde een stem op de achtergrond. U vraagt mij of [verdachte] zelf ons gesprek ook heeft gehoord. Nee, want ik hoorde hem echt heel hard praten. Hij was duidelijk met een vriend aan het telefoneren. Ik kon niet horen wat hij zei, want ik was ook mijn vriendin aan het steunen. [slachtoffer] praatte ook zachtjes, zodat hij het niet kon verstaan.U vraagt mij hoe ik hoorde dat [slachtoffer] overstuur was. Ik hoorde dat zij bang en van slag was. Ik weet niet goed hoe ik dat moet uitleggen. Haar stem trilde wel.U vraagt mij hoe het ging toen ik wederom contact met [slachtoffer] kreeg. Er zat denk ik ongeveer twaalf minuten tussen het moment dat [verdachte] wegging en zij mij weer terugbelde. U vraagt mij hoe dat gesprek ging.Zij was nog steeds overstuur en bang en ik probeerde haar te zeggen dat het oké was omdat hij weg was.Ik heb haar nog gezegd politie te bellen. Ik weet niet of ik dat toen voor het eerst zei of voor de tweede keer. Ik heb haar toen ook dat nummer doorgegeven en ben aan de lijn gebleven totdat de politie er was."

De toelichting op het middel

9. Het middel strekt, blijkens de toelichting daarop, in de kern ten betoge dat niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum (bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv Pro), omdat hetgeen de [getuige] inhoudelijk van de aangeefster heeft vernomen afkomstig is uit dezelfde bron, terwijl juist deze getuige tegenstrijdig zou hebben verklaard omtrent de door haar bij de aangeefster waargenomen emoties. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk ’s hofs oordeel dat de tegenstrijdigheid in de getuigenverklaring van [getuige] niet afdoet aan de geloofwaardigheid daarvan, aldus de steller van het middel.
10. Daarnaast plaatst de steller van het middel vraagtekens bij de geloofwaardigheid van de door de aangeefster en de [getuige] afgelegde verklaringen en wijst daartoe, onder verwijzing naar de pleitnota in hoger beroep, op de ter terechtzitting gevoerde verweren met betrekking tot het appverkeer tussen de aangeefster en de getuige voorafgaand aan het bewezen verklaarde, (de inhoud van) de naderhand verwijderde appberichten en de door de verdediging aangedragen alternatieve verklaring voor de emoties bij de aangeefster, waaraan het hof in zijn arrest ongemotiveerd voorbij is gegaan. Ook daarom kan het arrest volgens de steller van het middel niet in stand blijven.

Juridisch kader

11. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft bij de beoordeling van een
unus testis-klacht het volgende te gelden. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan gelet op artikel 342 lid 2 Sv Pro door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (‘bijkomend’) bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad geeft in zijn uitspraken daarom geen algemene regels over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar kan daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door te beslissen over concrete gevallen. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [1]
12. De vraag of bijkomend bewijsmateriaal ‘voldoende steun’ oplevert als bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv Pro laat zich m.i. niet uitsluitend beantwoorden op basis van het enkele bestaan van bewijsmateriaal dat op onderdelen strookt met de alleenstaande getuigenverklaring. Het gaat ook om de
matewaarin bijkomend bewijs voor die getuigenverklaring ondersteuning biedt. Indien de verdediging ter terechtzitting bijvoorbeeld een alternatieve verklaring voor het bestaan van het (bijkomende) bewijsmateriaal aandraagt (en daarmee de bewijswaarde c.q. de redengevendheid ervan betwist), zal de rechter moeten beoordelen of het bijkomend bewijs in voldoende mate het vermogen heeft om te onderscheiden tussen het scenario waarvan de betwiste getuigenverklaring blijk geeft en het scenario waarop de verdediging zich in dat verband beroept. [2] Bij de beoordeling van de vraag of het bijkomende bewijs de alleenstaande getuigenverklaring in voldoende mate ondersteunt kan de rechter (i) de plausibiliteit van het alternatieve scenario zelf in aanmerking nemen, alsook (ii) de mate waarin het bijkomende bewijs in dat alternatieve scenario past ten opzichte van de mate waarin het strookt met de verklaring van de alleenstaande getuige. [3]
13. Het is aan de feitenrechter om hierover te oordelen en dit oordeel – dat wil ik benadrukken – van een nadere motivering te voorzien.

De bespreking van het middel

14. Het hof heeft naast de verklaring van de aangeefster, te weten dat de verdachte haar heeft verkracht en dat zij direct daarna haar vriendin [getuige] heeft geappt, voor het bewijs gebruikt:
(i) een screenshot van het door de aangeefster en de [getuige] genoemde appbericht van de aangeefster met de mededeling dat zij was verkracht,
(ii) de verklaring van de [getuige] dat de aangeefster haar een appbericht heeft gestuurd dat zij was verkracht, dat de aangeefster haar daarna via FaceTime heeft gebeld en dat zij aan aangeefsters gezicht zag dat zij tranen in haar ogen had, terwijl de verdachte (naar zij hoorde, omdat hij aan het bellen was met iemand) tijdens dat facetime-gesprek nog in de woning aanwezig was,
(iii) de verklaring van de verdachte waaruit onder meer volgt dat de aangeefster hem vooraf duidelijk had laten weten dat ze geen seks wilde, dat zij na de seks met iemand aan het bellen was en dat de verdachte haar onmiddellijk na zijn vertrek uit de woning op Facebook heeft geblokkeerd.
15. Het hof heeft zijn oordeel dat het bijkomende bewijsmateriaal voor de verklaring van de aangeefster (de in artikel 342 lid 2 Sv Pro bedoelde) ‘voldoende ondersteuning’ biedt van een nadere motivering voorzien. Het hof heeft in dat verband het app-bericht van de aangeefster aan de [getuige] en de door deze getuige bij de aangeefster waargenomen emoties (op een moment dat de verdachte nog in de woning aanwezig was) aangemerkt als bijkomend bewijsmateriaal dat ondersteuning geeft aan de verklaring van de aangeefster. Het hof is vervolgens mede op grond van deze getuigenverklaring tot de slotsom gekomen dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal.
16. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de verklaring van de [getuige] méér betreft dan alleen een ‘de auditu-verklaring’. De verklaring bevat immers een eigen waarneming van de door haar bij de aangeefster direct na het voorval getoonde emoties (te weten de tranen in haar ogen). [4] Bovendien moet de verklaring, zo begrijp ik de overwegingen van het hof, in samenhang worden beschouwd met de screenshot van het door de aangeefster aan de getuige gestuurde appbericht dat zij was verkracht, de verklaring van de aangeefster dat zij daarover direct na het incident de [getuige] heeft geappt, alsmede de verklaring van de verdachte dat de aangeefster vooraf duidelijk kenbaar had gemaakt geen seks te willen en waarin hij bevestigt dat de aangeefster na de seks met iemand aan het bellen was.
17. Het hof heeft, anders dan in het middel wordt betoogd, ook gemotiveerd waarom de discrepantie tussen de eerste en de drie jaren later bij de raadsheer-commissaris afgelegde getuigenverklaring van [getuige] (dat het geen facetime-, maar een telefoongesprek met enkel audio betrof), geen afbreuk doet aan haar geloofwaardigheid, temeer niet
“nu de getuige in haar RHC-verklaring wel ook spreekt over de emoties die zij bij aangeefster waarnam tijdens het gesprek”.Ook deze overweging acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris onder meer heeft verklaard dat zij wist dat de aangeefster overstuur was omdat zij
hoordedat de aangeefster bang en van slag was en dat haar stem trilde. In zoverre faalt het middel.
18. Voor zover door de steller van het middel nog wordt geklaagd dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de overige ter terechtzitting door de verdediging gevoerde verweren (zie onder randnummer 6), geldt dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft overwogen dat het uitgaat van de verklaring van de aangeefster en dat het geen reden heeft om aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan te twijfelen, nu deze steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat geldt volgens het hof daarentegen niet voor de verklaring van de verdachte, die aanvankelijk het seksueel contact met de aangeefster had ontkend en zich niet eerder beriep op het consensuele karakter ervan dan nadat DNA-bewijs de leugenachtigheid van zijn voorgaande verklaring had aangetoond. Dat oordeel acht ik, gelet op hetgeen ik hiervoor onder randnummers 14-15 heb weergegeven, en in aanmerking genomen hetgeen de verdediging in dat kader ten overstaan van het hof naar voren heeft gebracht, niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
19. Het namens de verdachte voorgestelde middel faalt.

Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

20. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de kosten aangaande de studievertraging. Geklaagd wordt dat het oordeel dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee zou brengen niet met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is in het licht van de bedoeling van de wetgever en de rechtspraak van de Hoge Raad.

De vordering van de benadeelde partij

21. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij [slachtoffer] d.d. 10 juni 2021, waaruit volgt dat zij zich in eerste aanleg heeft gevoegd voor een schadebedrag van in totaal € 35.175,68. Deze schade is het gestelde gevolg van een zedenmisdrijf en bestaat uit een materieel gedeelte van in totaal € 30.175,68 en een immaterieel gedeelte van € 5.000,-. De materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: “
reis- en verletkosten” € 150,-, “
nodeloos betaald collegegeld” € 2.143,00, “
gederfde studiefinanciering” € 5.677.68 en “
studievertraging” € 22.205,00. Aan het formulier zijn ter onderbouwing van de opgegeven schadeposten verschillende bijlagen gehecht.
22. Bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ bevindt zich tevens een brief van de raadsman van de benadeelde partij waarin (onder meer) de schadeposten die verband houden met de studievertraging worden toegelicht:
“12. Ten gevolge van het ten laste gelegde feit heeft cliënte nodeloos studiekosten gemaakt. Cliënte is voor het collegejaar 2020/2021 € 2.143,- verschuldigd. Dit betaalt zij in termijnen,(bijlage 3). Doordat cliënte kort na aanvang van het collegejaar slachtoffer werd van het ten laste gelegde feit is cliënte € 2.143,- nodeloos verschuldigd. Cliënte houdt de verdachte hiervoor aansprakelijk en vordert dit nodeloos verschuldigde collegegeld.
a.
Nodeloos verschuldigd collegegeld € 2.143,-
13. Ten gevolge, van het tenlastegelegde feit heeft cliënte een jaar studiefinanciering en Ov-kaart ontvangen en geen studieresultaten gehaald. Zij zal dit jaar over moeten doen; in dat geval krijgt zij geen studiefinanciering en Ov-kaart meer. Cliënte maakt aanspraak op een studiebeurs van € 373,56 per maand en een reisvoorziening ter waarde van € 99,58 per maand. In totaal derft cliënte € 473,14 inkomsten per maand. Cliënte heeft 12 maanden studievertraging. De totale schade in dit kader bedraagt derhalve € 5.677,68(bijlage 4).
a.
Gederfde studiefinanciering en Ov-kaart € 5.677,68
14. Ten gevolge van het tenlastegelegde feit heeft cliënte studievertraging opgelopen van 12 maanden, met als gevolg dat zij later de arbeidsmarkt betreedt. Cliënte begroot de schade hiervan conform de Letselschaderichtlijn voor studievertraging van de Letselschade Raad. Voornoemde richtlijn begroot de schade van één jaar studievertraging bij een HBO/WO- opleiding op € 22.025,-
a.
Schade door studievertraging € 22.025,”
23. Blijkens de pleitnota die aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2023 is gehecht, heeft de raadsman van de benadeelde partij, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende naar voren gebracht:
“1. Namens cliënte verzoek ik u de vordering integraal toe te wijzen, dus inclusief de posten die door de rechtbank niet zijn toegewezen.
2. Ik heb in eerste aanleg uitgebreid stilgestaan bij het kader ter zake het niet-ontvankelijk verklaren van (delen) van de vordering en wanneer de rechter daartoe over zou mogen gaan. 3. Ik heb u erop gewezen dat het de uitdrukkelijke wens van de wetgever is dat niet ontvankelijk-verklaring tot uitzonderingssituaties beperkt blijft. Voorkomen moet worden dat
partijen civielrechtelijk door blijven procederen, aldus de wetgever. Zie in dit verband de volgende passage uit de wetsgeschiedenis: (…)
4. In de toelichting van het amendement wordt ook nadrukkelijk gesteld dat de rechter ook van haar schattingsbevoegdheid gebruik kan maken in het geval de vordering niet volledig met
meerdere bewijsmiddelen wordt onderbouwd. De rechter heeft bij het schatten van de schade
een grote mate van vrijheid. Het schatten van de schade brengt geen onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee, aldus wederom de wetgever.
5. De HR heeft met haar standaardarrest beoogd de rechter handvatten te bieden om zoveel als mogelijk integraal op de vordering te beslissen, wederom vanuit de gedachte dat niet ontvankelijk-verklaring uitzondering moet zijn en voorkomen moet worden dat nog meer rechters zich met hetzelfde feitencomplex gaan bezighouden. Alleen in zeer specifieke gevallen komt niet ontvankelijk-verklaring in beeld, te weten in het geval ook de civiele rechter zonder nadere bewijsopdrachten niet tot een beslissing kan komen, ook niet schattenderwijs.
6. Ik heb er verder op gewezen dat het civiele bewijsrecht van toepassing is op de beoordeling
van de vordering benadeelde partij en dat de strafrechter in beginsel lijdelijk is bij de beoordeling.
7. Uitgaande van dit kader, gevoeg bij het feit dat cliënt zich eveneens kan verenigen met de bewezenverklaring en de straf verzoek ik u het vonnis te bevestigen, met uitzondering van de beslissing ter zake de studievertraging en de hieruit volgende schade. (…)
19. Dan de studievertraging.
26. In deze zaak kan het volgende vastgesteld worden:
a. Ten tijde van het ten laste gelegde feit volgde cliënte de opleiding European Studies bij de Universiteit van Amsterdam. Zij had zich na het volgen van de opleiding International Business voor deze opleiding ingeschreven voor het college jaar 2020/2021.
b. Door het ten laste gelegde feit en in het bijzonder door de psychische klachten die cliënte nadien ondervond van het ten laste gelegde feit heeft zij in samenspraak met de studieadviseur besproken het volledige collegejaar over te doen. Cliënte heeft zich niet uitgeschreven, aangezien zij dan haar huis zou kwijtraken en haar enige inkomen (bijlage 2 + nagestuurd formulier melding studievertraging). Het laatste jaar waarin cliënte ingeschreven stond bij een hoger onderwijsinstelling was het collegejaar 2018/2019. Dat jaar heeft cliënte zonder problemen volbracht (bijlage 2). Zie ook de brief van studieadviseur S. de Bruijn (nagestuurd). (…)
27. De in eerste aanleg gedeelde studieresultaten tonen aan dat cliënte na de ten laste gelegde verkrachting geen studieresultaten meer bereikt heeft, zoals óók reeds uit de aan de vordering gehechte producties bleek.
28. Dit kan als rechtstreeks gevolg gekwalificeerd worden van de ten laste gelegde verkrachting.
(…)
30. In het licht van de jurisprudentie, de verklaringen van cliënte en datgene wat vastgesteld kan worden op basis van de bij de vordering en later gevoegde producties dient de conclusie te zijn dat de schade door studievertraging in rechtstreeks verband staat met het ten laste gelegde feit. Naar civiele maatstaven komt deze schade voor vergoeding in aanmerking.
31. De studievertraging kan gelet op de ernst van het ten laste gelegde feit (verkrachting) en de gevolgen die dit feit voor cliënte heeft gehad (PTSS, zie bijlage 5) redelijkerwijs toegerekend worden aan het strafbare handelen van de verdachte.
32. De verdachte moet dan ook aansprakelijk gehouden worden voor de schade ten gevolge van de studievertraging. (…)”

Het standpunt van de verdediging

24. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 april 2023 de posten die samenhangen met de studievertraging betwist en zich op standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Kort gezegd is aangevoerd dat onvoldoende duidelijk en onderbouwd is of en, zo ja, in hoeverre de studievertraging haar oorsprong vindt in het strafbare feit, terwijl de beoordeling van de vordering voor dit onderdeel een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Ten aanzien van het gevorderde collegegeld heeft de raadsman van de verdachte opgemerkt dat de benadeelde partij er zelf voor heeft gekozen om dit bedrag niet terug te vragen.
“De reden om ingeschreven te blijven is het anders kwijtraken van de woning. Dat behoort niet voor rekening van cliënt te komen, het causale verband ontbreekt.”Daarnaast behoeven ook de posten ‘ov-kaart’ en ‘studiefinanciering’ volgens de raadsman nadere toelichting.
“Zij heeft deze studiefinanciering gewoon ontvangen en niet te begrijpen valt hoe dit te kwalificeren is als ‘schade’. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Ov-chipkaart. Zij heeft voor de periode die daarvoor staat recht op gebruik van die Ov-chipkaart. Gesteld noch gebleken is dat zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.”

Het oordeel van het hof

25. Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, voor zover thans relevant, [5] het volgende overwogen en beslist:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.175,68. (…).
Oordeel van het hof
(…) Ten aanzien van het overige deel van de vordering, te weten de posten die samenhangen met de studievertraging, ter hoogte van € 30.025,68, is het hof van oordeel dat de vordering niet kan worden beoordeeld zonder dat daarvoor nader onderzoek zou worden verricht, gelet op de onderbouwing van de vordering, afgezet tegen de gemotiveerde betwisting daarvan. Het hof is daarom van oordeel dat de verdere behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen. Zij kan dat deel van haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

Een nadere omschrijving van het middel

26. Blijkens de toelichting op het middel wordt door de steller ervan, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij artikel 361 lid 3 Sv Pro en een tweetal arresten van de Hoge Raad, betoogd dat de beslissing van het hof om de vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding mee zou brengen, niet met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is in het licht van de bedoeling van de wetgever en de rechtspraak. [6] In het bijzonder merkt de steller van het middel nog op dat het hof bij het vaststellen van de schade als gevolg van de studievertraging verzuimd heeft te motiveren waarom het geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om deze schade, in het licht van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid, [7] te schatten, terwijl hetgeen namens de benadeelde partij naar voren is gebracht daarvoor zonder meer voldoende aanknopingspunten bood.

De bespreking van het middel

27. Op grond van artikel 361 lid 3 Sv Pro, welk artikel op de voet van artikel 415 Sv Pro ook van toepassing is in hoger beroep, kan de rechter, indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, deze vordering geheel of ten dele niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dat betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [8]
28. Het hof heeft in aanmerking genomen dat het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de studievertraging niet kan worden beoordeeld zonder dat daarvoor nader onderzoek wordt verricht, en heeft tegen die achtergrond geoordeeld dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zijn oordeel heeft het hof zowel de onderbouwing van de schadevergoedingsvordering door de benadeelde partij als de gemotiveerde betwisting daarvan door de verdediging betrokken.
29. Uit ’s hofs beslissing volgt dat de omvang van de schade, het verband tussen het gevorderde bedrag aan studievertraging en het bewezen verklaarde feit niet zonder meer duidelijk is en dat nader onderzoek moet plaatsvinden, hetgeen voor het strafgeding een onevenredige belasting, als bedoeld in artikel 361 lid 3 Sv Pro, zou opleveren. Door aldus te oordelen heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. In dat oordeel ligt bovendien besloten waarom het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de door de studievertraging geleden schade te schatten.
30. Gelet op de complexiteit van de vordering, bestaande uit meerdere schadeposten die zien op de begroting van reeds geleden schade en nog te lijden schade (het gevolg van het later betreden van de arbeidsmarkt), en in aanmerking genomen hetgeen hieromtrent namens de benadeelde partij en de verdediging is aangevoerd (zoals weergegeven onder randnummers 21 tot en met 24), acht ik dit oordeel niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
31. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt.

Slotsom

32. Het namens de verdachte voorgestelde middel en het namens de benadeelde partij voorgestelde middel falen. Beide middelen kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,
2.Vgl. nogmaals HR 23 april 2024 ECLI:NL:HR:2023:643, en de daaraan voorafgaande conclusie van plv-AG Van Wees, ECLI:NL:PHR:2024:251. In die zaak overwoog de Hoge Raad: “
3.Vgl. in dit verband hoe de Hoge Raad omgaat met alternatieve scenario’s c.q. Meer-en-Vaartverweren: HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
4.In gevallen waarin de getuige de aangeefster in een emotionele toestand treft direct na het vermeende delict, en/of die waarneming van emoties gepaard gaat met waarnemingen van de fysieke gesteldheid van de aangeefster (gedacht kan worden aan huilen, abnormale ademhaling en/of hartslag, zichtbare pijnbeleving), is sprake van een eigen waarneming die – onder omstandigheden – voldoende steun
5.Het hof heeft een bedrag van vijfduizend euro ter zake van immateriële schade en een bedrag van honderdvijftig euro ter zake van materiële schade toegekend en daaraan een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel verbonden.
6.In de cassatieschriftuur wordt gewezen op de toelichting op het amendement Wolfsen en Teeven, waarin is uiteengezet dat met het amendement wordt beoogd te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat de vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord, of dat het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Zie
7.In dat kader merkt de steller van het middel op dat ingeval niet of met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat een jaar studievertraging is geleden enkel als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit, gelet op de rechtspraak gebruik kan worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid en de schade kan worden gesplitst in een deel waarvan mag worden aangenomen dat dat is veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit en een deel waarvoor nader onderzoek nodig is.
8.Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933,