ECLI:NL:PHR:2025:1340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
24/01060
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor zware mishandeling ex-partner met vordering benadeelde partij

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1969, veroordeeld voor zware mishandeling van zijn ex-partner, waarbij hij haar op brute wijze heeft mishandeld, resulterend in ernstig lichamelijk letsel. Het gerechtshof Den Haag heeft op 13 maart 2024 een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft cassatie ingesteld tegen deze veroordeling, waarbij zijn advocaat L.E.G. van der Hut twee middelen van cassatie heeft voorgesteld. De benadeelde partij, vertegenwoordigd door advocaat M.P. de Klerk, heeft een verweerschrift ingediend. De Hoge Raad heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de klachten van de verdachte niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft de conclusie van de advocaat-generaal gevolgd, die stelde dat de strafoplegging en de motivering daarvan niet onbegrijpelijk zijn en dat de vordering van de benadeelde partij terecht is toegewezen. De Hoge Raad heeft de zaak verworpen en de veroordeling van het hof bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01060
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 maart 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002073-23) middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 29 juni 2023 wegens "zware mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk deel heeft het hof algemene voorwaarden verbonden met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden met een proeftijd van één jaar. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.P. de Klerk, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.
1.3
Het eerste middel bevat diverse klachten tegen de strafoplegging. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt dat de strafoplegging en/of de motivering daarvan niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het middel valt uiteen in drie deelklachten.
2.2
Het hof heeft de aan de verdachte opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke
omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 22 oktober 2022 te Den Haag, onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, zijn ex-partner op brute en nietsontziende wijze mishandeld. Zij heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Onder meer gebroken rugwervels en bloedingen in haar beide ogen. Zij was dermate toegetakeld dat zij direct naar het ziekenhuis moest. Vervolgens heeft zij meerdere operaties moeten ondergaan. Het slachtoffer ondervindt van het haar aangedane hevige geweld nog altijd de gevolgen en zij is nog steeds niet volledig hersteld, zo is ook ter terechtzitting in hoger beroep door haar gemachtigde verklaard.
Uit de "Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken" volgt dat bij een bewezenverklaring van zware mishandeling, het oriëntatiepunt van 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geldt als sprake is van het opzettelijk toebrengen van "zeer zwaar" lichamelijk letsel. Onder "zeer zwaar" lichamelijk letsel moet in elk geval moet worden begrepen, aldus de toelichting, zwaar lichamelijk letsel waarvan een zeer lange herstelperiode (meer dan zes maanden) wordt verwacht.
Een dergelijke lange herstelperiode is, anders dan de raadsman voorstaat, wel degelijk aan de orde. Dat blijkt uit de inhoud van een "medisch advies” d.d. 19 juni 2023, het slachtoffer betreffende (bijlage bij de schadevordering), zoals ook besproken ter terechtzitting in hoger beroep. Daarin relateert de internist [naam 1] dat het slachtoffer is doorverwezen voor uitgebreide fysiotherapie, en dat uit het laatste verslag daarvan d.d. 26 april 2023, blijkt dat de pijnklachten afnemen, maar dat er nog geen sprake is van volledig herstel. Kortom, zes maanden na de zware mishandeling was het slachtoffer nog niet hersteld.
Het hof zal daarom als uitgangspunt bij de strafoplegging uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
In strafverzwarende zin weegt het hof mee dat sprake is van geweld in de huiselijke sfeer, te weten in de woning van het slachtoffer.
Het hof heeft daarentegen ook acht geslagen op het feit dat de verdachte ter terechtzitting duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat de verdachte de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis per 3 november 2022 - waaronder de voorwaarde die gericht is op het voorkomen van alcoholgebruik - tot op heden heeft nagekomen.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 februari 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 31 oktober 2022. De reclassering adviseert een meldplicht bij de reclassering, een contact-, locatie- en alcoholverbod, alsmede de plicht om mee te werken aan middelencontrole.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat als het hof die voorwaarden zou opleggen, hij daar mee kan instemmen.
De slotsom
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van een langere duur dan aan de verdachte bij vonnis in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd, passend en geboden is. Het voorwaardelijke strafdeel dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het feit is te ernstig om -anders dan de raadsman heeft betoogd- tot een strafmodaliteit te komen waarbij de verdachte, rekening houdende met de reeds door hem ondergane voorlopige hechtenis, niet opnieuw een vrijheidsbeneming zou moeten ondergaan.”
2.3
Het hof heeft acht geslagen op de volgende wettelijke voorschriften:
“Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.”
2.4
Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer in:

BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis daarvan beroep ten aanzien van de straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur
van 8 (acht) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van
2 (twee) jarenten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen
bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd van
1 (één) jaarniet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN Den Haag. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door de forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1973, zolang de reclassering dit verbod nodig vindt;
- zich niet zal bevinden in de straat van de woning van het slachtoffer ( [a-straat 1] in [plaats] ) zolang de reclassering dit verbod nodig vindt;.
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.”
2.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter houdt de vordering van de benadeelde partij voor.
In reactie hierop deelt de advocaat van de benadeelde partij mede:
Het betreft een lastige discussie. De schade is hoofdzakelijk fysiek, maar heeft ook een psychische
component. Hetgeen de benadeelde partij is overkomen, heeft (ook) tot psychisch ongemak geleid.
(…)
De raadsman vraagt of er inmiddels iets bekend is over een eventuele behandeling van de benadeelde partij bij de psycholoog.
De advocaat van de benadeelde partij beantwoordt deze vraag ontkennend.
In reactie hierop houdt de voorzitter voor dat uit een brief van 19 juni 2023 volgt dat er volgens de arts van de benadeelde partij op dit moment psychologische behandeling plaatsvindt door een psycholoog en dat de arts verder geen actuele informatie kan verstrekken.
(…)
De verdachte legt op vragen met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:
U, voorzitter, vraagt mij hoe het er nu voor staat qua (excessief) alcoholgebruik. Als gevolg van het
reclasseringscontact ben ik tot het inzicht gekomen dat het fout was om zoveel alcohol te drinken. Ik nuttig nu helemaal geen alcohol meer. Ook wil ik mij verontschuldigen tegenover hen (het hof begrijpt: de reclassering) omdat ik nog nooit voor zo een moeilijke kwestie heb gestaan. Ik sta nog steeds onder toezicht van de reclassering en moet mij vooralsnog elke twee weken bij hen melden, onder meer om een blaastest en urineonderzoek te doen. Ook voer ik gesprekken met de reclassering en zou ik dit graag willen voortzetten.
(…)
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
(…)
- een reclasseringsadvies d.d. 31 oktober 2022.
De voorzitter houdt voor dat er door de politierechter overeenkomstig voornoemd reclasseringsadvies algemene en bijzondere voorwaarden zijn opgelegd en de verdachte verklaart desgevraagd bereid te zijn zich aan deze voorwaarden te houden indien ook het hof besluit om deze op te leggen.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor.
De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert daartoe het volgende aan:
(…) De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er met het oog op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken sprake is van zeer zwaar lichamelijk letsel. Dat gaat mijns inziens een stap te ver; de verdediging kan zich hoogstens vinden in de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de advocaat van de benadeelde partij het volgende aan:
De prognose is onzeker. Ik heb naderhand begrepen dat het sindsdien niet veel beter gaat met het slachtoffer. Bepaalde behandelingen zijn op een gegeven moment gestopt, omdat de verzekering deze niet verder vergoedde. Mevrouw laat zich niet behandelen, maar dat valt haar dus niet te verwijten.
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en voert daartoe aan:
Hoe het volgens het slachtoffer met haarzelf gaat, maakt zeker verschil. Alle informatie waarover wij beschikken, kan relevant zijn voor een strafzaak, dus ook voor de vraag of we over de herstelperiode van zes maanden heengaan of niet. Overigens, met de brief van 19 juni 2023 passeren we die herstelperiode ook al. Een langdurige herstelperiode betekent zeer zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in de oriëntatiepunten. Bij het opleggen van een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 voorwaardelijk wordt voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De gevolgen van het bewezenverklaarde zijn voor het slachtoffer nog vele malen erger.
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en voert daartoe aan:
Het enige medische stuk in het dossier is een brief van 19 juni 2023, maar de informatie waar dat stuk betrekking op heeft, dateert van 6 april 2023. In dit medische stuk wordt aangegeven dat er sprake is van afname van pijnklachten, ma.ar dat nog niet van volledig herstel kan worden gesproken. De laatste objectieve informatie is dus van 6 april 2023. Zodoende kom ik tot een ander strafvoorstel.”
2.6
De bespreking van het middel
Eerste deelklacht
2.7
Op de eerste plaats wordt geklaagd dat de opgelegde straf niet, althans niet zonder meer toereikend en/of begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof bij de kwalificatie van het letsel van de aangeefster als “zeer zwaar lichamelijk letsel” - met verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten - omstandigheden heeft betrokken die niet uit de bewijsmiddelen noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijken. Onder deze omstandigheden verstaat de steller van het middel het feit dat de aangeefster in tegenstelling tot wat het hof heeft overwogen slechts eenmaal (en dus niet meerdere keren) is geopereerd, en verder dat noch uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit de medische verslagen zonder meer kan worden afgeleid dat de aangeefster zes maanden na de zware mishandeling nog niet volledig was hersteld, althans dat sprake was van “dusdanige aanhoudende klachten dat de kwalificatie “zeer zwaar lichamelijk letsel” gerechtvaardigd is”.
2.8
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Binnen de grenzen die de wet stelt, is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. De Hoge Raad stelt zich daarbij als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is. [2]
2.9
Daarnaast is voor de beoordeling van het middel van belang dat de LOVS-oriëntatiepunten geen recht zijn in de zin van art. 79 RO, omdat zij niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte. [3] De rechter is dan ook niet gebonden aan die afspraken, wat in de praktijk meebrengt dat de uitleg van deze oriëntatiepunten aan de rechter is voorbehouden. Wel kan in gevallen waarin de rechter de oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast in cassatie worden getoetst of die uitleg en toepassing door de rechter begrijpelijk is. Gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van die oriëntatiepunten, heeft die toetsing eveneens een beperkt karakter. [4]
2.1
In de toelichting bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van art. 300/302 Sr is de volgende begripsomschrijving voor “zeer zwaar lichamelijk letsel” opgenomen:
“Het in art. 302 Sr bedoelde zwaar lichamelijk letsel kan worden onderscheiden in zwaar lichamelijk letsel en zeer zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis. Medisch ingrijpen zal in het algemeen geïndiceerd zijn. Het gaat bijvoorbeeld om ingrijpende breuken. Onder zeer zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht.” [5]
2.11
Het hof heeft in de straftoemeting overwogen “dat de verdachte onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, zijn ex-partner op brute en nietsontziende wijze [heeft] mishandeld”, als gevolg waarvan zij met onder meer gebroken rugwervels en bloedingen in haar beide ogen direct naar het ziekenhuis moest en meerdere operaties heeft ondergaan. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat het slachtoffer nog altijd de gevolgen ondervindt van het haar aangedane hevige geweld en nog steeds niet volledig is hersteld. Onder verwijzing naar de toelichting bij de LOVS-oriëntatiepunten, waaruit volgt dat onder “zeer zwaar” lichamelijk letsel in elk geval moet worden begrepen, “zwaar lichamelijk letsel waarvan een zeer lange herstelperiode (meer dan zes maanden) wordt verwacht”, overweegt het hof dat van een dergelijk lange herstelperiode in de onderhavige zaak, anders dan de raadsman heeft betoogd, sprake is. Het hof baseert dat oordeel op 1) de vaststelling dat het slachtoffer (ten tijde van de zitting in hoger beroep) nog steeds niet volledig is hersteld, hetgeen door haar advocaat ter zitting ook is verklaard, en 2) de inhoud van het medisch advies van 19 juni 2023, waarin de behandelend internist relateert dat de aangeefster is doorverwezen voor “uitgebreide fysiotherapie, en dat uit het laatste verslag daarvan d.d. 26 april 2023, blijkt dat de pijnklachten afnemen, maar dat er nog geen sprake is van volledig herstel”. Op basis van deze vaststellingen komt het hof vervolgens tot het oordeel dat de aangeefster zes maanden na de bewezenverklaarde zware mishandeling van 22 oktober 2022 nog niet was hersteld.
2.12
Gelet op het voorgaande acht ik het niet onbegrijpelijk en in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer en met in achtneming van hetgeen ik onder randnummer 2.8 en 2.9 heb overwogen, ook toereikend gemotiveerd waarom hof bij het bepalen van de op te leggen straf aan de verdachte is uitgegaan van het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel. Daaraan doet mijns inziens niet af dat uit de medische stukken lijkt te volgen dat de aangeefster één keer en niet meerdere keren (zoals het hof heeft overwogen) een operatie heeft moeten ondergaan als gevolg van het toegebrachte letsel. Dat medisch ingrijpen in elk geval geïndiceerd was staat voldoende vast. Ik weeg ook mee dat in weerwil van wat de steller van het middel daarover aanvoert, uit de verklaring van de advocaat van de benadeelde partij zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 februari 2024 weldegelijk blijkt dat de prognose (ik begrijp: ten aanzien van het herstel van de aangeefster) nog onzeker is en dat het “niet veel beter gaat met het slachtoffer”.
2.13
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
2.14
Het middel keert zich vervolgens tegen de grondslag van de in het kader van de deels voorwaardelijk opgelegde (gevangenis)straf gestelde algemene voorwaarde bij de bijzondere voorwaarden. Volgens de steller van het middel is de voorwaarde dat de rechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan gelasten indien de verdachte binnen zijn proeftijd “geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen”, ten onrechte gegrond op artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid Sr, nu dit artikel “ziet op, kort gezegd, jeugdreclasseringsinstellingen, terwijl verzoeker meerderjarig is en het jeugdstrafrecht niet van toepassing is.”
2.15
De steller van het middel heeft een punt. De verdachte is geboren op [geboortedatum] 1969 en was dus tijdens de berechting door het hof meerderjarig. Artikel 77aa Sr heeft betrekking op het toezicht op de naleving van de voorwaarden en op het verlenen van hulp en steun aan een
jeugdigeaan wie een (deels) voorwaardelijke straf is opgelegd. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was en het hof in het kader van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf naast de algemene voorwaarde ook bijzondere voorwaarden heeft gesteld (a.b.i. 14c lid 2 Sr) [6] , had het hof kortgezegd op grond van artikel 14c lid 3 aanhef onder b Sr aan de verdachte de verplichting moeten opleggen om medewerking te verlenen aan de reclassering (a.b.i. 14c lid 6 Sr) in het kader van het toezicht op de naleving van de voorwaarde(n) en het ten behoeve daarvan begeleiden van de veroordeelde.
2.16
Gelet op de onder randnummer 2.3 weergegeven ‘toepasselijke wettelijke voorschriften’ geeft het hof er ook blijk van dat het “heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c (…) van het Wetboek van Strafrecht (…)” en dus niet op artikel 77aa Sr. Ook de bewoordingen in het dictum stemmen, los van het foutief aangehaalde wetsartikel, overeen met de bewoording van artikel 14c lid 3 aanhef onder b Sr, terwijl het hof bovendien de reclassering (en niet een in art. 77a Sr genoemde instelling voor jeugdigen) opdracht heeft gegeven toezicht te houden en de verdachte te begeleiden. Ik meen derhalve dat sprake is van een kennelijke misslag van het hof die de Hoge Raad verbeterd kan lezen door het arrest zo te verstaan dat met “in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht” is bedoeld “in artikel 14c lid 3 aanhef onder b, Wetboek van Strafrecht”. [7] Door de verbeterde lezing ontvalt de feitelijke grondslag aan de deelklacht, zodat die niet tot cassatie kan leiden.
2.17
De tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld.
Derde deelklacht
2.18
Tot slot keert de laatste deelklacht zich tegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte “meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd." Volgens de steller van het middel is dit geen bijzondere voorwaarde “die op basis van art. 14c, tweede lid, Sr door de rechter kan worden gesteld, nu deze voorwaarde uitsluitend een medewerkingsverplichting inhoudt aan controles van het gebruik van alcohol om het middelengebruik "te beheersen", en dus geen verbod om alcohol te gebruiken, en die voorwaarde (aldus) bovendien onvoldoende duidelijk en precies is, nu geenszins duidelijk is wat het hof hier nu precies onder verstaat.”
2.19
Ik onderscheid in deze deelklacht twee argumenten op basis waarvan de door het hof geformuleerde bijzondere voorwaarde niet zou stroken met het bepaalde in artikel 14c lid 2 Sr. Ten eerste dat de wet enkel de mogelijkheid biedt om een voorwaarde te stellen om middelengebruik, waaronder alcohol, te
verbiedenen niet te
beheersen. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het wat mij betreft. Het is juist dat artikel 14c lid 2 onderdeel 9 Sr, de rechter de mogelijkheid biedt om als bijzondere voorwaarde te stellen: “
een verbodop het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek” (mijn cursivering). Dat wil echter niet zeggen dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, naast dit meerdere – een verbod op middelengebruik – het mindere – beheersen van het middelengebruik – als bijzondere voorwaarde te stellen. Artikel 14c lid 2 onderdeel 14 Sr, de zogenoemde ‘gedragsvoorwaarde’, geeft de rechter de mogelijkheid om een bijzondere voorwaarde op te leggen die passend en proportioneel is, ook als die niet (expliciet) in de wet is genoemd. Dat geeft de rechter de flexibiliteit die nodig is om de voorwaarden goed op de persoon van de veroordeelde af te stemmen. [8] Ik zie niet in waarom de hier gestelde voorwaarde daar niet onder zou kunnen vallen. De steller van het middel licht dat ook niet verder toe.
2.2
Ten tweede zou de bestreden bijzondere voorwaarde onvoldoende duidelijk zijn geformuleerd. De steller van het middel laat echter onbenoemd waar de onduidelijkheden nu precies uit bestaan. Hoe het ook zij, ik meen dat geen sprake is van enige mate van onduidelijkheid omtrent de invulling van deze bijzondere voorwaarde, gelet op het volgende. Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2024 heeft de verdachte verklaard: “Ik sta nog steeds onder toezicht van de reclassering en moet mij vooralsnog elke twee weken bij hen melden, onder meer om een blaastest en urineonderzoek te doen. Ook voer ik gesprekken met de reclassering en zou dit graag willen voortzetten.” Daarnaast heeft de verdachte in reactie op de voorzitter “dat er door de politierechter overeenkomstig voornoemd reclasseringsadvies (AG: het advies d.d. 31 oktober 2022) algemene en bijzondere voorwaarden zijn opgelegd” desgevraagd verklaard bereid te zijn zich aan deze voorwaarden te houden indien ook het hof besluit om deze op te leggen. Ik merk op dat het hof op dit punt dezelfde bijzondere voorwaarde als de rechtbank heeft opgelegd en daarbij de wijze heeft gespecificeerd (urineonderzoek en een ademonderzoek in de vorm van een blaastest) waarop het onderzoek kan plaatsvinden waaraan de verdachte dient mee te werken. Ook de derde deelklacht faalt wat mij betreft.
2.21
Daarmee faalt het middel in alle onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel komt – bezien in samenhang met de toelichting – op tegen de beslissing om het vonnis waarvan beroep te bevestigen met betrekking tot de beslissingen van de politierechter omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Geklaagd wordt dat deze beslissing “ontoereikend en/of ontoereikend”– ik neem aan dat de steller van het middel heeft bedoeld, onbegrijpelijk en/of ontoereikend, gemotiveerd is omdat: 1) in hoger beroep ten opzichte van het geding in eerste aanleg een gewijzigde (beperkte) vordering tot schadevergoeding aan de orde was, en 2) de grondslag voor de immateriële schadevergoeding ontbreekt.
3.2
Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, in zoverre opnieuw recht gedaan en het vonnis waarvan beroep voor het overige bevestigd, met aanvulling van gronden. In de onderhavige zaak heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gesteld en een vordering tot schadevergoeding ingediend, die door de politierechter (gedeeltelijk) is toegewezen.
3.3
Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat:
“hij op 22 oktober 2022 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere ernstige breuken in de rugwervels en bloedingen van beide ogen, met bedreigd zicht ten gevolge, heeft toegebracht door:
- die [benadeelde] meerdere malen met kracht te slaan in haar gezicht en hoofd en lichaam en
- die [benadeelde] meerdere malen met kracht te schoppen/trappen en knietjes te geven tegen haar rug en
- die [benadeelde] op te pakken en op de grond te gooien.”
3.4
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij met bijlagen. Deze houdt in voor zover van belang:

4BImmateriële schade (smartengeld)
(…)
Omschrijving immateriële schade
Meerdere wervelfracturen, waarvoor operatie en 20 dagen ziekenhuisopname. Tot op heden arbeidsongeschikt voor het werk in de drogisterij. Nog geen volledig herstel. Tot op heden psychologische behandeling.”
3.5
Verder bevindt zich bij de gedingstukken een geneeskundige verklaring van 20 februari 2023, opgemaakt door [naam 2] , traumachirurg bij het HMC. [9] Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in:

Medische informatie betreffende:
Achternaam: [benadeelde]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1973
[…]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
- zwelling/bloeduitstorting oogkas links
- bloedingen van beide ogen
- bloeduitstorting hand links
- kneuzingen borstkas en buikwand
- pijnlijke rug
[…]
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 22-10-22
E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel ed)
- zeer ernstige breuken wervels -> operatie door neurochirurg
- bedreigd oog/zicht tgv bloeding -> oogarts in consult
- opname 22-10-22 t/m 10-11-22
F. geschatte duur van de genezing
Enkele maanden”
3.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2024 houdt onder meer het volgende in:
“Voorts is namens de benadeelde partij diens advocaat mr. M.P. de Klerk aanwezig.
(…)
De voorzitter houdt de vordering van de benadeelde partij voor.
In reactie hierop deelt de advocaat van de benadeelde partij mede:
(…)
Het betreft een lastige discussie. De schade is hoofdzakelijk fysiek, maar heeft ook een psychische component. Hetgeen de benadeelde partij is overkomen, heeft (ook) tot psychisch ongemak geleid. Op basis van de stukken heeft de politierechter de vordering toegewezen tot een bedrag van € 15.620,00. De politierechter is mijns inziens terughoudend geweest. Een ruimer bedrag zou ook redelijk zijn geweest, maar de benadeelde partij heeft aangegeven dat zij hoopt dat de strafzaak snel ten einde zal komen en dat zij daarom berust in de uitspraak van de politierechter. De vordering zal daarom worden beperkt tot dat bedrag.
De raadsman vraagt of er inmiddels iets bekend is over een eventuele behandeling van de benadeelde partij bij de psycholoog.
De advocaat van de benadeelde partij beantwoordt deze vraag ontkennend.
In reactie hierop houdt de voorzitter voor dat uit een brief van 19 juni 2023 volgt dat er volgens de arts van de benadeelde partij op dit moment psychologische behandeling plaatsvindt door een psycholoog en dat de arts verder geen actuele informatie kan verstrekken.
(…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik ben bereid het door de benadeelde partij gevorderde bedrag volledig te vergoeden.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert daartoe het volgende aan:
(…) Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij refereer ik me aan het oordeel van het hof.”
3.7
Het door het hof deels bevestigde vonnis houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

De vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 38.270,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.635,- aan materiële schade en € 35.635,- aan immateriële schade.
Voor zover de vordering ziet op de post ziekenhuisdaggeldvergoeding, is deze namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 620,00.
De post huishoudelijke hulp is wel gemotiveerd betwist. Verdere behandeling zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij ook immateriële schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde feit. Dit bedrag wordt naar billijkheid vastgesteld op een bedrag ter grootte van € 15.000,00.
Daarmee wijst de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van € 15.620,00 bestaande uit € 620,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade.
De politierechter zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De politierechter zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.620,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] .
(…)
Beslissing
(…)
vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van 15.620,00 euro, bestaande uit 620,00 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade, het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van 15.620,00 euro; te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 113 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.”
De bespreking van het tweede middel
Eerste deelklacht
3.8
Zoals gezegd wordt op de eerste plaats geklaagd dat het hof ten onrechte, althans – zo begrijp ik – onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft beslist tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep met betrekking tot de beslissingen van de politierechter omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het hof uitsluitend nog had te oordelen over de gewijzigde vordering, strekkende tot toewijzing van een bedrag van in totaal €15.620,00,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.9
In eerste aanleg heeft de benadeelde partij zich gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 38.270,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het bedrag bestond uit € 2.635,- aan materiële schade en € 35.635,- aan immateriële schade. De politierechter heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 15.620,00 bestaande uit € 620,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade. Voor het overige deel van de vordering heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is en dat zij dat deel in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
3.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij verklaard dat de vordering zal worden beperkt tot het bedrag waarvoor de politierechter de vordering heeft toegewezen, te weten: €15.620,00, welke wens ook blijkt uit het zich bij de stukken van het geding bevindende wensenformulier d.d. 6 december 2023. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep dus niet opnieuw gevoegd voor het deel van de vordering ten aanzien waarvan zij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard (a.b.i. artikel 421 lid 3 Sv). In die gevallen heeft als uitgangspunt te gelden dat in hoger beroep niet voor een hoger bedrag aan schadevergoeding kan worden toegekend dan in eerste aanleg is toegewezen. [10] Het stond het hof dus vrij om het vonnis van de politierechter wat betreft de hoogte van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding te bevestigen. In zoverre faalt de deelklacht.
3.11
De steller van het middel heeft wel gelijk voor zover wordt geklaagd over de beslissing van het hof omtrent “de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de schadevergoeding en de bepaling dat de benadeelde partij dit deel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.” Gelet op de beperking van de vordering in hoger beroep, lag dit deel van de vordering niet meer voor aan het oordeel van het hof. Ik meen echter dat deze omstandigheid wegens een gebrek aan belang niet tot cassatie hoeft te leiden, nu de benadeelde partij in de onderhavige zaak – ongeacht de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep – voor dat deel van de vordering zich hoe dan ook tot de burgerlijke rechter had kunnen wenden. [11]
3.12
Het middel faalt in zoverre.
Tweede deelklacht
3.13
Op de tweede plaats wordt geklaagd over de toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van immateriële schade. De steller van het middel voert in dat verband aan dat het hof, door het vonnis van de politierechter in zoverre te bevestigen – zijn beslissing over de toewijzing ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd de grondslag (ik begrijp a.b.i. 6:106 BW) voor de vergoeding van de immateriële schade kenbaar te maken.
3.14
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
-
Art. 6:95, eerste lid, BW:
“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”
-
Art. 6:106 BW:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. […];
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. […].”
3.15
Het klopt dat het hof met de bevestiging van het vonnis van de politierechter niet met zoveel woorden heeft aangegeven op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond het de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij heeft gebaseerd. In zoverre heeft de steller van het middel gelijk. Een dergelijke omstandigheid leidt echter niet zonder meer tot cassatie. Zoals A-G Hofstee in zijn conclusie van 19 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:267 reeds overwoog gaat het er namelijk om of “uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij berust.” [12]
3.16
Blijkens het deels bevestigde vonnis en de strafmotivering (weergegeven onder randnummer 2.2) in het arrest heeft het hof vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling door de verdachte zeer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, bestaande uit meerdere ernstige breuken in de rugwervels en bloedingen aan beide ogen, waarbij het zicht van de aangeefster (mogelijk blijvend) in gevaar is gebracht. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de benadeelde partij dusdanig was toegetakeld dat zij direct naar het ziekenhuis moest en dat haar een lange herstelperiode wachtte. Ik verwijs bovendien naar de onder randnummer 3.5 weergegeven geneeskundige verklaring waarin door een traumachirurg is gerelateerd dat bij de benadeelde partij meerdere uitwendige letsels zichtbaar waren, waaronder zwellingen en bloedingen/bloeduitstortingen aan het hoofd en dat sprake was van “ernstige breuken wervels” en “bedreigd oog/zicht”. Hierin ligt m.i. besloten het feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde zware mishandeling door de verdachte letsel heeft bekomen.
3.17
Zo bezien meen ik dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk tot een toewijzing van de vordering tot vergoeding van die immateriële schade is gekomen op de grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, en meer specifiek het eerste daarin genoemde geval “indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen”. [13] Uit de gedingstukken ter onderbouwing van de vordering van de schade komt ook duidelijk naar voren dat dat de benadeelde partij immateriële schade (pijn, fysieke beperkingen en psychisch letsel) heeft geleden door het bewezenverklaarde, terwijl dit door of namens de verdediging niet is betwist. Tot slot neem ik in aanmerking dat het bestreden arrest of enig ander gedingstuk geen enkele aanwijzing bevat waaruit zou moeten blijken dat het hof de toewijzing van de vordering heeft willen stoelen op een andere grond. [14]
3.18
Ook de tweede deelklacht faalt en daarmee faalt het gehele middel.

4.Slotsom

4.1
Beide middelen behoeven mijns inziens niet tot cassatie te leiden en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, in zoverre opnieuw recht gedaan, en het vonnis waarvan beroep voor het overige, met aanvulling van gronden, bevestigd.
2.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
3.HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1542,
4.HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320, r.o. 3.3.1 en HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114,
5.Vgl. thans https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Orientatiepunten-en-afspraken-LOVS.pdf (geraadpleegd op 17 november 2025). Oude versies van de LOVS-oriëntatiepunten zijn op internet slecht te vinden. Raadpleging van een oude bundel leerde mij dat deze tekst in ieder geval ook in 2010 al zo luidde.
6.In art. 14c Sr zijn twee
7.Anders dan bijvoorbeeld in HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1114, omdat het in de onderhavige zaak gaat om de algemene voorwaarde (a.b.i. artikel 14c lid 3 aanhef onder b Sr), die van rechtswege geldt waardoor de invulling dan wel de oplegging ervan niet zo zeer aan het oordeel van het hof is voorbehouden.
8.Vgl.
9.Deze geneeskundige verklaring is deels als bewijsmiddel 6 voor het bewijs gebruikt.
10.Zie J. Hielkema, in:
11.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
12.Vgl. de conclusie van A-G Hofstee van 19 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:267, waarin hij in zijn tweede voetnoot onder meer stelt: “HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956,
13.Vgl. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774,
14.Vgl. HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:645, waarin de Hoge Raad in een redelijk vergelijkbaar geval kwam tot een 81 RO.