Conclusie
Nummer23/01698 M
Inleiding
"verkrachting"veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over de vordering van de benadeelde partij en (op de voet van artikel 36f Sr) een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
Het namens de verdachte voorgestelde middel
De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
terwijl hij wist dat die [slachtoffer] geen seks wilde en hem op voorhand al had gevraagd naar zijn bedoelingen en waar hij, verdachte, op uit was en
die [slachtoffer] betastte op haar benen en in de richting van haar vagina terwijl zij meermalen verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand gaf en
de legging of broek van die [slachtoffer] deels heeft uitgetrokken en
vervolgens bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en
de string van die [slachtoffer] aan de kant heeft gedaan en
misbruik heeft gemaakt van het fysieke overwicht op die [slachtoffer] en
meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet van die [slachtoffer] en waarbij verdachte voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.”
Omschrijving aangifte
geblokkeerd op Facebook.
verteld dat ik haar profiel naar hem had gestuurd. Later heeft hij haar toegevoegd op facebook. Hij heeft haar een berichtje gestuurd. (...) Ze heeft hem toen bij haar thuis uitgenodigd voor een drankje. (...) Toen heeft ze hem thuis laten komen.
De toelichting op het middel
Juridisch kader
unus testis-klacht het volgende te gelden. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan gelet op artikel 342 lid 2 Sv Pro door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (‘bijkomend’) bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad geeft in zijn uitspraken daarom geen algemene regels over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar kan daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door te beslissen over concrete gevallen. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [1]
matewaarin bijkomend bewijs voor die getuigenverklaring ondersteuning biedt. Indien de verdediging ter terechtzitting bijvoorbeeld een alternatieve verklaring voor het bestaan van het (bijkomende) bewijsmateriaal aandraagt (en daarmee de bewijswaarde c.q. de redengevendheid ervan betwist), zal de rechter moeten beoordelen of het bijkomend bewijs in voldoende mate het vermogen heeft om te onderscheiden tussen het scenario waarvan de betwiste getuigenverklaring blijk geeft en het scenario waarop de verdediging zich in dat verband beroept. [2] Bij de beoordeling van de vraag of het bijkomende bewijs de alleenstaande getuigenverklaring in voldoende mate ondersteunt kan de rechter (i) de plausibiliteit van het alternatieve scenario zelf in aanmerking nemen, alsook (ii) de mate waarin het bijkomende bewijs in dat alternatieve scenario past ten opzichte van de mate waarin het strookt met de verklaring van de alleenstaande getuige. [3]
De bespreking van het middel
“nu de getuige in haar RHC-verklaring wel ook spreekt over de emoties die zij bij aangeefster waarnam tijdens het gesprek”.Ook deze overweging acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris onder meer heeft verklaard dat zij wist dat de aangeefster overstuur was omdat zij
hoordedat de aangeefster bang en van slag was en dat haar stem trilde. In zoverre faalt het middel.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
De vordering van de benadeelde partij
reis- en verletkosten” € 150,-, “
nodeloos betaald collegegeld” € 2.143,00, “
gederfde studiefinanciering” € 5.677.68 en “
studievertraging” € 22.205,00. Aan het formulier zijn ter onderbouwing van de opgegeven schadeposten verschillende bijlagen gehecht.
Nodeloos verschuldigd collegegeld € 2.143,-
Gederfde studiefinanciering en Ov-kaart € 5.677,68
Schade door studievertraging € 22.025,”
Het standpunt van de verdediging
“De reden om ingeschreven te blijven is het anders kwijtraken van de woning. Dat behoort niet voor rekening van cliënt te komen, het causale verband ontbreekt.”Daarnaast behoeven ook de posten ‘ov-kaart’ en ‘studiefinanciering’ volgens de raadsman nadere toelichting.
“Zij heeft deze studiefinanciering gewoon ontvangen en niet te begrijpen valt hoe dit te kwalificeren is als ‘schade’. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Ov-chipkaart. Zij heeft voor de periode die daarvoor staat recht op gebruik van die Ov-chipkaart. Gesteld noch gebleken is dat zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.”