ECLI:NL:PHR:2024:990
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen uitzondering op verrekeningsverbod bank bij pinbetalingen op verpande winkelvoorraad
In deze zaak stond centraal of Rabobank een uitzondering kon maken op het verrekeningsverbod van artikel 54 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) voor pinbetalingen die op de bankrekening van Geddes Retail werden bijgeschreven, terwijl Rabobank een pandrecht had op de winkelvoorraad van Geddes Retail. Rabobank stelde dat zij ondanks het faillissement mocht verrekenen omdat de pinbetalingen voortkwamen uit de verkoop van verpande voorraad en dat dit redelijk en doelmatig was.
De feiten betroffen pinbetalingen van klanten die werden bijgeschreven op de rekening van Geddes Retail bij Rabobank in de periode dat Rabobank wist dat het faillissement van Geddes Retail te verwachten was. Rabobank had toestemming gegeven voor verkoop van de verpande voorraad, waarbij de opbrengst op de rekening werd gestort. Na het faillissement verrekende Rabobank het positieve saldo van de rekening met haar vordering op Geddes Retail.
De rechtbank en het hof verwierpen de door Rabobank bepleite uitzondering op het verrekeningsverbod. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en overweegt dat het wettelijke stelsel helder is: als de bank niet te goeder trouw is, kan zij niet verrekenen met bedragen die op de rekening van de failliete klant worden bijgeschreven. De uitzondering die geldt voor stil verpande vorderingen (Mulder q.q./CLBN) is hier niet van toepassing, omdat het pandrecht op de voorraad door verkoop is geëindigd en geen pandrecht op de koopprijs is ontstaan.
De Hoge Raad wijst erop dat de ratio van art. 54 lid 1 Fw Pro is om ongerechtvaardigde bevoordeling van de bank boven andere schuldeisers te voorkomen. De door Rabobank aangevoerde redelijkheids- en doelmatigheidsargumenten zijn van rechtspolitieke aard en dienen door de wetgever te worden gewogen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bank geen recht had om te verrekenen met de pinbetalingen in de periode dat zij niet te goeder trouw was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat Rabobank geen uitzondering kan maken op het verrekeningsverbod van art. 54 lid 1 Fw bij pinbetalingen op de rekening van een failliete klant.