Conclusie
3.3 Het oordeel van de rechtbank
€ 2.053,29
€ 4.399,60
€ 2.053,29
3.3.1 Inleiding” blijkt echter voldoende duidelijk dat die grondslag is gelegd in het tweede lid van art. 36e (oud) Sr. Die overweging houdt immers in:
Stb. 171) als volgt:
NJ2021/46, m.nt. Reijntjes. [3] Het oordeel van de rechter over het bestaan van voldoende aanwijzingen voor het begaan van die ‘andere’ strafbare feiten hoeft niet te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. [4] Dat neemt niet weg dat wel uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan. [5] De vaststelling dat andere (dan de bewezenverklaarde) strafbare feiten zijn begaan, moet worden onderscheiden van de schatting van de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten en/of de andere feiten. In de ontnemingsprocedure is de rechter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan art. 511f Sv, waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. [6]
Voordeelsberekening aan de hand van een eenvoudige kasopstelling