ECLI:NL:PHR:2025:1274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
24/03275
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Profijtontneming en motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel in drugszaken

In deze zaak, behandeld door de Hoge Raad op 18 november 2025, betreft het een cassatieberoep ingesteld door de betrokkene, geboren in 1981, tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof had eerder het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op € 8.327,29, dat hij aan de Staat moest betalen ter ontneming van dat voordeel. De betrokkene had twee middelen van cassatie ingediend. Het eerste middel betrof de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel had gedaan op gronden die deze schatting niet konden dragen. Het tweede middel betrof de klacht dat het hof niet had gemotiveerd waarom het was afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting. Het hof oordeelde dat de schatting toereikend was gemotiveerd en dat de verdediging geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had gepresenteerd. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, en het hof volgde deze conclusie. De zaak heeft samenhang met andere strafzaken tegen de betrokkene, waarin ook ontnemingsmaatregelen zijn opgelegd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03275 P
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
Bij arrest van 22 augustus 2024 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002331-21) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 8.327,29, en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 8.327,29, aan de Staat, zulks ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02940, 24/02974, 24/02982 en 24/02933 (de strafzaak tegen de betrokkene). In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel klaagt dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op gronden die de schatting niet kunnen dragen. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting.

2.De strafzaak

2.1
In de strafzaak tegen de betrokkene heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 25 juli 2024 het vonnis van de rechtbank bevestigd, met verbetering en aanvulling van gronden, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 4 ten laste gelegde en de opgelegde straf. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
Feit 1
“in de periode van 15 maart 2019 tot en met 27 maart 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, lid 5 van de Opiumwet
- 44,58 kilogram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
- 1,06 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”
Feit 2
“in de periode van 26 maart 2019 tot en met 27 maart 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, lid 5 van de Opiumwet 144,73 kilogram, gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II”
Feit 3
“in de periode van 14 maart 2019 tot en met 15 april 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid hennep, te weten:
- een hoeveelheid van ongeveer 16 kilo hennep (14 en 15 maart 2019), en
- een hoeveelheid van 12,54 kilo hennep (15 april 2019), en
- een hoeveelheid van 3,12 kilo hennep (15 april 2019), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”
Feit 4
“hij in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 te [plaats] heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en medeverdachten [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 4] en [medebetrokkene 5] en [medebetrokkene 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede en derde en vierde en vijfde lid, namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 aanhef en onder A en B en C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van:
- grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende grote hoeveelheden lijst II en
- grote hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde l hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.”

3.De middelen

3.1
Met het eerste middel wordt geklaagd dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte heeft geschat op een bedrag van € 8.327,00, althans dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op basis van gronden die deze schatting niet kunnen dragen. De toelichting op het eerste middel houdt samengevat het volgende in. Geklaagd wordt dat het hof heeft nagelaten de inhoud van de bewijsmiddelen waarop het de schatting heeft gebaseerd weer te geven, in ieder geval voor zover die bewijsmiddelen redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Zonder die inhoud nader te duiden en te onderbouwen wordt niet duidelijk hoe het hof tot de geschatte hoeveelheden amfetamine, hasj en hennep is gekomen. Ook klaagt de steller van het middel dat het hof bij de motivering van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kon volstaan met een verwijzing naar bewijsmiddelen die in de hoofdzaak onderdeel uitmaken van en nader omschreven worden in de bewijsvoering. De schatting van het totale voordeel zou vanwege al het voorgaande niet toereikend gemotiveerd zijn.
3.2
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat inhoudt dat op basis van de bewijsmiddelen die voorhanden waren niet kon worden vastgesteld welke hoeveelheden hennep en/of hasj verhandeld werden. In de toelichting op het tweede middel wordt voor de inhoud van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verwezen naar randnummers 140, 141, 144 en 145 van de pleitnota.
3.3
De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De bewijsconstructie van het hof in deze ontnemingszaak
3.4
Voor zover hier relevant heeft het hof het volgende overwogen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 25 juli 2024, onder parketnummer 20-001792-21, veroordeeld ter zake van:
1. ‘Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd in de periode van 15 maart 2019 tot en met 27 maart 2019;
2. ‘Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd in de periode van 26 maart 2019 tot en met 27 maart 2019;
3. ‘Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd', in de periode van 14 maart 2019 tot en met 15 april 2019, en
4. ‘Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, vierde lid en vijfde lid van de Opiumwet’, gepleegd in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
Algemeen
Het hof heeft kennisgenomen van:
1. het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel criminele organisatie ex art. 36e 2e lid Wetboek van Strafrecht’, rapportnummer ZBRAA 18063-FINRE-1, gedateerd 18 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , inspecteur van politie en werkzaam bij de Dienst Recherche van de Eenheid Zeeland-West-Brabant, met bijlagen (hierna te noemen: rapport 1);
2. Het proces-verbaal ‘Zaaksdossier C6 Ontnemingsrapportage’ betreffende [betrokkene] , proces-verbaalnummer ZBRAA18.063.470, gedateerd 18 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie en werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche van de Eenheid Zeeland-West-Brabant, met bijlagen (hierna te noemen: rapport 2).
In rapport 1 is een schatting gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie, waarvan de betrokkene deelnemer was, op basis van een transactieberekening. In rapport 2 wordt inzicht gegeven in het vermogen van de betrokkene.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Algemeen
Het hof volgt de transactieberekening uit rapport 1 niet. In de eerste plaats wordt in dit rapport uitgegaan van de eindhandel in drugs, terwijl uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier blijkt dat sprake was van tussenhandel. De in rapport 1 gehanteerde 'straatprijzen' van de drugs voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn dan ook te hoog. Daarnaast past de berekening uit rapport 1 niet geheel bij de feiten zoals die door het hof bewezen zijn geacht in de hoofdzaak.
Het hof ziet in dit concrete geval wel aanleiding om het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen op basis van een transactieberekening, maar zal dat in het voordeel van de betrokkene doen op basis van de navolgende, van rapport 1 afwijkende uitgangspunten:
a. het hof gaat uit van tussenhandel in drugs;
b. het hof gaat ervan uit dat alleen de betrokkenen die een actieve rol hebben gehad bij een specifieke transactie met drugs met die transactie geld hebben verdiend en aldus wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Onder een actieve rol verstaat het hof onder meer het leggen van contact met de koper(s) en/of het controleren / keuren van de drugs en/of het herverpakken van de drugs voor de koper(s) en/of het overdragen van de drugs aan de koper(s) en/of het in- en/of overladen van de drugs in de auto van de koper(s) en/of het in ontvangst nemen van het geld en/of het in de gaten houden van de omgeving van de loods tijdens transacties via beveiligingscamera’s, een en ander zoals, door het hof is vastgesteld in de hoofdzaak;
c. bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald;
d. bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel schat het hof de opbrengsten van de tussenhandel in drugs op de volgende netto-bedragen (d.w.z. na aftrek van inkoopkosten, gebaseerd op hetgeen medebetrokkene [medebetrokkene 3] heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep, bij gebrek aan andere informatie omtrent de tussenhandelprijzen):
- hennep: € 250,- per kilogram (uitgaande van een inkoopprijs van € 4.000,- per kilogram en een verkoopprijs tussen € 4.200,- en € 4.300,- per kilogram);
- hasj: € 50 euro per kilogram;
- amfetamine: € 25,- per kilogram;
e. bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel gaat het hof uit van de transacties zoals die zijn beschreven in het proces-verbaal van bevindingen ‘Bevindingen betreffende de handel in verdovende middelen in de loods [a-straat 1] te [plaats] ’, proces-verbaalnummer 451, gedateerd 3 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, pagina’s C 1160 t/m C 1169 (hierna: proces-verbaal 1), en in het proces-verbaal ‘Zaaksdossier Zaak C5 hennephandel [a-straat 1] ’, proces-verbaalnummer 56, gedateerd 21 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , hoofdagent van politie bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, pagina’s C 2244 t/m C 2285, met bijlagen (hierna: proces-verbaal 2). Het hof neemt alleen die transacties mee waarvan een inschatting kan worden gemaakt van de verkochte hoeveelheid.
In proces-verbaal 2 wordt met de term 'levering' kennelijk telkens bedoeld de levering van hennep aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen door (een) derde(n). Het hof begrijpt dit als de inkoop van hennep door de betrokkene en zijn medebetrokkenen van (een) derde(n)). Met de term ‘afname’ in proces-verbaal 2 wordt kennelijk telkens bedoeld de levering van hennep door de betrokkene en zijn medebetrokkenen aan (een) derde(n). Het hof begrijpt dit als de verkoop van hennep door de betrokkene en zijn medebetrokkenen aan (een) derde(n).
Het hof realiseert zich, dat er in werkelijkheid mogelijk (aanzienlijk) meer hennep door de betrokkene en zijn medebetrokkenen is verhandeld dan op basis van de genoemde transacties kan worden vastgesteld. Op basis van de camerabeelden kan namelijk ook een inschatting worden gemaakt van de hoeveelheid hennep die gedurende de cameraobservatie in de loods aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen is geleverd. Wanneer die hoeveelheid wordt vergeleken met de hoeveelheid hennep die in de loods is aangetroffen op de dag van de doorzoeking door de politie op 15 april 2019, kan in elk geval worden vastgesteld dat een groot deel van de aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen geleverde hennep niet langer in de loods aanwezig is. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof echter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat die hennep daadwerkelijk is verkocht. Hetzelfde geldt voor de hennep waarvan op de camerabeelden is te zien dat deze in de loods door de betrokkene en/of zijn medebetrokkenen wordt geladen in zijn/hun eigen auto(’s), waarna hij/zij met die auto('s) de loods verlaat/verlaten. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de hennep waarvan op de camerabeelden is te zien dat deze in de loods wordt verkocht, geheel of gedeeltelijk dezelfde hennep is als de hennep die eerder in de eigen auto/auto’s is geladen, zodat het risico van dubbeltelling bestaat als zou worden aangenomen dat alle hennep die in de eigen auto’s/auto’s is geladen eveneens is verkocht, naast de hennep waarvan is te zien dat deze in de loods is verkocht.
Voor zover de advocaat-generaal en/of de verdediging een andere berekeningswijze voorstaan, volgt het hof die dus niet.
f. bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel gaat het hof er op basis van de hiervóór onder e genoemde processen-verbaal van uit dat de in die processen-verbaal genoemde verpakkingen de volgende inhoud hebben:
- een sealbag: ongeveer 1 kilogram hennep (zie proces-verbaal 1, pag. C 1161);
- een strijkzak: ongeveer 2 kilogram hennep (zie proces-verbaal 1, pag. C 1161);
- een bigbag: 6 sealbags met in totaal ongeveer 6 kilogram hennep (zie proces-verbaal 2, pag. C 2257);
- een doos: 5 sealbags met in totaal ongeveer 5 kilogram hennep (zie proces-verbaal 2, pag. C 2260);
g. bij het ontbreken van verklaringen van de betrokkene en zijn medebetrokkenen omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de betrokkenen naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Bij de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkenen gaat het hof daarom uit van een pondspondsgewijze verdeling van de opbrengst per transactie over de betrokkenen die actief bij die transactie waren betrokken.
Schatting van de opbrengsten
i.
1e verkoop hennep op 1 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2256):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische VW Golf
6kgx € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 6] , [medebetrokkene 7] , [medebetrokkene 5] , [medebetrokkene 4] , [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 1] .
ii.
2e verkoop hennep op 1 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2257):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische Opel Corsa
6 kg x € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 6] en [medebetrokkene 2] .
iii.
Verkoop hennep op 7 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2260):
1 doos hennep wordt verkocht aan inzittende Duitse Porsche Macan
5 kg x € 250,- = € 1.250
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] , [medebetrokkene 1] , [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 7] .
iv.
Verkoop hennep op 8 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2261):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische Opel Astra
6 kg x € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] , [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 7] .
v.
Verkoop hennep op 16 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2265 - C 2266):
2 dozen met hennep worden verkocht aan inzittende Belgisch voertuig
(2 x 5 kg) c € 250,- = € 2.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] .
vi.
Verkoop op 26 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2268):
1 doos hennep wordt verkocht aan twee onbekende mannen
5 kg x € 250,- = € 1.250
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 4] .
vii.
Verkoop hennep op 6 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2271 - C 2272):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische VW Golf
6 kg x € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 7] .
viii.
Verkoop hennep op 9 april 2016 (proces-verbaal 2, pag. C 2274):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische Renault.
6 kg x € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 6] .
ix.
Verkoop hennep op 10 april 2016 (proces-verbaal 2, pag. C 2275):
1 doos hennep wordt verkocht aan inzittende Belgische Opel Corsa
5 kg x € 250,- = € 1.250
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 6] .
x.
1e verkoop hennep op 11 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2276):
5 sealbags hennep worden verkocht aan inzittende Belgische VW Golf
5 kg x € 250,- = € 1.250
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 3] .
xi.
2e verkoop hennep op 11 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2277):
1 bigbag hennep wordt verkocht aan drie onbekende mannen
6 kg x € 250,- = € 1.500
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 5] , [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 6] .
xii.
Export amfetamine in periode 15 maart 2019-27 maart 2019
44,58 kg x € 25,- € 1.114,50
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 2] .
xiii.
Export hasj in periode 26 maart 2019- 27 maart 2019
144,73 kg x € 50,- = € 7.236,50
Actief betrokken personen: [medebetrokkene 3] en [medebetrokkene 2] .
Totaal opbrengsten = € 24.851
(…).
Toerekening
(…).
Kortom, het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene [betrokkene] wordt geschat vast op een bedrag Van € 8.327,29.”
3.5
In een aanvulling bewijsmiddelen heeft het hof nog het volgende opgenomen:
“1. De verklaring van [medebetrokkene 3] , afgelegd als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2024, ter terechtzitting gevoegd in het dossier van de zaak tegen de verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In de twee maanden dat de camera op de loods stond, maart/april 2019, hielp ik in die loods gewoon klanten die drugs kwamen halen. Ik was een tussenpersoontje. Ik handelde in drugs. Voor hash kreeg ik 50 euro per kilo. Voor hennep 200 tot 300 euro. Ik verkocht ook amfetamine. Ik kreeg 25 euro per kilo pasta.
Overweging aangaande de bewijsmiddelen
Voor het overige is het hof, bij nadere beschouwing van het arrest, van oordeel dat het hof in de bewijsoverwegingen onder de kopjes ‘Algemeen’ en ‘Vaststelling van het wederrechtelijk 'verkregen voordeel’ steeds met voldoende mate van nauwkeurigheid die feiten of omstandigheden aanduidt die door het hof redengevend worden geacht voor de vaststelling van het wederechtelijk verkregen voordeel en voorts steeds het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, met voldoende duidelijke verwijzingen naar de betreffende vindplaatsen in het procesdossier. Een verdere aanvulling van het verkorte arrest in de vorm van het alsnog opnemen van de bewijsmiddelen waar in het arrest reeds naar verwezen is, acht het hof dan ook niet noodzakelijk.”
Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht
3.6
De raadsman van de betrokkene heeft op 13 juni 2024 ter terechtzitting in hoger beroep het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. In die pleitnota staat met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende opgenomen:

De schatting van het verkregen voordeel
137. Ook op de berekening van het voordeel dat de organisatie behaald zou hebben het nodige af te dingen. Er wordt gebruik gemaakt van vermoedens en veronderstellingen. Deze vermoedens zijn niet gebaseerd op de bewijsvermoedens van artikel 36e lid 3 Sr, zodat de specifieke vermoedens die hier gebruikt worden onderbouwd moeten worden.
138. De berekening is allereerst gebaseerd op de diverse verpakkingen die bij de observaties zijn waargenomen. Een eerste uitgangspunt dat de opsteller van de ontnemingsrapportage hanteert is, dat het tijdens de observaties waargenomen type verpakking zowel kwalitatief als kwantitatief de inhoud verraadt.
139. Een tweede veronderstelling is, dat de geobserveerde verpakkingen soortgelijk zijn aan de bij de latere arrestaties aangetroffen verpakkingen. Die veronderstelling lijkt op zichzelf niet volkomen onaannemelijk, maar zij is niet onderbouwd.
Hennep
140. Met betrekking tot de hennep wordt er aangenomen dat telkens een zelfde hoeveelheid van een zelfde product in een bepaalde verpakking zit. Zo wordt aangenomen dat 1 strijkzak steevast 2 sealbags bevat en dat iedere sealbag op zijn beurt 1 kilo hennep bevat. Dit wordt gebaseerd op de aangetroffen hennep op 15 april 2019, waarbij na weging is gebleken dat 1 sealbag 1 kilo hennep bevat. [1] Er is echter ten onrechte uitgegaan dat ook op alle andere momenten een soortgelijke sealbag dezelfde hoeveelheid hennep bevat.
141. Al met al worden voor wat betreft de hennep vijf veronderstellingen gestapeld. Een geobserveerde strijkzak is gelijk aan een op 15 april aangetroffen strijkzak; Een geobserveerde strijkzak bevat 2 sealbags; Een geobserveerde sealbag is gelijk aan een op 15 april aangetroffen sealbag; Een geobserveerde sealbag bevat hennep; Een geobserveerde sealbag bevat 1 kilo.
142. Bovendien is de verkoopprijs van hennepprijs onbekend gebleven. Hoewel het rapport uiteindelijk tot een vaststelling van de verkoopprijs is gekomen, wil nog niet per definitie zeggen dat de berekende prijs strookt met de werkelijke verkoopprijs.
143. De officier van justitie heeft met betrekking tot de opbrengsten uit hennep (en hasj) aangevoerd dat uit is gegaan van een onjuiste berekening. Daarbij wordt verwezen naar een drietal uitspraken. [2] Het is echter onduidelijk waarom hetgeen in die uitspraken is geoordeeld ook van toepassing dient te zijn in onderhavige ontnemingszaak van cliënt. Het is immers van belang en noodzakelijk te motiveren in hoeverre de bijzonderheden van die zaken overeenkomsten hebben vertoond met de bijzonderheden van onderhavige zaak. Deze stelling vindt haar bevestiging in de jurisprudentie van de Hoge Raad. [3] Van een dergelijke motivering is geen sprake. Hierdoor is de noodzaak voor een afwijking van de door de rechtbank gemaakte berekening voor de hasj en hennep niet gebleken.
Hasj
144. Niet alleen met hennep, maar ook met de berekening van de opbrengst omtrent de hasj wordt er gebruik gemaakt van vermoedens en veronderstellingen. De berekening hiervan is gebaseerd op levering van hasj op 26 maart die op 27 maart is aangetroffen. [4] Bij de afvangst van 144 kilo hasj zou geconstateerd zijn dat er sprake was van een 20-tal pakketten. Gelet hierop is vervolgens berekend dat elk pakket een gewicht zou moeten hebben van 7,2 kg hasj. Gemakshalve wordt bij andere vermoedelijke leveringen van hasj eerder genoemde gewicht als uitgangspunt genomen. Ook hier wordt ten onrechte van uitgegaan dat elk pakket, voor zover dit hasj is geweest, eenzelfde gewicht moet hebben. Bij de vermoedelijke leveringen van hasj, beschreven in het dossier (te weten 9, 12 en 26 maart 2019) zou immers niet sprake zijn van dezelfde leverancier/afnemer.
145. Op 9 maart 2019 zou vermoedelijk 100 kilo hasj zijn geleverd. Op 12/13 maart 2019 zou 180 kilogram hasj zijn geleverd. Onduidelijk blijft de wijze van vaststelling van het aantal geleverde pakketten. Bovendien wordt ook hier uitgegaan van het feit dat elk pakket een gewicht heeft van 7,2 kilogram.
146. Tot overmaat van ramp wordt bij de berekening van de opbrengst van hasj de inkoopprijs van een andere drug genomen. De inkoopprijs van hasj zou volgens het dossier en tevens het gebruikte prijzenoverzicht ‘Drugs & (Pre) Precursoren’ onbekend gebleven zijn. [5] Er wordt gemakshalve gebruik gemaakt van de inkoopprijs van hennep. Dit impliceert dat de vaststelling van de gehanteerde €2000,- dat gezien kan worden als de opbrengst per kilo hasj, niet gebaseerd is op de inkoopprijs van hasj, maar van hennep. De berekening van de opbrengst van hasj kan derhalve geen stand houden.
Harddrugs (amfetamine en cocaïne)
147. Met betrekking tot de harddrugs is gelet op de berekeningen van de opbrengst van harddrugs niet gebleken wat de werkelijke prijzen zijn geweest. Er zou volgens de medeverdachten geen uitleg zijn gegeven over de gehanteerde prijzen. Hierdoor is voor de berekening gebruik gemaakt van het prijzenoverzicht ‘
Drugs & (Pre) Precursoren’. Er wordt gesteld dat de hoogte van de bedragen in het voordeel van cliënt zijn gelegen door de Nederlandse drugsprijzen bij de berekening te hanteren. Er is immers niet gebleken wie de eindgebruikers zijn geweest. Desondanks blijft de berekening gebaseerd op vermoedens en veronderstellingen. De berekening van de opbrengst van de harddrugs kan derhalve evenmin stand houden.”
Het beoordelingskader
3.7
In zijn arrest van 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:740, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
“2.3.1 Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
2.3.2
Als wettig bewijsmiddel zal vaak een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport bij de stukken zijn gevoegd met een beredeneerde, al dan niet door de methode van een vermogensvergelijking of een (eenvoudige) kasopstelling verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Zo’n rapport is meestal zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt over de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.
In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.2.6.)
2.3.3
Als en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking – volgens vaststelling door de rechter – door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.3.5.)
2.3.4
Als door of namens de betrokkene zo’n gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, moeten aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks wat door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Als de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit artikel 359 lid 3 Sv voortvloeiende verplichting voldaan. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.3.6.)”
3.8
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat een ontnemingsrechter aan de ‘algemene’ motiveringsplicht heeft voldaan wanneer de uit die bewijsmiddelen redengevende feiten en omstandigheden in de uitspraak (samengevat) worden weergegeven onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan. In het geval de ontnemingsrechter kiest voor een samengevatte weergave moet de daarbij behorende verwijzing zo nauwkeurig zijn dat kan worden beoordeeld of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd. [6] De omvang van de motiveringsplicht is verder afhankelijk van hetgeen de verdediging over de schatting heeft aangevoerd. In de ontnemingsprocedure wordt dus een actieve houding van de verdediging verwacht. [7]
3.9
Aangezien de ontnemingsrechter oordeelt naar aanleiding van de strafzaak, is het toegestaan om aan de bewezenverklaring in de strafzaak gegevens te ontlenen die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In een dergelijk geval hoeven de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de bewezenverklaring niet ook nog in de ontnemingsuitspraak opgenomen te worden. [8] Het ligt wel in de rede om die bewijsmiddelen op te nemen als dat in het concrete geval noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid van de schatting of als daarmee de redenen kunnen worden opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het voordeel.
De bespreking van de middelen
3.1
De in cassatie opgeworpen klachten over de geschatte hoeveelheden hennep komen erop neer dat het hof niet voldoende duidelijk de inhoud heeft opgenomen van de bewijsmiddelen waarop het de schatting van die hoeveelheden heeft gebaseerd. Hiermee lijkt de steller van het middel ervan uit te gaan dat het hof enkel heeft verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan het de schatting van die hoeveelheden drugs heeft ontleend zonder dat het de inhoud daarvan nader heeft aangeduid of geconcretiseerd. Daarmee wordt uitgegaan van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft de inhoud van de verpakkingen waarin de hennep verhandeld werd (onder f, kopje ‘
Algemeen’) en de opbrengsten van de verkoop van de hennep (onder i tot en met xi, kopje ‘
Schatting van de opbrengsten’) ontleend aan wat het zelf noemt ‘proces-verbaal 1’ en ‘proces-verbaal 2’. [9] De redengevende feiten en omstandigheden die het hof uit die processen-verbaal en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen heeft afgeleid, heeft het in zijn uitspraak samengevat weergegeven onder nauwkeurige verwijzing van de vindplaats daarvan. Daarmee heeft het hof – gelet op hetgeen ik onder 3.10 en 3.11 heb vooropgesteld en in aanmerking genomen wat er in hoger beroep is aangevoerd – voldaan aan zijn motiveringsplicht. Dat het hof in hetgeen ten aanzien van de hoeveelheid hennep naar voren is gebracht (onder 140 en 141 van de pleitnota) geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft gezien, acht ik bovendien niet onbegrijpelijk aangezien enige onderbouwing van de daar ingenomen stelling dat er ‘ten onrechte [van wordt] uitgegaan dat ook op alle andere momenten een soortgelijke sealbag dezelfde hoeveelheid hennep bevat’ ontbreekt.
3.11
De schatting van de opbrengsten van de export van amfetamine (onder xii) en hasj (onder xiii) heeft het hof kennelijk ontleend aan de bewezenverklaring van feit 1 en 2 en de daarbij behorende bewijsmiddelen uit de strafzaak tegen de betrokkene. Ten laste van de betrokkene is onder 1 en 2 immers bewezen verklaard dat hij 44,58 kilogram amfetamine en 144,78 kilogram hasj buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Andere hoeveelheden amfetamine en hasj heeft het hof niet in de berekening betrokken. In aanmerking genomen wat ik onder 3.11 heb overwogen en gelet op hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft het hof de schatting ook op dit punt toereikend gemotiveerd. In dit verband merk ik nog op dat de klacht in cassatie dat het hof de inhoud van de relevante bewijsmiddelen uit de strafzaak in zijn uitspraak had moeten opnemen omdat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou zijn ingenomen met betrekking tot de bewezen verklaarde 144,78 hasj feitelijke grondslag mist. Ik lees in hetgeen in de pleitnota onder 144 en 145 over de hasj is aangevoerd namelijk niet een zodanig standpunt terug.
3.12
Beide middelen falen.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. [10]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Voetnoot 42: “Zaaksdossier C6 bijlage 2, p. 35.”
2.Voetnoot 43: “Zie requisitoir (HB), p. 13.”
3.Voetnoot 44: “20 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7262, r.o. 3.4.”
4.Voetnoot 45: “Zaaksdossier C6 bijlage 2, p. 38.”
5.Voetnoot 46: “Zaaksdossier C6, bijlage 1, p. 25.”
6.HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:652, rov. 3.2.
7.W. de Zanger,
8.HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288,
9.Proces-verbaal Zaaksdossier Zaak C5 hennephandel [a-straat 1] [plaats] (proces-verbaal 2) is daarbij zo opgebouwd dat daarin wordt samengevat wat in de processen-verbaal uitkijken camerabeelden is gerelateerd. Proces-verbaal Bevindingen betreffende de handel in verdovende middelen in de loods [a-straat 1] te [plaats] (proces-verbaal 1) bevat een omschrijving van de hoeveelheid hennep die per dag dat camera’s waren opgesteld in de loods (van 21 februari 2019 tot en met maandag 15 april 2019) is verhandeld, zoals volgt uit overige processen-verbaal die in het dossier zijn gevoegd.
10.Ik merk op dat de betrokkene in zijn strafzaak (samenhangende zaak 24/02933) preventief is gedetineerd. Als de Hoge Raad van oordeel is dat in een dergelijk geval ook in cassatie moet worden uitgegaan van een redelijke termijn van zestien maanden (vgl. ten aanzien van feitelijke aanleg HR 26 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1304) dan geldt dat de redelijke uitspraaktermijn op 28 december 2025 verloopt.