ECLI:NL:PHR:2025:1310

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23/03574
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mensenhandel van minderjarigen in vereniging en het recht op een eerlijk proces

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 september 2023 een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant gedeeltelijk bevestigd, waarbij de verdachte is veroordeeld voor mensenhandel van minderjarigen, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte, geboren in 1986, is veroordeeld tot negentien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De verdediging heeft cassatie ingesteld, waarbij één middel van cassatie is voorgesteld. Dit middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat de schending van het ondervragingsrecht onvoldoende is gecompenseerd, wat zou moeten leiden tot vrijspraak. De verdediging stelt dat de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van de aangeefster, die niet als getuige is gehoord. Het hof heeft geoordeeld dat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van het recht op een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van de getuige, maar dat de procedure in zijn geheel eerlijk is verlopen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 april 2021 en 12 oktober 2021 de eisen voor een eerlijk proces uiteengezet, waarbij het gewicht van de getuigenverklaring en de compensatie voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid van belang zijn. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03574
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 september 2023 (parketnr. 20000553-19) het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2019 [1] gedeeltelijk bevestigd met aanvulling en verbetering van de gronden en de verdachte wegens "mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder sub 2, 3, 5 en 9 omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot negentien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de schorsing van het bevel tot voorlopig hechtenis opgeheven. [2]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de schending van het ondervragingsrecht onvoldoende is gecompenseerd en derhalve tot vrijspraak dient te leiden.
De bewezenverklaring, delen van de pleitnota, delen van het vonnis van de rechtbank en de overwegingen van het hof
2.2
Het hof heeft door het vonnis van de rechtbank te bevestigen ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat de verdachte:
“in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 te Hongarije en/of Duitsland en/of Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
A (sub 2)
[aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000) heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster] , terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttienjaren nog niet had bereikt en
B (sub 3)
[aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000) heeft aangeworven, medegenomen met het oogmerk die [aangeefster] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling
C (sub 5)
[aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en
E (sub 9)
[aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [aangeefster] met of voor een derde
immers heeft/hebben, verdachte en/of zijn mededader(s), in voornoemde periode
- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [aangeefster] en
- die [aangeefster] eerst aangeven dat zij 30% van haar verdiensten moest afstaan en dat dat later 50% bleek te zijn
- die [aangeefster] vervoerd dan wel laten vervoeren naar Nederland en
- die [aangeefster] onderdak verleend en
- die [aangeefster] aangeven dat zij het identiteitsbewijs van haar zus moest gebruiken en
- die [aangeefster] instructies gegeven wat ze bij controles moest zeggen en
- die [aangeefster] naar een prostitutieplek vervoerd en
- die [aangeefster] angst aangejaagd en
- die [aangeefster] bewogen (een deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte af te staan/af te dragen.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2023 heeft de raadsman van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“1.
Inleiding
1.1
Eerder heeft uw gerechtshof een tussenarrest gewezen en daarin opgenomen dat tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig was. De stukken zijn toen weer in handen van de raadsheer-commissaris gesteld om een viertal getuigen te horen. De ouders van [aangeefster] zijn vervolgens nog als getuige gehoord. [aangeefster] en [zus slachtoffer 1] bleken onvindbaar en zijn niet meer gehoord.
1.2
Zoals ik al tijdens de vorige zitting naar voren heb gebracht, kan cliënt kan zich niet vinden in zijn veroordeling voor het door de rechtbank bewezenverklaarde, nu hij ontkent zich hieraan schuldig te hebben gemaakt. De verdediging zal vandaag de eerder ingenomen standpunten herhalen en aanvallen. Ik zal u, edelgrootachtbaar college, vandaag primair verzoeken cliënt integraal vrij te spreken, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld aangeefster vragen te stellen. Ik zal dan ook betogen dat sprake is van een schending van artikel 6, lid 1 en 3, sub d EVRM. Subsidiair zal ik u vandaag eveneens verzoeken cliënt integraal vrij te spreken nu de verklaringen zoals afgelegd door aangeefster onbetrouwbaar dienen te worden geacht.
(…)

2.De bewijsvraag

2.1
Cliënt heeft van meet af aan stellig ontkent het hem tenlastegelegde en door de rechtbank bewezenverklaarde te hebben gepleegd. Cliënt heeft verklaard dat hij [aangeefster] nimmer heeft ontmoet en ontkent enige betrokkenheid bij het overbrengen van haar naar Nederland om haar hier te laten werken als prostituee.
Primair: Schending artikel 6, lid 1 en 3, sub d EVRM, vrijspraak
2.2
Het ondervragingsrecht, neergelegd in art. 6 lid 3 sub d EVRM, houdt in dat de verdediging het recht heeft om in enig stadium van het geding de getuige te ondervragen om op die manier de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring te toetsen en te betwisten. Dit maakt dat cliënt het recht heeft om [aangeefster] te ondervragen, maar de verdediging is niet in de gelegenheid geweest gebruik te maken van dit recht. Aangeefster is enkel gehoord door de politie en nooit door een rechter in aanwezigheid van de verdediging.
2.3
Door de verdediging is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzocht om haar als getuige te mogen horen. Deze verzoeken zijn ook toegewezen, maar telkens bleek zij - ondanks meerdere pogingen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep - onvindbaar voor justitie en heeft de verdediging haar nooit kunnen ondervragen.
Stappenplan Al Khawaya & Tahery v. VK & Schatschaschwili v. Duitsland
2.4
Onder omstandigheden kan een beperking van het ondervragingsrecht leiden tot een schending van artikel 6 van het EVRM. Het EHRM heeft in de zaken Al Khawaya & Tahery v. Verenigd Koninkrijk en Schatschaschwili v. Duitsland een stappenplan opgesteld om te beoordelen of hier sprake van is.
A good reason
2.5
Allereerst dient te worden beoordeeld of er een goede reden was voor de afwezigheid van de getuige. Dit is van belang voor de beoordeling of deze verklaring van de getuige welke niet is verschenen voor het bewijs kan worden gebruikt. Volgens het EHRM zijn onbereikbaarheid en haar onwilligheid geen goede reden voor afwezigheid van de getuige. In de onderhavige zaak zijn echter de nodige inspanningen (all reasonable efforts) verricht om [aangeefster] te bereiken en de verdediging de gelegenheid te bieden haar als getuige te ondervragen. Uw hof heeft in het tussenarrest ook reeds overwogen dat de verdediging desondanks geen gebruik heeft kunnen maken van het recht op een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [aangeefster] .
Sole or decisive
2.6
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verklaring van [aangeefster] het enige of doorslaggevende (sole or decisive) bewijs in de strafzaak van cliënt vormt. Hier zou sprake van zijn indien een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate gebaseerd zou zijn op de verklaringen van [aangeefster] .
2.7
De verdediging stelt zich op het standpunt dat een eventuele veroordeling van cliënt, op zijn minst genomen in beslissende mate op de verklaringen van de niet gehoorde getuige [aangeefster] zou zijn gebaseerd.
2.8
Zo is zij de enige die heeft verklaard over ontmoetingen in Hongarije waar cliënt en een aantal anderen bij aanwezig zouden zijn geweest. Alle anderen (waaronder haar eigen zus) ontkennen dat deze ontmoetingen hebben plaatsgevonden. Dit is van groot belang, omdat cliënt volgens [aangeefster] door deze ontmoetingen op de hoogte was van haar leeftijd en hier met cliënt afspraken zouden zijn gemaakt over de te volgen werkwijze eenmaal in Nederland aangekomen. De overige onderzoeksresultaten wijzen niet op betrokkenheid van cliënt bij de tenlastegelegde feitelijke gedragingen, enkel de verklaringen van [aangeefster] .
2.9
De rechtbank oordeelde eerder dat de verklaringen van [aangeefster]
sole or decisivewaren:
"Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte in beslissende mate is gebaseerd op de door de verdediging betwiste verklaring van [aangeefster] .".
2.1
De verdediging heeft uw hof eerder verzocht dit oordeel van de rechtbank over te nemen nu [aangeefster] de enige is die cliënt direct belast en haar verklaringen voor alle in de tenlastelegging opgesomde feitelijkheden het enige potentiële bewijsmiddel vormen. In het tussenarrest oordeelde uw hof dat een eventuele bewezenverklaring van het tenlastegelegde in beslissende mate zal worden gebaseerd op de verklaringen van [aangeefster] .
Compensatie
2.11
Dit zou geen schending van het ondervragingsrecht opleveren indien het gebrek aan een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van de getuige voldoende zou worden gecompenseerd.
2.12
Een compenserende factor zou kunnen zijn dat de verdediging in het vooronderzoek de getuige heeft kunnen ondervragen. Daar was in deze zaak echter geen sprake van nu cliënt pas is aangehouden nadat [aangeefster] Nederland reeds had verlaten. Daarna hebben de autoriteiten haar ook niet meer kunnen vinden waardoor later ook geen mogelijkheid was haar te ondervragen.
2.13
De rechtbank oordeelde dat het niet kunnen ondervragen van [aangeefster] door de verdediging voldoende is gecompenseerd waardoor de nodige procedurele waarborgen in acht zijn genomen. Hiervoor wordt door de rechtbank verwezen naar het verstrekken van audio-opnames aan de verdediging.
2.14
Het enkele uitluisteren van de verhoren van [aangeefster] kan in deze zaak maar in zeer beperkte mate compensatie bieden voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht. Dat [aangeefster] zeer wisselend heeft verklaard bij de politie (en aldus aantoonbaar heeft gelogen tijdens de politieverhoren) blijkt al duidelijk uit de schriftelijke vastleggingen van de verhoren en in dat opzicht voegt het uitluisteren niet veel toe. Als iemand op papier consistent lijkt te verklaren, kan het beluisteren van de verhoren ertoe leiden dat alsnog tegenstrijdigheden (op detailniveau) naar boven komen. Maar in dit geval bevatten de verklaringen op papier al ontzettend veel tegenstrijdigheden, zoals ik eerder al in het betrouwbaarheidsverweer heb uitgewerkt. Het uitluisteren van de opnamen van de verklaringen van [aangeefster] leidt dan ook niet tot een andere conclusie.
2.15
Dit biedt dan ook onvoldoende compensatie voor het niet kunnen horen van [aangeefster] . Het kunnen bekijken van videobeelden zou eventueel wel compensatie kunnen bieden. In dat geval zou het gedrag van [aangeefster] en haar houding kunnen worden waargenomen op het moment dat zij wisselende verklaringen aflegde. Evenals haar gezichtsuitdrukking in reactie op bepaalde vragen. Van de verhoren zijn echter geen videobeelden aan de verdediging beschikbaar gesteld, enkel audiofragmenten.
2.16
Volgens het EHRM biedt het enkele uitluisteren van een verhoor onvoldoende compensatie voor het niet kunnen horen van een getuige. In het tussenarrest oordeelde uw hof dat het feit dat de verdediging in het bezit is gesteld van de audio-opnames van de verhoren van [aangeefster] , inderdaad onvoldoende compensatie biedt voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht.
2.17
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat indien de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, dient te onderzoeken of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige — kort na de gebeurtenissen waar het om gaat — zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen.
2.18
Hieruit kan worden afgeleid dat het horen van getuigen compensatie kan opleveren indien daarmee de betrouwbaarheid van de door [aangeefster] afgelegde verklaringen in voldoende mate kan worden getoetst.
2.19
In hoger beroep zijn, na het door uw hof gewezen tussenarrest, nog de ouders van [aangeefster] als getuige gehoord. Zij hebben een verklaring afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris en daaruit blijkt dat zij niet dan wel weinig met hun dochter hebben gesproken over het tenlastegelegde. Zo heeft de vader van [aangeefster] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat dit een gevoelig onderwerp was gelet op de werkzaamheden die zij zou hebben verricht en het feit dat hij haar vader is. Hij heeft meerdere keren verklaard dat hij niet met zijn dochter heeft gesproken over hoe zij in Nederland terecht is gekomen en wat daar zou zijn gebeurd.
2.2
De moeder van [aangeefster] heeft verklaard dat zij enkel informatie heeft gekregen van de Nederlandse autoriteiten over de werkzaamheden die haar dochter zou hebben verricht en de rol van cliënt. Zij heeft niet van [aangeefster] zelf vernomen wat de betrokkenheid van cliënt zou zijn geweest. Zij weet enkel te vertellen dat [medeverdachte] haar naar Nederland heeft gebracht. Over de bestemming van haar reis en de wijziging daarvan zou [aangeefster] telkens andere dingen tegen haar moeder hebben gezegd.
2.21
Gelet op de verklaringen van de ouders dat zij niet tot nauwelijks met [aangeefster] hebben gesproken over het cliënt tenlastegelegde, kunnen hun getuigenverklaringen niet worden gebruikt om de door [aangeefster] afgelegde, voor cliënt belastende, verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen. Het horen van beide ouders levert dan ook te weinig compensatie op voor het niet kunnen horen van [aangeefster] .
2.22
De verdediging is eerder in de gelegenheid gesteld de voogd van [aangeefster] te horen als getuige. Zij kon zich op vragen van de verdediging enkel nog herinneren hoe het contact met de ouders verliep, en wat [aangeefster] haar zou hebben verteld over de rol van haar vriendinnen en zus. Zo zou [aangeefster] tegen haar hebben verteld dat zij een vriendin had welke werkzaam was in de prostitutie en heel veel geld had. Deze vriendin zou haar vervoer naar Nederland hebben geregeld. Hieruit kan worden afgeleid dat [aangeefster] ook wisselend tegen haar voogd heeft verklaard en des te meer reden aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
2.23
Op verdere vragen van de verdediging kan [getuige] geen antwoord geven, omdat zij zich dat niet kan herinneren. Door het horen van deze getuige (voogd [getuige] ) kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] dan ook onvoldoende worden getoetst. Het horen van deze getuige biedt dan ook eveneens onvoldoende compensatie voor het niet kunnen horen van [aangeefster] .
Conclusie
2.24
Om te beoordelen of de procedure in zijn geheel nog als eerlijk kan worden aangemerkt moet het gewicht van de verklaringen van de getuige worden afgewogen tegen de mate van compensatie. EHRM in Schatschaschwili:
"The extent of the counterbalancing factors necessary in order for a trial to be considered fair will depend on the weight of the evidence of the absent witness. The more important that evidence, the more weight the counterbalancing factors will have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair.“
2.25
Naar aanleiding hiervan overweegt het EHRM in Dastan tegen Turkije het volgende:
"In this connection, the Court notes that there is no indication in the national courts judgments that they approachedthe statement given by D. T. with any specific caution or that the fact that he did not testify and was not cross-examined in person before the trial court prompted the national courts to attach less weight to his statement. "
2.26
Om in de strafzaak van cliënt nog te kunnen spreken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM kan de verdediging nog worden gecompenseerd indien terughoudend met de verklaringen wordt omgegaan en daaraan minder gewicht wordt toegekend.
2.27
De verklaringen van [aangeefster] vormen echter, zoals eerder gezegd, het enige bewijs waarin cliënt direct wordt belast. Bij een voorzichtige benadering van deze verklaring en indien daaraan minder gewicht wordt toegekend, bijvoorbeeld door daarnaast sterk steunbewijs te verlangen wat er niet is, is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
2.28
De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat u niet tot een veroordeling kunt komen zonder dat daardoor de procedure als geheel in strijd is met artikel 6, lid 1 en 3, sub d EVRM. Derhalve verzoek ik u primair cliënt integraal vrij te spreken van het hem tenlastegelegde feit.”
2.4
Het vonnis van de rechtbank houdt voor zover van belang in:

Het beroep op de ongeloofwaardigheid en onbetrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
De verdediging heeft voorts bepleit dat de belastende verklaringen van [aangeefster] niet lot het bewijs kunnen worden gebezigd in verband met de ongeloofwaardigheid en onbetrouwbaarheid van deze verklaringen. De verdediging voert daartoe aan dal [aangeefster] iedere keer dal zij door de politie is gehoord een ander verhaal heeft verteld. De verdediging betoogt dat [aangeefster] kennelijk goed in staat is tegenover de politie niet naar waarheid te verklaren en dus niet betrouwbaar is als persoon. Daarnaast bevatten de verklaringen tegenstrijdigheden en worden onderdelen uit de verklaringen weerlegd door de inhoud van het dossier.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de gestelde ongeloofwaardigheid en onbetrouwbaarheid als volgt.
Na het aantreffen van [aangeefster] bij de prostitutiecontrole op [a-straat] op 21 augustus 2017, heeft zij een verklaring gegeven voor haar aanwezigheid aldaar en aangegeven geen aangifte te wijlen doen. Op 22 augustus wordt zij als getuige gehoord. Op maandag 4 september 201 7 wordt door de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch de voogdij uitgesproken over [aangeefster] waarbij de jeugdbescherming van het Leger des Heils te [plaats] als voogd wordt benoemd. Op dinsdag 5 september komt de voogd van [aangeefster] naar het politiebureau met de mededeling dat [aangeefster] eerder niet de waarheid heeft verteld en dat [aangeefster] graag een nieuwe verklaring wil afleggen tegenover de politie. Vervolgens wordt [aangeefster] op 6 september 2017, 22 september 2017, 3 oktober 2017 en 11 november 2017 gehoord.
De rechtbank stelt vast dat [aangeefster] op 22 augustus 2017 een andere verklaring heelt gegeven dan zij nadien vanaf 6 september 2017 heeft gegeven. [aangeefster] heeft in haar eerste verklaring op 22 augustus 2017 tegenover de politie naar eigen zeggen niet naar waarheid heeft verklaard. Vanaf 6 september 201 7 heeft [aangeefster] in haar verklaringen de rol van verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) uiteen gezet. De rechtbank is het met de raadsman eens dat de verklaringen van [aangeefster] vanaf 6 september 2017 niet op elk onderdeel met elkaar in overeenstemming zijn. Deze omstandigheden maken echter niet dat [aangeefster] als persoon dermate onbetrouwbaar is. dat enkel op grond daarvan reeds aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen moet worden getwijfeld. De rechtbank is immers van oordeel dat, hoewel er in de verhoren vanaf 6 september 201 7 op onderdelen verschillend is verklaard, de door [aangeefster] afgelegde verklaringen van na 6 september 2017 in de kern wel degelijk gelijkluidend zijn. Bovendien is het gelet op de situatie waarin [aangeefster] verkeerde, onder meer de angst dat haar familie misschien naar de gevangenis zou moeten en dat zij zelf ten tijde van de verklaringen, tegen haar zin in niet naar huis mocht, voorstelbaar dat zij niet continu op alle details exact hetzelfde heeft verklaard en dat haar verhaal steeds meer vorm heeft gekregen. Bovendien acht de rechtbank van belang dat haar verklaringen daarnaast op essentiële onderdelen worden ondersteund door de gebezigde bewijsmiddelen.
Door de verdediging zijn een aantal tegenstrijdigheden op detailniveau genoemd. Ook ten aanzien van een groot aantal van deze genoemde tegenstrijdigheden is de juistheid van de kern van deze onderdelen uit de verklaringen vast komen te staan op grond van het gebezigde steunbewijs. Dit geldt ten aanzien van het verblijf van aangeefster in de woning van verdachte waarin ook verdachtes moeder verbleef, de diefstal van de ID-kaart van haar zus. het ontvangen van een AEG telefoon en dat daarop gebeld is gedurende de reis naar Nederland alsmede het feit dat zij zich maandagochtend moest melden bij [betrokkene 5] voor een ruimte met nummer [nummer] . Dat zij niet op ieder detail gelijkluidend heeft verklaard doet, gelet op het aanwezige steunbewijs, niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Uit de verklaring van [aangeefster] en de overige gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank onder meer het volgende vast. De verdachte heeft de destijds zestienjarige [aangeefster] door de [medeverdachte] , een neef van zijn vrouw, naar Nederland laten brengen ten einde haar op [a-straat] in de prostitutie te laten werken. [medeverdachte] en [aangeefster] verbleven en sliepen vanaf 19 augustus 201 7 in Nederland in de woning van verdachte waar op dat moment enkel de moeder van verdachte, [verdachte] , en zijn zoontje [betrokkene 1] verbleven. Verdachte en zijn vrouw [betrokkene 2] verbleven op dat moment met hun oudste zoontje [betrokkene 3] in Hongarije. [verdachte] kende [medeverdachte] voorafgaande aan dit verblijf niet en ze kende evenmin [aangeefster] . Uit de analyse van de telefoongegevens leidt de rechtbank af dat de verdachte en zijn vrouw [betrokkene 2] gebruikers zijn van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] en dat [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] . Op 19 augustus 2017. de dag waarop [aangeefster] in Nederland arriveerde, is tussen deze twee nummers meermalen contact gemaakt. Daarnaast is er met deze twee telefoonnummers op 19 augustus 201 7 contact geweest met het nummer behorende bij het AEG toestel dat op 21 augustus 2017 bij [aangeefster] is aangetroffen. Met het nummer eindigend op [telefoonnummer 1] is verder in de periode van 19 augustus 2017 en 21 augustus 2017 contact opgenomen met het nummer dat in gebruik is bij [betrokkene 4] . Via hem is ruimte [nummer] op [a-straat] gereserveerd waar [aangeefster] op maandagochtend 21 augustus 2017 is gaan werken. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [aangeefster] op de hoogte is van persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder andere de namen van zijn vrouw en kinderen, de leeftijd van zijn jongste kind, het feit dat hij in Hongarije gebruik maakte van een lichtgekleurde auto van het merk Mercedes met een Hongaars kenteken en dat hij in de periode van 19 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in Hongarije verbleef. Voor de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] acht de rechtbank verder van belang dat de zij niet in negatieve zin over zowel verdachte als zijn [medeverdachte] heeft verklaard. Zij verklaart meerdere malen dat het haar eigen keuze is geweest om in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn en dat zij verdachte niet ziet als mensenhandelaar. Ze verklaart verder dat ze niet wil dat de verdachte gestraft wordt en dat ze niets wil bereiken middels een mogelijke vervolging.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [aangeefster] vanaf 6 september 2017 geloofwaardig, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.”
2.5
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overweging opgenomen:
Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [aangeefster]
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord - vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging geen effectieve en behoorlijke gelegenheid is geboden om [aangeefster] te ondervragen. Het bewijs van het tenlastegelegde berust in beslissende (
decisive) mate op de verklaring van aangeefster. Met het horen van de ouders van aangeefster, en eerder van [getuige] , is de verdediging voorts in onvoldoende mate gecompenseerd voor het ontbreken van voornoemde effectieve en behoorlijke ondervragingsgelegenheid. Om nog te kunnen spreken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM zou aan de verklaring van [aangeefster] minder gewicht moeten worden toegekend, bijvoorbeeld door daarnaast sterk steunbewijs te verlangen dat er niet is. Het hof kan derhalve niet tot een veroordeling komen zonder dat daardoor de procedure als geheel strijdig is met artikel 6, lid 1 en 3, sub d EVRM. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt. Bij tussenarrest van 22 november 2021 heeft het hof met betrekking tot het verzoek van de verdediging om in het kader van het recht op een eerlijk proces ter compensatie van het niet kunnen horen van [aangeefster] , haar ouders en zus te horen, het navolgende overwogen en beslist.
Evenals de rechtbank zal het hof aan de hand van het driestappenplan, zoals dat onder meer volgt uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10) en is aangehaald in het arrest van de Hoge Raad d.d. 4 juli 2017 met vindplaats ECLI:NL:HR:2017:1016, beoordelen of door het niet kunnen horen van [aangeefster] door de verdediging sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM.
Stap 1. Heeft de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik kunnen maken van het recht op een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van de betrokken getuige?
De verdediging heeft in eerste aanleg reeds gevraagd om [aangeefster] te horen. Wat betreft de procedure bij de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2019 dat [aangeefster] niet traceerbaar is, waardoor zij niet als getuige kon worden gehoord. Uit genoemd proces-verbaal blijkt verder dat er voldoende inspanningen zijn verricht om te proberen [aangeefster] als getuige te horen.
Ook in hoger beroep is getracht [aangeefster] als getuige te horen. Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 13 juli 2020 houdt in dat een videoverhoor dat gepland stond op 2 april 2020 niet kon doorgaan in verband met de coronamaatregelen en dat de getuige tijdens een videoverhoor op 13 juli 2020 niet is verschenen. De Hongaarse rechter [naam] heeft de raadsheer-commissaris per e-mail d.d. 12 juli 2020 bericht dat het verhoor op 13 juli 2020 waarschijnlijk niet kon doorgaan omdat de getuige de oproeping/dagvaarding niet heeft ontvangen.
In het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 7 oktober 2020 met bijlagen, is vermeld dat rechter [naam] aangeeft dat hij diverse pogingen heeft gedaan om de getuige [aangeefster] te traceren, dat men de getuige in Hongarije niet heeft gevonden, dat zij zich waarschijnlijk niet in Hongarije bevindt en dat niet kan worden voldaan aan de opdracht om haar te horen. De raadsheer-commissaris achtte het gelet daarop niet aannemelijk dat de getuige [aangeefster] binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen teneinde te worden gehoord.
Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van het recht op een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [aangeefster] .
Stap 2. Zo ja, zal een bewezenverklaring in uitsluitende of beslissende mate zin op deze verklaring moeten worden gebaseerd?
In zijn arrest van 4 juli 2017 met vindplaats ECLI:NL:HR:2017:1016 heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe niet door de verdediging ondervraagde getuige, van belang is in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde. In het dossier is steun te vinden voor de verklaringen van [aangeefster] met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte, onder meer in het proces-verbaal analyse telecommunicatie d.d. [geboortedatum] 2017, opgenomen op pagina 250 en volgende van het politiedossier. Evenwel is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat een eventuele bewezenverklaring van het tenlastegelegde in beslissende mate zal worden gebaseerd op de verklaringen van [aangeefster] .
Stap 3. Zo ja, is het gebrek aan een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van de getuige in voldoende mate gecompenseerd?
Met de verdediging is het hof van oordeel dat het feit dat de verdediging door het openbaar ministerie in het bezit is gesteld van de audio-opnames van de verhoren van [aangeefster] onvoldoende compensatie biedt voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht. In hoger beroep is de verdediging door de raadsheer-commissaris in de gelegenheid gesteld de voogd van [aangeefster] , te weten [getuige] , als getuige te bevragen. Dit verhoor d.d. 2 december 2020 is een tegemoetkoming voor het feit dat de verdediging [aangeefster] niet heeft kunnen bevragen. Echter heeft de verdediging bij appelschriftuur ook gevraagd om ter compensatie de ouders en zus van [aangeefster] te horen, welk verzoek door de raadsheer-commissaris is afgewezen omdat de noodzaak niet is gebleken. Het hof is echter van oordeel dat de verdediging, gelet op het beslissende gewicht van de verklaringen van [aangeefster] , in de gelegenheid moet worden gesteld ter compensatie haar ouders en zus alsnog te bevragen. Hef hof zal de zaak daarom voor het horen van de ouders en zus van [aangeefster] verwijzen naar de raadsheer-commissaris. Gelet op deze verwijzing en gezien het verstrijken van de tijd sinds de eerdere pogingen om [aangeefster] te horen, zal het hof tevens bepalen dat andermaal zal worden getracht om [aangeefster] zelf door de verdediging te laten ondervragen.
Naar aanleiding van vorenstaande opdracht van het hof zijn op 2 november 2022 de ouders van aangeefster, in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte, door de raadsheer-commissaris gehoord.
Blijkens de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris, d.d. 2 november 2022 en 8 februari 2023, is het niet gelukt om [aangeefster] als getuige te horen, daar zij niet door de Hongaarse autoriteiten kon worden getraceerd. Uit voormelde processen-verbaal komt verder naar voren dat hiertoe door de Hongaarse autoriteiten en de raadsheer-commissaris de nodige inspanningen zijn verricht. Zo is de oproeping om voor het verhoor te verschijnen naar het (
het hof begrijpt: toenmalig bekende) adres van de getuige gezonden en met de post teruggezonden, en heeft de Hongaarse rechtbank en politie vergeefs nader onderzoek verricht naar de woon- of verblijfplaats van de getuige. Tevens heeft de raadsheer-commissaris getracht om het adres van de getuige via haar ouders te achterhalen. Deze inspanningen zijn evenwel zonder resultaat gebleven.
Uit voormelde processen-verbaal blijkt voorts dat het niet tot een verhoor van de zus van aangeefster, [zus slachtoffer 1] , is gekomen, daar geen actueel verblijfadres van haar bekend is. De raadsheer-commissaris heeft middels een internationaal rechtshulpverzoek getracht om de adresgegevens van de getuige in Hongarije te achterhalen, doch Interpol Boekarest heeft de raadsheer-commissaris bericht dat bij de Hongaarse autoriteiten geen adresgegevens van de getuige bekend zijn.
Bij die stand van zaken, en in het licht van de reeds verrichte inspanningen, heeft de raadsheer-commissaris derhalve geconcludeerd dat het niet aannemelijk is te achten dat de getuigen [aangeefster] en haar zus [zus slachtoffer 2] binnen een aanvaardbare termijn (tevens in aanmerking genomen het lange tijdsverloop van de zaak) zullen verschijnen voor een gerechtelijk verhoor om te worden gehoord ten overstaan van een rechter en partijen
Het hof is aldus van oordeel dat alle inspanningen, die in redelijkheid kunnen worden gevergd om tot een verhoor van de aangeefster en haar zus te komen, in onderhavige zaak zijn gevergd.
Nu het hof onverminderd van oordeel is dat de bewezenverklaring in beslissende mate rust op de verklaring van aangeefster en aangeefster niet door de verdediging is gehoord, moet het hof afwegen of er voldoende compensatie heeft plaatsgevonden en/of is geboden om dit gebrek te ondervangen en om te kunnen concluderen dat het proces in het geheel nog eerlijk is als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarbij is de mate van beslissendheid van de niet getoetste verklaring bepalend voor de mate van compensatie die dient te worden geboden.
In dat verband overweegt het hof dat het er in de kern om gaat dat het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de tenlastegelegde gebeurtenissen - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige.
Het hof stelt het volgende ten aanzien van (de eerlijkheid van) het verloop van de procedure vast.
[aangeefster] is meermalen uitgebreid gehoord door de politie, waaronder op 22 augustus 2017, 6 september 2017, 22 september 2017, 3 oktober 2017 en 11 november 2017. De politie - waarvan in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat deze in het Nederlands rechtsbestel zowel belastend als ontlastend bewijsmateriaal vergaart - heeft aangeefster bij die gelegenheden kritisch bevraagd op het moment dat de verbalisanten vermoedden dat aangeefster - minst genomen -terughoudend verklaarde.
Het hof stelt voorts vast dat de verdachte ruimschoots - de verdachte is vier maal door de politie, alsmede gedurende de terechtzittingen in eerste aanleg gehoord - in de gelegenheid is gesteld om zijn lezing van de feiten te geven. Bij diens verhoren door de politie is de verdachte tevens geconfronteerd met de verklaringen van aangeefster. In welk verband de verdachte gelegenheid heeft gehad haar verklaring te weerspreken en twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van aangeefster, door te wijzen op eventuele incoherentie of inconsistentie in haar verklaringen, dan wel zulks met ander bewijsmateriaal te onderbouwen, doch verdachte heeft - in de kern - volstaan met een (blote) ontkenning van het tenlastegelegde. Voorts was de verdediging vanaf het verstrekken van de stukken aan de raadsman - dan wel met het verhoor van de verdachte, reeds zoveel eerder - bekend met de identiteit van aangeefster en was de verdediging in staat om de vermeende motieven van de getuige om te liegen, te identificeren en te onderzoeken. Bovendien heeft de politie de verklaringen van de getuige verder onderzocht, teneinde de betrouwbaarheid/juistheid van haar verhaal te verifiëren.
In dat verband en onder verwijzing naar - en deels in aanvulling op - hetgeen de rechtbank op pagina 12 van het vonnis heeft overwogen, overweegt het hof dat de politie onderzoek heeft verricht naar de telefoon(s) van de getuige, alsmede de telefoons, waarvan is gebleken dat die in gebruik waren bij de verdachte en zijn partner en zijn moeder. Ook zijn, teneinde de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring van de getuige te verifiëren, diverse getuigen gehoord en is - mede ter compensatie voor het niet horen van aangeefster - reeds in de fase van eerste aanleg de voogd van aangeefster als getuige gehoord. In de fase van hoger beroep zijn op het verzoek van de verdediging voorts de ouders van de getuige gehoord. Hoewel de ouders van aangeefster slechts in beperkte mate vanuit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren over het tenlastegelegde, zijn naar het oordeel van het hof uit hun verklaringen geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die maken dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster moet worden getwijfeld.
Daarnaast zijn audio-opnamen van de verhoren van aangeefster aan de verdediging verstrekt. De verdediging was derhalve wel in staat om de geloofwaardigheid van de getuige effectief te betwisten, doch in mindere mate vanwege het uitblijven van een ondervraging door de verdediging.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof vast dat. het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om aangeefster door de verdediging te (doen) ondervragen genoegzaam is gecompenseerd. Het hof concludeert dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces en dat er dus ook geen sprake is van een schending van artikel 6, derde lid, sub d, van het EVRM. De omstandigheid dat de zus van aangeefster niet is gehoord, brengt het hof - het beperkte gewicht dat haar verklaring toekomt mede in aanmerking genomen - niet, tot een ander oordeel.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging dienaangaande.”
Bespreking van het middel
2.6
De Hoge Raad is in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, in de situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat verband heeft de Hoge Raad onder meer aandacht besteed aan de eisen die worden gesteld aan het gebruik voor het bewijs van dergelijke verklaringen en de wijze waarop de rechter dient na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarover heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het (...) arrest van 4 juli 2017 [ECLI:NL:HR:2017:1015] is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3
De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.”
2.7
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, ter verduidelijking van deze eerdere rechtspraak, verder overwogen dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd.
2.8
Het hof heeft geoordeeld dat, ook al heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad om [aangeefster] te ondervragen, het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen. Aan dat oordeel heeft het hof allereerst ten grondslag gelegd dat het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht met betrekking tot [aangeefster] het gevolg was van onbereikbaarheid van deze getuige, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat de raadsheer-commissaris de nodige inspanningen heeft verricht om een verhoor van de zich mogelijk in Hongarije bevindende [aangeefster] in het bijzijn van de verdediging te bewerkstelligen, maar dat het de Hongaarse autoriteiten, waaronder de Hongaarse rechtbank en de politie, niet is gelukt om contact met de getuige te krijgen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat alle inspanningen, die in redelijkheid kunnen worden gevergd om tot een verhoor van de getuige [aangeefster] te komen, in onderhavige zaak zijn gevergd. Daarin ligt tevens besloten dat naar het oordeel van het hof een goede reden bestaat voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht ten aanzien van [aangeefster] . Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
2.9
Evenmin is in cassatie het oordeel van het hof bestreden dat de bewezenverklaring in beslissende mate rust op de getuigenverklaring van [aangeefster] .
2.1
Het hof heeft bij zijn oordeel dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen, verder het volgende betrokken, dat:
(i) de politie de getuige [aangeefster] bij haar verhoren kritisch heeft bevraagd op het moment dat de verbalisanten vermoedden dat zij – minst genomen – terughoudend verklaarde;
(ii) de verdachte bij zijn viertal verhoren bij de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om de verklaringen van aangeefster te weerspreken en twijfel te zaaien over haar geloofwaardigheid, maar dat hij heeft volstaan met een (blote) ontkenning van de tenlastegelegde feiten;
(iii) de politie nader onderzoek heeft gedaan naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de verklaringen van [aangeefster] , waaruit volgens het hof, in navolging van de rechtbank, volgt dat er steunbewijs is voor delen van de verklaring van [aangeefster] , te weten voor haar verblijf in de woning van verdachte, de diefstal van de ID-kaart van haar zus, het ontvangen van een AEG-telefoon en dat daarop gebeld is gedurende de reis naar Nederland alsmede het feit dat zij zich maandagochtend op een bepaalde plek moest melden om haar werk als prostituee te beginnen. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat uit een telefoonanalyse volgt dat met de AEG-telefoon contact is geweest met telefoonnummers die in gebruik zijn bij de verdachte, diens echtgenote en diens moeder. Ten slotte heeft het hof, wederom in navolging van de rechtbank, van belang geacht dat uit bewijsmiddelen volgt dat [aangeefster] op de hoogte is van persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder andere de namen van zijn vrouw en kinderen, de leeftijd van zijn jongste kind, het feit dat hij in Hongarije gebruikmaakte van een lichtgekleurde auto van het merk Mercedes met een Hongaars kenteken en dat hij in de periode van 19 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in Hongarije verbleef;
(iv) daarnaast diverse getuigen gehoord zijn en – mede ter compensatie voor het niet horen van [aangeefster] - in eerste aanleg de voogd van [aangeefster] als getuige is gehoord;
(v) in hoger beroep daarnaast, na heropening van het onderzoek, de ouders van [aangeefster] zijn gehoord. Hoewel zij slechts in beperkte mate vanuit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren over de tenlastegelegde feiten, zijn naar het oordeel van hof daaruit geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die maken dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] moet worden getwijfeld;
(vi) de audio-opnamen van de verhoren van de aangeefster aan de verdediging zijn verstrekt waardoor de verdediging in staat was de geloofwaardigheid van de getuige effectief te betwisten. [3]
2.11
Het hof heeft er daarmee blijk van gegeven de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig te hebben onderzocht, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof uitgebreid heeft beschreven welke factoren het bij zijn oordeel in aanmerking heeft genomen en dat het hof het onderzoek ter zitting heeft heropend om de verdediging te voorzien van nadere procedurele waarborgen door personen te horen die in contact stonden met de getuige. Verder neem ik daarbij in aanmerking dat het hof zich bij het zoeken naar steunbewijs dat de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige onderbouwt, mede heeft gericht op de betwisting door de verdachte. De verdachte ontkent immers de getuige ooit te hebben ontmoet en enige betrokkenheid te hebben gehad bij het feit, terwijl het steunbewijs mede betrekking heeft op contacten tussen de getuige en (familieleden van) de verdachte en op kennis bij de getuige van persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
2.12
Het hof heeft dan ook op basis van alle genoemde factoren in onderlinge samenhang bezien niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet in de weg staat aan het gebruik van de door [aangeefster] afgelegde verklaringen voor het bewijs. [4]
2.13
Het middel faalt.

3.Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negentien maanden.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

3.Vgl. HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461 waarin de Hoge Raad met het hof relevant achtte dat met audio-opnamen de verdediging zich een beeld heeft kunnen vormen van de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan en van het verloop van de betreffende gesprekken
4.Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:68.