Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Strafmotivering
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur
van 8 (acht) maanden.
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van
2 (twee) jarenten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen
1 (één) jaarniet heeft nageleefd.
jeugdigeaan wie een (deels) voorwaardelijke straf is opgelegd. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was en het hof in het kader van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf naast de algemene voorwaarde ook bijzondere voorwaarden heeft gesteld (a.b.i. 14c lid 2 Sr) [6] , had het hof kortgezegd op grond van artikel 14c lid 3 aanhef onder b Sr aan de verdachte de verplichting moeten opleggen om medewerking te verlenen aan de reclassering (a.b.i. 14c lid 6 Sr) in het kader van het toezicht op de naleving van de voorwaarde(n) en het ten behoeve daarvan begeleiden van de veroordeelde.
verbiedenen niet te
beheersen. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het wat mij betreft. Het is juist dat artikel 14c lid 2 onderdeel 9 Sr, de rechter de mogelijkheid biedt om als bijzondere voorwaarde te stellen: “
een verbodop het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek” (mijn cursivering). Dat wil echter niet zeggen dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, naast dit meerdere – een verbod op middelengebruik – het mindere – beheersen van het middelengebruik – als bijzondere voorwaarde te stellen. Artikel 14c lid 2 onderdeel 14 Sr, de zogenoemde ‘gedragsvoorwaarde’, geeft de rechter de mogelijkheid om een bijzondere voorwaarde op te leggen die passend en proportioneel is, ook als die niet (expliciet) in de wet is genoemd. Dat geeft de rechter de flexibiliteit die nodig is om de voorwaarden goed op de persoon van de veroordeelde af te stemmen. [8] Ik zie niet in waarom de hier gestelde voorwaarde daar niet onder zou kunnen vallen. De steller van het middel licht dat ook niet verder toe.
3.Het tweede middel
4BImmateriële schade (smartengeld)
Medische informatie betreffende:
De vordering van de benadeelde partij
Art. 6:95, eerste lid, BW:
Art. 6:106 BW: