Conclusie
1.Korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Verder heeft de voorzieningenrechter [eiser] veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
€ 53.475,74 aan [verweerster] wordt toebedeeld en de overwaarde aan [eiser] wordt toebedeeld;
- verstek verleend tegen de niet verschenen [eiser] ;
- [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 53.475,74;
- de proceskosten gecompenseerd en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
in conventie: [eiser] tot goed opposant te verklaren en
in reconventie:
in conventie en in reconventie: [verweerster] te veroordelen in de proceskosten van het verstek en het verzet. [6]
in conventie:
Daarnaast heeft [verweerster] (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld en haar eis vermeerderd. Zij heeft geconcludeerd, voor het geval het hof aan een inhoudelijke beoordeling van haar vorderingen zal toekomen, dat het hof [eiser] zal veroordelen tot (terug)betaling van de (geïnvesteerde of uitgeleende) € 53.475,74 en van € 21.962,02 aan (voor [eiser] ) betaalde aflossingen en rente. [10]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.9 t/m 5.11, waarin het hof, voor zover van belang, het volgende heeft geoordeeld:
subonderdeel 1.1wordt gevormd door de klachten dat het hof ten onrechte het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2014 [15] niet heeft toegepast, althans niet heeft gemotiveerd waarom de rechtsregel uit het arrest van 5 september 2014 in dit geval niet van toepassing is, en verder dat het hof in rov. 5.9 een onjuist criterium heeft aangelegd, waardoor het recht van [eiser] op toegang tot de rechter uit art. 6 EVRM Pro in de kern is aangetast.
Subonderdeel 1.2bouwt, sterk samengevat, deels op het voorgaande voort met het betoog, zakelijk weergegeven, dat [eiser] op 1 februari 2021 niet wist dat de verzettermijn van art. 143 lid 3 Rv Pro was verstreken, en hij ervan uitging dat pas op die datum de verzettermijn van vier weken ging lopen omdat hem toen het verstekvonnis en de dagvaarding werden toegezonden. Het subonderdeel klaagt daarnaast dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een nadere termijn van veertien dagen in dit geval voldoende is om het recht van [eiser] op een effectieve toegang tot de rechter te waarborgen.
Stienstra Holding/ [… 1]van 25 februari 2000. [27] In dit arrest heeft de Hoge Raad (rov. 3.4.2) voorop gesteld dat onverkorte toepassing van de verzettermijnen uit art. 81 (oud) Rv onder omstandigheden kan leiden tot een resultaat dat niet meer voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, omdat de toegang tot de rechter in feite illusoir is. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat het belang van eiser (dat het bij verstek gewezen vonnis onherroepelijk wordt) niet in zoverre de voorrang mag krijgen dat het recht van gedaagde op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. De Hoge Raad heeft vervolgens de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, waaronder het gegeven dat noch de inleidende dagvaarding noch het verstekvonnis aan de gedaagde in persoon waren betekend, dat hij met de inhoud van het verstekvonnis eerst bekend werd op de dag dat met de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan was begonnen, en dat hij ingevolge de wettelijke regeling nog geen vierentwintig uur de tijd had om verzet te doen. Daarvan uitgaande overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat toepassing in het onderhavige geval van de in de art. 81, 83 en 84 Rv voor het instellen van verzet gegeven regels in strijd komt met art. 6 EVRM Pro, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onvoldoende is gemotiveerd of onbegrijpelijk is.
[… 2] / [… 3]van 16 januari 2004 [28] was de vraag aan de orde of het huidige art. 143 lid 3 in Pro verbinding art. 144 aanhef Pro en onder b. Rv van toepassing was in een geschil waarin het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van vóór 1 januari 2002 nog gold. In die zaak was [… 2] bij verstek veroordeeld tot betaling aan [… 3] van een bedrag van ruim ƒ 50.000,--. [… 3] liet vervolgens beslag leggen onder het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (GUO) op de aanvullende uitkering van [… 2] en gedurende elf maanden werd wekelijks een bedrag van ƒ 79,90 netto ingehouden, waarna de uitkering stopte. Bijna drie jaar na de datum van het verstekvonnis, werd dit vonnis in persoon betekend aan [… 2] , waarna deze in verzet ging.
De Hoge Raad overwoog in rov. 3.7 dat in beginsel grond zal bestaan voor toepassing van de regel uit zijn arrest van 25 februari 2000 (
Stienstra/ [… 1]) dat onder omstandigheden onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn in art. 81, 83 en 84 (oud) Rv achterwege moet blijven:
i. de veroordeelde niet (door betekening in persoon) op de hoogte was van de inleidende dagvaarding en van het verstekvonnis en evenmin van het gelegde derdenbeslag, en
ii. de veroordeelde evenmin bekend was met de omstandigheid dat de executant doende was het vonnis ten uitvoer te leggen, en
iii. de veroordeelde, nadat vervolgens het verstekvonnis in persoon aan hem was betekend, binnen veertien dagen nadien verzet heeft ingesteld (…)”
Azeta/Chilivan 26 maart 2010 [29] werd door de Hoge Raad gerefereerd aan de regel van het arrest
Stienstra/ [… 1]dat indien het instellen van het rechtsmiddel verzet binnen de daarvoor geldende korte termijn op zwaarwegende bezwaren stuit waardoor het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast, een beroep kan worden gedaan op een zekere verruiming van de termijn ter effectuering van haar door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Vervolgens overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de relatie tussen verzet, verzettermijn en art. 6 EVRM Pro als volgt:
Morning Star/Republiek Gabonvan 5 september 2014 [30] betrof het aanvangsmoment van art. 143 lid 3 in Pro verbinding met art. 144, aanhef en onder b. Rv in een zeer specifiek geval. Door Morning Star waren op basis van een vonnis waarin de republiek Gabon bij verstek tot betaling was veroordeeld, derdenbeslagen gelegd ten laste van Gabon. De beslagen troffen, naar achteraf bleek, geen doel omdat de derde geen gelden of andere zaken onder zich bleek te hebben gehad ten behoeve van Gabon. De derde had dienaangaande achteraf bezien dus een onjuiste verklaring afgelegd.
De republiek Gabon, die enkele jaren daarna in verzet ging, werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, maar in hoger beroep ontvankelijk omdat het hof oordeelde, samengevat en zakelijk weergegeven, dat als het beslag geen doel heeft getroffen, de verzettermijn niet is gaan lopen op de dag dat de derde uitbetalingen verricht uit hoofde van de derdenbeslagen zodat het verstekvonnis niet op grond van art. 144 aanhef Pro en onder b. Rv kan worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd.
Het daartegen gerichte cassatieberoep werd verworpen, waarbij de Hoge Raad de wettelijke bepalingen, de wetsgeschiedenis van art. 143 lid 3 Rv Pro en de hiervoor besproken arresten van 25 februari 2000, 16 januari 2004 en 26 maart 2010 als volgt tot uitgangspunt nam:
Aan de niet-verschenen gedaagde werd het vonnis van 24 februari 2010 op 21 maart 2011 in persoon betekend, waarna deze bij exploot van 18 april 2011 in hoger beroep ging. De Hoge Raad overwoog als volgt:
appeltermijn geplaatst. Over de verlenging van de beroepstermijn met een redelijke termijn zegt hij het volgende:
Dat roept de vraag op welke termijn redelijk is.
Zij vermeldt dat in de literatuur door een aantal auteurs wordt aangenomen dat een nadere termijn van veertien dagen voldoende is, waarbij dan wordt verwezen naar de nadere appeltermijn die de Hoge Raad in een bijzondere situatie heeft gegeven. [36] Zij wijst er vervolgens op dat er ook auteurs zijn die een nadere termijn van vier weken bepleiten [37] en auteurs die in het midden laten of de bij verstek veroordeelde gedaagde in zo’n bijzonder geval een nadere termijn van veertien dagen of vier weken moet worden geboden. [38] In de feitenrechtspraak wordt, aldus De Bock, in het algemeen aangenomen dat in uitzonderlijke situaties, waarin de bij verstek veroordeelde gedaagde niet tijdig verzet heeft kunnen instellen, een nadere termijn van veertien dagen moet worden gegeven. [39]
Morning Star/Republiek Gabonheeft toegepast dat de toepassing van art. 143 lid 3 Rv Pro in verbinding met art. 144 Rv Pro niet gerechtvaardigd is in het geval dat de mogelijkheid bestaat dat de verzettermijn is verstreken voordat de veroordeelde met het verstekvonnis bekend is geraakt, althans niet nader heeft gemotiveerd waarom deze rechtsregel hier niet van toepassing is. [41] Het subonderdeel klaagt daarnaast dat het hof in rov. 5.9 een onjuist criterium heeft aangelegd met zijn oordeel dat de verzettermijn van art. 143 lid 3 in Pro verbinding met art. 144 aanhef Pro en onder b. Rv is verstreken ondanks dat het verstekvonnis “niet aan hem zelf is betekend en dat [eiser] van de tenuitvoerlegging daarvan toen nog niet zou hebben geweten.” In ieder geval heeft het hof, aldus het subonderdeel, niet gemotiveerd waarom de rechtsregel uit het arrest van 5 september 2014 in dit geval niet van toepassing is. [42] Verder bevat subonderdeel 1.1 de klacht [43] dat het oordeel van het hof in rov. 5.9 dat het niet bekend zijn met het verstekvonnis en de tenuitvoerlegging daarvan geen verandering brengt in het verstrijken van de verzettermijn, onjuist is. Daarmee heeft het hof volgens deze klacht het arrest van HR 5 september 2014 miskend omdat eerst na het verstrijken van de verzettermijn - tijdens de verzetprocedure - [eiser] bekend is geraakt met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.
geacht wordtte zijn tenuitvoergelegd. De andere aanvangsmomenten van art. 143 lid 2 Rv Pro doen dan niet meer ter zake.
Morning Star/Republiek Gabon.
Als het gaat om het aanvangsmoment van het derde lid van art. 143 Rv Pro is bepalend de dag dat het vonnis ten uitvoer is gelegd, en op grond van art. 144 aanhef Pro en onder b. Rv wordt een vonnis geacht te zijn ten uitvoer gelegd als in geval van derdenbeslag op een vordering (deels) is uitbetaald aan de beslaglegger. Met andere woorden: op de dag van uitbetaling wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd en dan gaat de verzettermijn voor verzet van vier of acht weken lopen. De termijn waarbinnen [eiser] verzet kon instellen was op 25 februari 2021 dus verstreken.
Echter, zoals is beslist in het arrest
Stienstra Holding/ [… 1]en is herhaald in de overige genoemde arresten kan zich het geval voordoen dat de veroordeelde dan nog niet met het verstekvonnis bekend is geraakt. In zo’n geval is toepassing van art. 143 lid 3 in Pro verbinding met art. 144 Rv Pro niet gerechtvaardigd en kan aan de veroordeelde een nadere termijn worden gegund.
Het subonderdeel betoogt daartoe onder meer dat voor zover het hof zich heeft laten leiden door de arresten van de Hoge Raad van 16 januari 2004 [47] en 25 februari 2000 [48] geldt dat in die zaken nog de oude verzettermijn van twee weken op de voet van art. 81 Rv Pro (oud) gold. Aangezien sinds 2002 een verzettermijn van vier weken is gaan gelden, voldoet de nadere termijn van twee weken hier niet zonder meer. Daarnaast wijst het subonderdeel erop dat “een verstekdagvaarding direct inhoudelijk moet zijn gemotiveerd.”
Deze zaak vormt een goede gelegenheid voor beantwoording van deze vraag en met het oog op de rechtszekerheid lijkt mij dat ook gewenst.
In dit voorstel heeft het hof in rov. 5.9 en 5.10 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
In dat geval meen ik dat het oordeel van het hof in rov. 5.11, eerste volzin, dat [eiser] onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de verzetdagvaarding pas op 25 februari 2021 te doen uitbrengen, niet, althans onvoldoende, begrijpelijk is gemotiveerd. Het hof heeft enerzijds niet uitgelegd of de redelijkheid van een nadere termijn wordt bepaald door de voortvarendheid waarmee na bekend worden van inleidende dagvaarding of verstekvonnis wordt gehandeld. Anderzijds heeft het hof ook niet gemotiveerd hoeveel tijd gemoeid is met voortvarend handelen in een situatie als de onderhavige. Er ontbreken dus schakels in de motivering van het hof. Daarbij komt dat een eventueel eerder aanvangsmoment (het door [verweerster] gestelde telefoongesprek op 7 januari 2021) door het hof in rov. 5.10 uitdrukkelijk in het midden is gelaten.
Subonderdeel 1.2 slaagt dan in zoverre.
Overigens heeft het hof in rov. 5.6 met betrekking tot (de voorwaardelijke) grief II geoordeeld dat voor zover [eiser] daarmee een inhoudelijke beoordeling wenst te verkrijgen, daaraan pas kan worden toegekomen als [eiser] ontvankelijk blijkt in het tegen het verstekvonnis gerichte verzet.