Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
datde ondergetekende sub 2 heeft gekocht en geleverd gekregen:
datvoor rekening van beide ondergetekenden op dit bouwterrein een huis cum annexis
datter financiering van de aankoop door de ondergetekenden sub 2 een hypothecaire
datter financiering van de bouw door de ondergetekenden sub 1 en 2 hoofdelijk een
1. wanneer de samenwoning van de ondergetekenden metterwoon is verbroken, zal voormeld bouwterrein met het daarop gebouwd woonhuis cum annexis door een in onderling overleg aan te wijzen taxateur worden getaxeerd. Hierbij zullen de grond en het huis apart worden gewaardeerd.’Op de mondelinge behandeling in hoger beroep bleek dat partijen al vóór het sluiten van die overeenkomst niet meer samenwoonden. De vrouw was al in januari 2008 met de kinderen bij haar ouders gaan wonen. De man bleef in de voormalige gezamenlijke woning aan de [b-straat] te [plaats] tot de overdracht van die woning op 1 april 2008 en is toen boven zijn kantoor gaan wonen. De samenwoning van partijen was daarmee, zoals de overeenkomst het noemt, ‘metterwoon verbroken’. Dat betekent dat met het aangaan van de overeenkomst op 28 maart 2008 tussen partijen de rechtens afdwingbare verbintenis is ontstaan om de grond en het huis te laten taxeren en tot afrekening van de waarde daarvan over te gaan op de wijze als bepaald (onder) sub 2 van de overeenkomst.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1abetoogt dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of de rechtsvordering op grond van art. 3:307 BW Pro is verjaard, bepalend is de rechtsvordering zoals de eiser die in een procedure heeft ingesteld en over welke vordering de rechter – op de voet van art. 3:296 lid 1 BW Pro – moet beslissen. Volgens het onderdeel strekken de vorderingen van de vrouw ertoe om in het kader van de verdeling de waarde van de woning en de hypothecaire lening financieel af te wikkelen dan wel de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld bij helfte te delen. De advocaat van de vrouw heeft dit nader onderbouwd met een beroep op art. 3:178 BW Pro. Ten onrechte heeft het hof die grondslagen en onderbouwing van de vorderingen door de vrouw niet betrokken en tot uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling van het beroep op verjaring van de vordering van de vrouw. Althans zijn de oordelen van het hof onbegrijpelijk, nu haar stellingen c.q. grondslagen niet anders kunnen worden begrepen dan dat haar vorderingen strekken tot verdeling c.q. afrekening van de gemeenschap van samenwoning. Indien het hof zijn oordelen wel heeft gegrond op het petitum van de in de inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen dan zijn de oordelen volgens
subonderdeel 1.1book rechtens onjuist althans onbegrijpelijk omdat de rechtsvorderingen van de vrouw niet betrekking hebben op hun afspraak in de overeenkomst van 28 maart 2008 maar op de verdeling van de waarde van de woning.
Subonderdeel 1.3bbetoogt dat indien het hof in rov. 5.2 tot en met 5.7 ervan uitging dat de overeenkomst van 28 maart 2008 de daarin bepaalde wijze van verdeling aan partijen voorschreef, die oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting over de verdeling van hun gemeenschap van samenwoning volgens art. 3:182 BW Pro in verbinding met art. 3:166 BW Pro en art. 3:178 BW Pro. Ook bij samenlevers waar de samenlevingsovereenkomst de wijze van verdeling en financiële afwikkeling van hun gemeenschap bepaalt, kunnen partijen als deelgenoten niet worden genoodzaakt in een onverdeelde gemeenschap te blijven en kan op grond van art. 3:182 BW Pro verdeling geschieden. Het hof miskende dat de afspraken in het kader van de verdeling van de gemeenschap kwalificeren als een (meerzijdige vermogensrechtelijke) rechtshandeling in de zin van art. 3:182, eerste volzin, BW en geen ‘rechtens afdwingbare verbintenis’ waarvoor de opeisbare rechtsvordering tot nakoming van deze verdelingsafspraken verjaart door het verstrijken van de verjaringstermijnen als bedoeld in art. 3:306 en Pro 3:307 BW.
Die vraag verliest aan belang indien na beëindiging van het huwelijk nog voldoende gelegenheid bestaat om alsnog rechtsmaatregelen te treffen.De wet voorziet in dit verband in een verlenging van de verjaringstermijn. Deze verlenging beloopt echter slechts zes maanden (art. 3:320 BW Pro in verbinding met art. 3:321 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW). Voor rechtsvorderingen uit periodieke verrekenbedingen heeft de wetgever deze termijn te kort bevonden en tot drie jaar verlengd (art. 1:141 lid 6 BW Pro), op de grond dat juist in de eerste periode na uiteengaan emoties de overhand hebben. Niet duidelijk is waarom de wetgever de termijn niet ook tot drie jaar heeft verlengd voor andere rechtsvorderingen tussen echtgenoten, zoals die uit vergoedingsrechten als in deze zaak aan de orde.”