Conclusie
1.Inleiding
4.Het middel
in de richtingvan het gezicht van de brildragende sloeg en dat dit niet wil zeggen dat je daarmee je doel bereikt. Aan het voorwaardelijke verzoek is ten grondslag gelegd dat de verdediging de [getuige] wenst te bevragen of hij gezien heeft of [slachtoffer] is geraakt.
in de richtingvan het gezicht van [slachtoffer] sloeg, hoewel hij daarmee niet zegt dat [slachtoffer] daarbij geraakt werd – ondersteuning ziet van de omstandigheden die [slachtoffer] in zijn aangifte noemt en waarover hij verklaart dat hij toen door de verdachte is gesIagen.
in de richtingvan het gezicht van de brildragende man sloeg. Dat onderdeel van de verklaring van [getuige] is door de verdediging niet betwist. Aan het verweer is immers ten grondslag gelegd dat ‘het aankomt op de verklaring van [getuige] ’, die heeft gezien dat de duivenman met zijn vuist in de richting van het gezicht van de brildragende man sloeg.