Conclusie
Nationale Nederlandenof
Verzekeraar(eiseres tot cassatie) en
[Verzekeringnemer](verweerder in cassatie).
1.Inleiding
2.Feiten
de verzekering). De aanvraag is ingediend op 8 januari 2014. In het door Verzekeringnemer ingevulde en op 11 december 2013 ondertekende aanvraagformulier is aan het slot, voor zover hier van belang, vermeld:
SLOTVERKLARING
“aandoening, ziekte of klachten van[…]
kromme rug, rugklachten, rugpijn[…]
”, heeft Verzekeringnemer ontkennend beantwoord.
de keuringsarts).
Wilt u speciaal letten op functie en vorm van de rug”). De keuringsarts heeft deze vraag ontkennend beantwoord.
rug- en nekklachten, belemmerend voor alle taken” (met als genoemde oorzaak
“ruggewervel”en “
afwijking in rugwervel”) en een beroep gedaan op uitkering op grond van de verzekering.
[medisch adviseur]) gevoegd met een vragenlijst naar rugklachten in de periode vóór 1 mei 2014.
[orthopedisch chirurg]). Deze brief is gericht aan de medisch adviseur van Verzekeraar. [orthopedisch chirurg] doet in deze brief verslag van een (eenmalig) consult dat Verzekeringnemer bij hem heeft gehad op 15 juni 2012, en van één of meer eerdere consulten in het verleden vanwege een congenitale scoliose door hemivertebra bij zijn [collega] . [orthopedisch chirurg] concludeert in deze brief dat sprake is van chronische rugklachten op basis van congenitale kyphoscoliose.
Medisch onderzoek
Wij stellen echter vast dat er sprake was van ernstige rugklachten en forse afwijkingen. Tevens heeft u in 2012 bij de eerdere aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering wel melding gemaakt van eerdere rugklachten. Dit alles speelde recent voor de aanvraag in 2014. De uitleg die u geeft overtuigt ons niet. Daarom vinden wij dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat u bij de aanvraag in 2014 bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Dit met als doel een verzekering af te sluiten waarvan u wist dat deze bij de ware kennis van zaken niet of niet op dezelfde wijze tot stand zou zijn gekomen. […]”
de rechtbank). Hij heeft, samengevat, gevorderd:
primair: Verzekeraar te veroordelen om tot uitkering over te gaan onder de verzekering, op basis van een verzekerd bedrag van € 102.588,-- per jaar, vermeerderd met wettelijke rente;
subsidiair: Verzekeraar te veroordelen om over te gaan tot uitkering op basis van de door Verzekeraar verzonden polissen van 14 april 2021 en op basis van een verzekerd bedrag van € 102.588,--, vermeerderd met wettelijke rente;
meer subsidiair:
het hof). Hij heeft gevorderd dat het hof het eindvonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de door hem in hoger beroep gewijzigde vorderingen toewijst.
mva) geconcludeerd dat het hof het eindvonnis bekrachtigt, met veroordeling van Verzekeringnemer in de proceskosten in beide instanties.
het bestreden arrest) het eindvonnis in eerste aanleg vernietigd.
- conclusie: Nationale Nederlanden heeft niet tijdig voldaan aan haar kennisgevingsplicht
4.Mededelingsplicht verzekeringnemer en kennisgevingsplicht verzekeraar
De mededelingsplicht van de verzekeringnemer en de mogelijke gevolgen van schending daarvan
het kennisvereiste) en waarvan hij weet of behoort te begrijpen (
het kenbaarheidsvereiste) dat de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (
het relevantievereiste). De mededelingsplicht heeft geen betrekking op feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen (
het verschoonbaarheidsvereiste). De verzekeringnemer kan zich er echter niet op beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien hij op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord heeft gegeven (art. 7:928 lid 4 BW Pro).
De kennisgevingsplicht van de verzekeraar
van de gedachte dat, indien de verzekeraar ontdekt dat de mededelingsplicht niet is nagekomen, hij de verzekeringnemer niet in onzekerheid mag laten, of hij zich een beroep op zijn rechten wil voorbehouden”. [14] Waar in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog was bepaald dat de verzekeraar in zijn kennisgeving moest vermelden “
dat hij zich zijn rechten dienaangaande voorbehoudt” is dit bij Nota van wijziging aangepast tot de “
vermelding van de mogelijke gevolgen”. Met deze wijziging is beoogd te voorkomen dat de verzekeringnemer de gevolgen van de schending van de mededelingsplicht “
te optimistisch inschat en hem vervolgens bij verwezenlijking van het risico een uitkering onthouden wordt. Zou de verzekeringnemer van dit mogelijke gevolg eerder op de hoogte zijn geweest dan had hij wellicht getracht een andere verzekering te sluiten.” [15] Volgens het oorspronkelijke wetsvoorstel gold de kennisgevingsplicht niet als het risico zich nog niet heeft verwezenlijkt vóór of binnen twee maanden na ontdekking. Deze beperking is bij Nota van wijziging geschrapt omdat “
het voor de verzekeringnemer toch van belang kan zijn dat hij spoedig weet welke gevolgen de verzekeraar aan de niet-nakoming van de mededelingsplicht wil verbinden. Dit kan bijvoorbeeld voor de verzekeringnemer van belang zijn voor de vraag of hij moet trachten om zijn schade elders te verhalen”. [16] Na deze wijzigingen is de strekking van art. 7:929 lid 1 BW Pro in de parlementaire behandeling nog aldus toegelicht dat “
lid 1 van dit artikel beoogt te voorkomen dat een verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, de zaak op zijn beloop laat en daarop pas een beroep doet nadat een schade is gevallen (…). Indien de verzekeraar binnen de termijn van twee maanden wijst op de mogelijke, in[art. 7:930 BW Pro]
uiteengezette gevolgen van de niet-nakoming van de mededelingsplicht, heeft de verzekeringnemer de keuze of hij de overeenkomst niettemin wil voortzetten en het voorbehoud voor kennisgeving aanneemt, of in overleg met de verzekeraar treedt om tot een wijziging van de overeenkomst te komen, dan wel op de voet van lid 3 de verzekering opzegt.” [17]
Aegon-arrest het doel en de strekking van de in art. 7:929 lid 1 BW Pro neergelegde kennisgevingsplicht als volgt omschreven:
gaat verbinden(de bepaling zegt slechts “
onder vermelding van demogelijkegevolgen”). Volgens de tekst kan de verzekeringnemer dus ten aanzien van de daadwerkelijk door de verzekeraar aan de schending te verbinden gevolgen nog in onzekerheid blijven verkeren. Op de in art. 7:929 lid 2 BW Pro vervatte termijn die geldt voor opzegging kom ik terug onder (
v).
Aegon-arrest heeft Uw Raad onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis vastgesteld dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van de vraag of de verzekeraar aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan, op de verzekeraar rusten. Dit vloeit voort uit de hoofdregel van de bewijslastverdeling van art. 150 Rv Pro. Naleving van de kennisgevingsplicht is immers nodig voor een geslaagd beroep van de verzekeraar op de rechtsgevolgen van niet-nakoming van de mededelingsplicht. [22]
heeft ontdekt.
de verzekeraar die ontdekt”dat niet aan de mededelingsplicht is voldaan en over “
twee maanden na de ontdekking”, hetgeen duidt op een feitelijke benadering (ook wel een ‘subjectieve, in plaats van een objectieve benadering’ genoemd) [23] van het ontdekkingsbegrip: de tweemaandentermijn gaat lopen op het moment dat de verzekeraar feitelijk heeft vastgesteld dat de mededelingsplicht niet is nagekomen. [24] Ook Uw Raad gaat in het
Sasagar/NN-arrest, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van art. 7:929 lid 1 BW Pro, uit van een feitelijke benadering:
de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregendat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen.” [27]
Sasagar/NN-arrest al op dat de voor een ontdekking vereiste mate van zekerheid kan meebrengen dat de verzekeraar de ruimte heeft om een aanwijzing of vermoeden van een schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken. [28] Dat is ook in het belang van de verzekeringnemer, omdat nader onderzoek kan voorkomen dat hem te voorbarig een verwijt van schending van de mededelingsplicht wordt gemaakt. [29] Het onderzoek kan onder andere inhouden dat de verzekeringnemer wordt verzocht om nadere gegevens te verstrekken die een gerezen vermoeden zouden kunnen ontzenuwen, of dat informatie bij derden wordt ingewonnen om het vermoeden te bevestigen. Daarmee kan enige tijd gemoeid zijn. [30] Ik wijs op de parallel met de termijnstelling in het kader van de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro: ook daarvoor geldt in feite een onderzoeks‘termijn’, nodig om het gebrek in de prestatie aan het licht te krijgen, en (vervolgens) een klachttermijn. De tekst van art. 7:929 lid 1 BW Pro verschilt evenwel relevant van die van art. 6:89 BW Pro in die zin dat de eerstgenoemde bepaling spreekt van ‘ontdekt’ en ‘de ontdekking’, terwijl de tweede spreekt van ‘heeft ontdekt
of redelijkerwijze had behoren te ontdekken’, waarover dadelijk (onder
iv) meer.
naontdekking gaat lopen. [31] Zo beschouwd is deze termijn, aldus Hartlief, best lang en kan de verzekeraar mede daarom bij een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet stil blijven zitten. [32] De verzekeraar zal uiteraard wel zo snel als redelijkerwijs mogelijk onderzoek moeten doen naar de mogelijke schending van de mededelingsplicht [33] en bij dat onderzoek de nodige voortvarendheid moeten betrachten.
De medische informatie zal als regel in een gesloten enveloppe onder medisch geheim eerst terechtkomen bij de medisch adviseur van de verzekeraar. De medisch adviseur zal de verstrekte medische informatie primair betrekken op de schadekwestie (arbeidsongeschiktheid) en vervolgens de relevante gegevens doorgeven aan de dossierbehandelaar.
Anders dan de medisch adviseur zal de dossierbehandelaar de medische gegevens tevens kunnen beoordelen in een ander kader, namelijk dat van de vraag of er bij het aangaan van de verzekering verzwijging heeft plaatsgevonden. Als regel zal pas de dossierbehandelaar ontdekken dat er een discrepantie bestaat tussen de bij het aangaan van de verzekering gemelde medische gegevens en de in het kader van de schademelding verzamelde medische gegevens. De dossierbehandelaar zal de consequenties daarvan toepassen in overeenstemming met de polis en, meer algemeen, het verzekeringsrecht.
Dit is pas het geval geweest op 17 juni 2009 toen de medisch adviseur de medische gegevens verstrekte aan de dossierbehandelaar, die de ontdekking deed. Het hof wijst erop dat er redenen kunnen bestaan om de datum van de ontdekking te objectiveren naar een eerder moment door aan te nemen dat de verzekeraar een en ander redelijkerwijs eerder had kunnen en behoren te ontdekken, maar daarvoor zijn in deze zaak geen feiten en omstandigheden aangevoerd. Van een onaanvaardbaar trage behandeling door de verzekeraar is niet gebleken.” [36]
medisch adviseurvan de verzekeraar de opgevraagde medische stukken ontvangt en daarvan kennisneemt. [37] De gedachte is dat het moment van ontvangst of kennisname van de medische informatie door de
medisch adviseurvan de verzekeraar op zichzelf niets zegt over het antwoord op de vraag of de
verzekeraarop dat moment daadwerkelijk de schending van de mededelingsplicht heeft ontdekt, omdat voor die ontdekking een toetsing nodig is. Voor ontdekking van een schending van de mededelingsplicht is immers nodig dat de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat (cumulatief) aan alle vier de wettelijke vereisten van kennis, kenbaarheid, verschoonbaarheid en relevantie in art. 7:928 lid 1 BW Pro is voldaan (zie randnummer 4.4 hiervoor). De verzekeraar moet zich daarvoor een compleet standpunt hebben gevormd naar aanleiding van het medisch advies van de verzekeraar, aldus Wervelman in zijn annotatie onder het bestreden arrest in de onderhavige zaak. [38] Volgens Wervelman is het in dit verband van belang om de wettelijk verplichte scheiding tussen de medische dienst en de verzekeraar vanwege het medische beroepsgeheim in ogenschouw te nemen:
uitbrengen van het medisch adviesaan de dossierbehandelaar. [41] Riyazi en Van de Klashorst vinden dat opvallend, omdat zij menen dat het van de omstandigheden van het specifieke geval afhangt of de tweemaandentermijn reeds gaat lopen vanaf binnenkomst van het medisch advies of op een later moment. Relevante omstandigheden in dit verband kunnen volgens hen zijn of uit het medisch advies reeds blijkt dat sprake was van een schending van de mededelingsplicht en in hoeverre nog nader onderzoek van de dossierbehandelaar nodig is. [42]
Sasagar/NNeen objectief element heeft ingebouwd met de volgende overweging: [46]
mag worden verwachtdat hij
onderzoek doetnadat hij
aanwijzingenheeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen.”
Sasagar/NNniet is geconcretiseerd: wordt daarmee het aanvangsmoment van de tweemaandentermijn naar voren gehaald (hetgeen op enige objectivering van de ontdekking wijst)? Of blijft de subjectieve ontdekking gelden, maar kan de verzekeraar zich er dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer op beroepen dat hij de kennisgevingsplicht heeft nageleefd, met als effect dat hij de gevolgen van de schending van de mededelingsplicht niet meer kan inroepen? [47] Deze kwestie laat ik verder rusten, omdat de klachten geen aanleiding geven om dit verder uit te werken.
daarnamet dadelijke ingang opzeggen”. [55]
daarna” vervangen door “
na ontdekking”. Daarmee is beoogd “
duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de verzekeraar binnen twee maanden na ontdekking de overeenkomst kan opzeggen, en derhalve niet bedoeld is binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het eerste lid”. [56] Daaruit blijkt dat niet is beoogd dat de tweemaandentermijn van het tweede lid pas een aanvang kan nemen nadat de tweemaandentermijn van het eerste lid is verstreken, maar daarmee is nog niet gezegd dat de tweemaandentermijn van het tweede lid niet later een aanvang kan nemen dan het moment waarop de tweemaandentermijn van het eerste lid is aangevangen.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 t/m 5bestrijden met verschillende rechts- en motiveringsklachten, kort gezegd, het oordeel van het hof in r.o. 6.25 dat de ontvangst van de brief van [orthopedisch chirurg] door de medisch adviseur van Verzekeraar op 19 februari 2021 moet worden aangemerkt als het moment waarop Verzekeraar heeft ontdekt dat Verzekeringnemer zijn mededelingsplicht heeft geschonden.
Onderdeel 6stelt dat het hof miskent dat, ook als Verzekeraar op 19 februari 2021 zou hebben ontdekt dat Verzekeringnemer zijn mededelingsplicht heeft geschonden, zij met haar e-mailbericht van 25 maart 2021 tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan.
Onderdeel 7voert aan dat het hof ten onrechte geen onderscheid maakt tussen het moment van ontdekking van de schending van de mededelingsplicht (art. 7:929 lid 1 BW Pro) en het moment dat Verzekeraar ontdekt dat Verzekeringnemer óók handelde met het opzet haar te misleiden (art. 7:929 lid 2 BW Pro).
Onderdeel 8bevat een voortbouwklacht en een klacht over r.o. 6.39 waarin het hof overweegt dat grief XIV slaagt.
niet eerder dan” en “
pas” op 1 maart 2021 kan worden gesproken van een daadwerkelijke ontdekking, nu Verzekeraar pas op dat moment een voldoende mate van zekerheid bereikte na vergelijking van de opgave van Verzekeringnemer met de ware stand van zaken door de medisch adviseur. [63] In hoger beroep heeft Verzekeraar verduidelijkt dat de brief van [orthopedisch chirurg] op 1 maart 2021 door de medisch adviseur is gezien en beoordeeld en dat de technische acceptatieafdeling op 9 maart 2021 is geïnformeerd over het medisch advies, zodat strikt genomen pas op 9 maart 2021 kan worden gesproken van een ontdekking. [64] Het hof geeft in r.o. 6.23 en 6.25, eerste en tweede zin de stellingen van Verzekeraar weer over de aanvang van de tweemaandentermijn, maar gaat daar (en in de overige overwegingen in r.o. 6.23-6.27) geheel voorbij aan de door Verzekeraar in hoger beroep ingenomen stelling dat de verzwijging pas op 9 maart 2021 is ontdekt. De klacht treft daarmee doel.
zonder nadere toelichting” stelt “
dat de medisch adviseur vervolgens op de hoogte is geraakt van de inhoud[van de brief van [orthopedisch chirurg] van 17 februari 2021]
op 1 maart 2021, waardoor zij deze datum aanmerkt als het moment van ontdekking.” Verzekeraar stelt dat zij in feitelijke instanties wél heeft toegelicht dat en waarom de medisch adviseur op 1 maart 2021 op de hoogte is geraakt van de inhoud van de brief van [orthopedisch chirurg] van 17 februari 2021. Zij heeft gesteld dat de brief op (vrijdag) 19 februari 2021 is ontvangen, [65] de brief op (maandag) 22 februari 2021 in de ‘werkbak’ van de medisch adviseur is geplaatst, [66] de brief door de medisch adviseur op (maandag) 1 maart 2021 is gezien [67] en de medisch adviseur op 1 maart 2021 een second opinion vroeg, die diezelfde dag nog binnenkwam. [68] Subonderdeel 2.2betoogt dat het hof vanwege de positieve zijde van de devolutieve werking ook in hoger beroep op de in subonderdeel 2.1 vermelde stellingen acht moest slaan. Voor zover het hof dat heeft miskend, is zijn oordeel onjuist.
Sasagar/NN-arrest is het moment van ontdekking het moment waarop de verzekeraar
voldoende zekerheidheeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Die zekerheid heeft een verzekeraar nog niet op het moment dat een poststuk enkel zijn organisatie bereikt; ook een verzekeraar heeft een redelijke termijn nodig om binnengekomen stukken administratief te verwerken en inhoudelijk te beoordelen. [70] Kennis nemen van de inhoud van documenten en het onderling vergelijken daarvan, is nu eenmaal mensenwerk (ook al is de verzekeraar een rechtspersoon). [71] Het hof miskent in r.o. 6.25, zesde t/m achtste zin dat dit ook geldt voor informatie die een verzekeraar zelf heeft opgevraagd in het kader van een onderzoek naar verzwijging.
onderzoekdoet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Ten onrechte neemt het hof evenwel in r.o. 6.25, zesde t/m achtste zin aan dat van Verzekeraar (in dit geval) mocht worden verwacht dat zij medische informatie die (door haar medisch adviseur) was opgevraagd in het kader van een lopend onderzoek naar verzwijging,
meteen op de dag van ontvangstverwerkte én haar ontdekking deed. Het hof eist daarmee geen ‘voorspoedige afhandeling’ zoals het zelf in r.o. 6.25, zesde zin overweegt, maar een afhandeling
stante pede. Een verzekeraar moet echter (in beginsel)
een redelijke termijnhebben om (opgevraagde en) binnengekomen informatie te laten bestuderen en beoordelen. Dit is ook in het belang van de verzekeringnemer: nader onderzoek kan immers voorkomen dat hij voorbarig wordt geconfronteerd met een verwijt van verzwijging. [72] De termijn die Verzekeraar in acht heeft genomen voor haar onderzoek of uit de ontvangen brief van [orthopedisch chirurg] van verzwijging blijkt (de periode tussen 19 februari 2021 en 9 maart 2021, althans 1 maart 2021), is (in dit geval) zonder meer een redelijke termijn.
nietmet
(bijzondere) omstandighedenmotiveert waarom
in dit gevalde datum van ontvangst zou moeten gelden als de datum van ontdekking. Het subonderdeel stelt
onder i.dat het hof in r.o. 6.25, zesde en zevende zin slechts (in algemene zin) opmerkt dat van Verzekeraar mocht worden verwacht ervoor zorg te dragen dat de door haar voor het onderzoek opgevraagde informatie na binnenkomst ‘
voorspoedig’ zou worden verwerkt. Het hof geeft hiermee niet aan, en ook valt zonder meer niet in te zien, waarom dit betekent dat Verzekeraar de ontvangen informatie
binnen 1 dagmoest verwerken. Het subonderdeel stelt
onder ii.dat het hof niet motiveert dát en waarom Verzekeraar (als redelijk handelend verzekeraar) de ontdekking ruim vóór 9 maart respectievelijk 1 maart 2021 had moeten doen en het redelijk zou zijn (als sanctie op, of als correctie van die ‘nalatigheid’) uit te gaan van 19 februari 2021 als datum van ontdekking. Het subonderdeel merkt daarbij op dat het een feit van algemene bekendheid is dat 19 februari 2021 een vrijdag was, hetgeen betekent dat 20/21 februari 2021 en 27/28 februari 2021 weekenden waren. De brief is op maandag 1 maart 2021 en daarmee
zes werkdagen na ontvangstdoor de medisch adviseur verwerkt. Het hof licht niet toe waarom dat (in dit geval) niet ‘voorspoedig’ is.
bekorthet hof voor Verzekeraar (met terugwerkende kracht) de wettelijke termijn van twee maanden na de eigenlijke (subjectieve) ontdekking met meerdere weken (namelijk de periode tussen 9 maart 2021 en 19 februari 2021, althans de periode tussen 1 maart 2021 en 19 februari 2021).
zonder meereen termijn van twee maanden toe om tot kennisgeving over te gaan vanaf het moment van ontdekking (en niet het moment van ontvangst). De enige mogelijkheid om die termijn in te kunnen korten, zou (mogelijk) de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid zijn (art. 6:248 lid 2 BW Pro). Dit is echter pas aan de orde indien het moment van daadwerkelijke ontdekking dermate laat heeft plaatsgevonden dat het onaanvaardbaar is, het moment van subjectieve ontdekking als uitgangspunt te nemen of de verzekeraar anderszins de wettelijke termijn van twee maanden voor kennisgeving te gunnen. Het hof overweegt overigens niets waaruit zou kunnen blijken dat het onaanvaardbaar zou zijn om Verzekeraar de wettelijke termijn van twee maanden vanaf de (werkelijke) ontdekking te gunnen.
medisch adviseurvan Verzekeraar de brief van [orthopedisch chirurg] ontving, aanmerkt als het moment waarop
Verzekeraarde verzwijging ontdekte. [73] Dat oordeel is onjuist, nu het hof miskent dat de medisch adviseur en de verzekeraar zelf van elkaar zijn te (onder)scheiden. Het is de verzekeraar die verzwijging ontdekt en niet de medisch adviseur. De verzekeraar zélf kan enerzijds geen kennis nemen van medische informatie. [74] Anderzijds is de medisch adviseur niet kundig én niet bevoegd [75] om te constateren dat sprake is van verzwijging, omdat aan alle eisen van art. 7:928 BW Pro moet zijn voldaan om daarop een beroep te kunnen doen. [76] De medisch adviseur kan evenmin vaststellen of sprake is van opzet tot misleiding.
medisch adviseurmet een medische machtiging informatie opgevraagd bij de huisarts; [77]
Verzekeraarheeft besloten nader onderzoek te doen en heeft Verzekeringnemer daarvan bericht mét daarbij gevoegd een brief van de medisch adviseur; [79]
medisch adviseurheeft medische informatie opgevraagd bij onder andere [orthopedisch chirurg] ; [80]
medisch adviseur; [82]
medisch adviseurvroeg op 1 maart 2021 een second opinion, die diezelfde dag nog binnenkwam; [86]
dossierbehandelaar van Verzekeraar(de technische acceptatieafdeling [88] ) is op 9 maart 2021 op de hoogte gebracht; [89]
Verzekeraarnog onderzoek plaatsgevonden (door de afdeling Speciale Zaken [90] ) naar de aanwezigheid van opzet tot misleiding aan de zijde van Verzekeringnemer, hetgeen heeft geresulteerd in de afwijzing van 29 april 2021; [91]
zelf alleen de strekking van dat advies te horen.
exclusiefbevoegd is om kennis te nemen van medische informatie, én die op basis daarvan een medisch advies opstelt. Vervolgens wordt de strekking van dat medisch advies meegedeeld aan de (technische acceptatieafdeling van) Verzekeraar, die dan zélf beoordeelt en ‘ontdekt’ of sprake is geweest van verzwijging. Tot slot heeft de afdeling Speciale Zaken van Verzekeraar onderzocht of mogelijk ook sprake was van opzet tot misleiding. Deze stellingen laten geen andere conclusie toe dan dat (de dossierbehandelaar/technische acceptatieafdeling/afdeling Speciale Zaken van) Verzekeraar op 19 februari 2024 [93] nog geen kennis kón en mócht nemen van de brief van [orthopedisch chirurg] ; dat kon en mocht slechts de medisch adviseur. De medisch adviseur is echter niet de persoon die bevoegd en in staat is namens Verzekeraar verzwijging en opzet tot misleiding ‘te ontdekken’.
mochtvanwege deze wettelijke geheimhoudingsplicht van die brief geen kennisnemen. Alleen al om die reden kón Verzekeraar eenvoudigweg niet ontdekken dat de mededelingsplicht was geschonden op het moment van ontvangst van de brief door de medisch adviseur (en evenmin op het moment van kennisname van die brief door de medisch adviseur). [100]
indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van demogelijkegevolgen.” Dit is bevestigd in r.o. 3.1.2 van het
Aegon-arrest.
mogelijkegevolgen (en zij daarom geen gevolgen kan verbinden aan de geconstateerde verzwijging). Dat oordeel is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, omdat vast staat dat Verzekeraar op 25 maart 2021 [102] (binnen 2 maanden na 19 februari 2021) Verzekeringnemer heeft gewezen op de discrepantie tussen zijn opgave bij de verzekeringsaanvraag en de ontvangen medische informatie, én de mogelijke gevolgen hiervan.
niet tijdigis voldaan aan de waarschuwingsplicht. Volgens die grief had Verzekeraar uiterlijk op 22 december 2020, althans uiterlijk op 16 februari 2021 de gevolgen van de geconstateerde verzwijging moeten inroepen. [103]
na 1 maart 2021aanvullend had ‘ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet haar te misleiden’, binnen twee maanden na die (aanvullende) ontdekking de verzekering bij brief van 29 april 2021 met dadelijke ingang heeft opgezegd (art. 7:929 lid 2 BW Pro). Deze klacht is (nader) toegelicht en uitgewerkt in de subsubonderdelen 7.1.1-7.1.3.
ingevuldals het begrip ‘ontdekking’ in art. 7:929 lid 1 BW Pro: een vermoeden is niet voldoende, nodig is een voldoende mate van zekerheid van het feit dat de verzekeringnemer opzet tot misleiding had. Hieruit volgt dat die twee ontdekkingsmomenten niet noodzakelijkerwijs samenvallen. Het is ook logisch dat een verzekeraar éérst ontdekt dat sprake is geweest van verzwijging en vervolgens (door nader onderzoek) pas ontdekt dat de verzekeringnemer óók nog eens heeft gehandeld met het opzet hem te misleiden. In dit geval heeft Verzekeraar (haar afdeling Speciale Zaken) aan Verzekeringnemer nadat de verzwijging was ontdekt, op 25 maart 2021 nadere vragen gesteld om (via hoor en wederhoor) vast te stellen of ook sprake was van opzet tot misleiding. [110] Verzekeringnemer beantwoordde die vragen pas op 20 april 2021. [111] Verzekeraar kón dus redelijkerwijs niet vóór die laatste datum (vaststellen dat Verzekeringnemer had gehandeld met het opzet Verzekeraar te misleiden en) de verzekering wegens opzet tot misleiding onmiddellijk opzeggen.
vervolgensnog onderzoek deed naar “
de aanwezigheid van opzet tot misleiding aan de zijde van [Verzekeringnemer] , hetgeen heeft geresulteerd in de afwijzing van 29 april 2021”. [112] Het hof heeft bovendien zélf in r.o. 3.15 vastgesteld dat Verzekeraar (de afdeling Speciale Zaken) Verzekeringnemer in haar bericht van 25 maart 2021 nog aanvullende vragen heeft gesteld om haar onderzoek te kunnen afronden en in r.o. 3.17 dat hij op die vragen bij e-mail van 20 april 2021 inhoudelijk heeft gereageerd. [113]
mogelijkegevolgen, maar direct – dat wil zeggen binnen twee maanden na ontdekking van de schending van de mededelingsplicht – uitdrukkelijk moet hebben opgezegd. Voor deze lezing pleit dat de verzekeringnemer dan sneller duidelijkheid heeft over het daadwerkelijk door de verzekeraar in te roepen gevolg. [114]
hard and fast ruledan de eerste lezing, omdat het opzeggen dan niet aan een vaste termijn na de ontdekking van schending van de mededelingsplicht is gebonden. Ik merk daarbij wel op dat ook de termijn voor de kennisgeving van de mogelijke gevolgen van de schending van de mededelingsplicht (de termijn van 7:929 lid 1 BW) niet steeds even ‘
hard and fast’ is. Deze zaak vormt daarvan een illustratie.
omdat deze vordering uitgaat van een beoordeling op basis van de polissen van 14 april 2021". Voor zover het hof heeft bedoeld dat grief XIV slaagt, gaat het hof ten onrechte ongemotiveerd voorbij aan het verweer van Verzekeraar tegen deze grief dat de nieuwe polissen Verzekeringnemer uitsluitend zijn toegestuurd bij een geautomatiseerde prolongatie. Dat was kenbaar voor Verzekeringnemer. Uit individuele berichten [118] wisthij eveneens dat er een onderzoek naar verzwijging en naar opzet liep. Hij mocht er volgens Verzekeraar daarom niet op vertrouwen dat zij hem een nieuwe polis onder een beperkende voorwaarde aanbood. [119] De rechtbank honoreerde dit verweer in r.o. 4.21 van het eindvonnis in eerste aanleg. Het hof licht niet toe waarom het anders zou oordelen.