Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
Op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter van het verhoor van een niet verschenen getuige afzien als het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Dat betekent dat de rechter, als hij de in artikel 288 lid Pro 1, onder b, Sv genoemde gronden aanwezig acht, het belang van de getuige zwaarder mag laten wegen dan het recht van de verdachte om die getuige te (doen) ondervragen.
De vraag of het in artikel 288 lid Pro 1, onder b, Sv genoemde gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het in artikel 6 EVRM Pro gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces. Daaruit volgt dat de rechter zijn oordeel ten aanzien van het belang van de getuige moet motiveren aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, zoals het oordeel van een deskundige. [1] Bij de toetsing in cassatie van de beslissing om op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, Sv het verzoek tot het horen van een getuige af te wijzen kan een rol spelen of de rechter zich heeft uitgelaten over de mogelijkheid om bij het horen als getuige maatregelen te treffen ter bescherming van het belang van de gezondheid of het welzijn van de getuige. [2]
Het hof heeft verder geoordeeld dat zich geen reële alternatieve wijzen van het horen van [slachtoffer] voordoen die het gevaar voor haar gezondheid en welzijn voldoende wegnemen omdat elk zo’n alternatief bij haar de pijnlijke herinneringen en gevoelens opnieuw zou oproepen, zodat daarbij evenzeer het gegronde vermoeden bestaat dat haar gezondheid en welzijn in gevaar worden gebracht. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat ook het treffen van maatregelen ter bescherming van het belang van de gezondheid en het welzijn van [slachtoffer] - waaronder het laten plaatsvinden van het verhoor in een speciale verhoorstudio op de wijze als beschreven door de deskundige, zoals onder 2.2.5 weergegeven - het bedoelde gevaar niet kan wegnemen.
Het cassatiemiddel kan ook niet slagen voor zover het klaagt over het oordeel van het hof dat het onderzoek van de deskundige voldoende recent is om de afwijzing van het verzoek daarop te baseren. Het oordeel van het hof dat de door deskundige ’t Hoen omschreven stoornis en de gevolgen van een verhoor zo ernstig zijn dat onaannemelijk is dat door het tijdsverloop van ongeveer anderhalf jaar sprake is van een substantieel andere situatie, is - ook in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd - toereikend gemotiveerd.
Het hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van [slachtoffer] voor de bewezenverklaring van feit 3 niet van beslissende betekenis zijn omdat voor het bewijs van dit feit ook gebruik wordt gemaakt van onder meer het aantreffen van afbeeldingen van [slachtoffer] en gezinsleden van de verdachte op gegevensdragers waarover de verdachte de beschikking had en de verklaringen van de verdachte daarover. Dat oordeel is, gelet op wat de bewijsmiddelen 14, 15 en 17-21 inhouden in relatie tot de aangetroffen afbeeldingen, niet onbegrijpelijk.
Het hof heeft verder geoordeeld dat de verklaringen van [slachtoffer] wel van beslissende betekenis zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2, met uitzondering van het onder 2 tenlastegelegde betasten van en/of het knijpen in de borsten ten aanzien waarvan het hof ook de verklaringen van de verdachte en [aangeefster] (de moeder van [slachtoffer]) - bewijsmiddelen 9 en 19 - voor het bewijs heeft gebruikt. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat, voor zover de verklaringen van [slachtoffer] voor de bewezenverklaring van beslissende betekenis zijn, aan de verdediging voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van een effectieve mogelijkheid tot ondervraging van [slachtoffer], zodat haar bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
De verdediging heeft ter terechtzitting de gelegenheid gehad - en, zoals uit de onder 2.2.6 weergegeven pleitnota blijkt, ook daarvan gebruik gemaakt - om de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek te weerspreken, twijfels te uiten over de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen en uiteen te zetten wat de zienswijze is van de verdachte op de gebeurtenissen waarop het aan de verdachte tenlastegelegde betrekking heeft. Het hof heeft ervan blijk gegeven de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] te hebben onderzocht in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van deze betwisting door de verdachte van die verklaringen. In dit verband heeft het hof geoordeeld dat de stelling van de verdachte dat [slachtoffer] of haar moeder hem een hak heeft willen zetten, wordt weerlegd door onder meer de wijze en het moment waarop de politie is ingeschakeld, zoals daarvan blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 12 en 17). Het hof heeft onder ogen gezien dat de verklaringen van [slachtoffer] inconsistenties bevatten en mede onder verwijzing naar het rapport en de verklaring van Van der Sleen uiteengezet waarom deze niet afdoen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de tegenover gecertificeerde zedenrechercheurs afgelegde verklaringen gedetailleerd zijn, authentiek overkomen en aan betrouwbaarheid winnen doordat [slachtoffer] daarin ook duidelijk een grens aangeeft met betrekking tot de door de verdachte verrichte seksuele handelingen, zoals dat de verdachte nooit met zijn penis in haar vagina is geweest, en dat zij zelf heeft aangegeven dat zij de seksuele handelingen ook leuk vond.
Het hof heeft verder in ogenschouw genomen dat - ook al zijn de verklaringen van [slachtoffer] van beslissende betekenis voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 (met uitzondering van het onder 2 tenlastegelegde betasten van en/of het knijpen in de borsten) - de verklaringen van [slachtoffer] niet op zichzelf staan, maar op wezenlijke onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op onder meer het aantreffen van een flesje babyolie in de keuken (bewijsmiddel 7), de verklaring van de verdachte over het “toeteren” met de borsten en over de door hem gemaakte en met teksten bewerkte naaktfoto’s van [slachtoffer] (bewijsmiddel 19), het aantreffen van de bedoelde foto’s (bewijsmiddel 21), de verklaring van [aangeefster] over het door haar waargenomen betasten van de borsten door de verdachte en over wat [slachtoffer] haar over de tenlastegelegde handelingen heeft verteld (bewijsmiddelen 3, 9 en 15), de verklaring van [betrokkene 1] over de reactie van [slachtoffer] op de vraag of de verdachte haar had aangeraakt (bewijsmiddelen 4 en 10) en de verklaring van [betrokkene 2] over de door de verdachte verzonden foto’s en de berichten aan [slachtoffer] waarin de verdachte zegt dat zij het zelf wilde en dat zij het vrijwillig heeft gedaan (bewijsmiddelen 12 en 17).
Tot slot is van belang dat de raadsvrouw van de verdachte op haar verzoek in de gelegenheid is gesteld om [aangeefster] bij de rechter-commissaris en [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris als getuigen te ondervragen.
Het initiatief tot het bieden van een dergelijke ondervragingsgelegenheid kan tijdens het vooronderzoek worden genomen door het openbaar ministerie en in bepaalde gevallen ook door de rechter-commissaris. Aanleiding daarvoor kan bestaan in gevallen waarin een getuige al een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd en aan die verklaring - voor zover zich dat laat vaststellen in de stand van het onderzoek - een meer dan gering gewicht kan toekomen voor een eventuele bewezenverklaring. Het bieden van een dergelijke ondervragingsgelegenheid aan de verdediging voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, zonder daartoe een verzoek van de verdediging af te wachten, ligt vooral ook in de rede in gevallen waarin het voorzienbaar is dat de getuige op een later moment mogelijk niet meer beschikbaar zal zijn voor een verhoor of moeilijk zal kunnen worden getraceerd, of als de belangen van de getuige ermee zijn gediend dat een (nadere) ondervraging op korte termijn plaatsvindt. Onder omstandigheden kan dat ook aanleiding vormen om al bij het verhoor van een getuige door de politie gelegenheid tot ondervraging te bieden.
De verdediging kan ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep verzoeken doen tot het (opnieuw) oproepen en horen van getuigen. De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de (...) beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.”
3.Beslissing
24 januari 2023.