ECLI:NL:PHR:2025:1377

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
14 december 2025
Zaaknummer
25/00331
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van conservatoir beslag in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van kansspelen

In deze zaak gaat het om een beklagprocedure naar aanleiding van een conservatoir beslag dat is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachten van het illegaal aanbieden van online kansspelen. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 30 mei 2024 het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard, waarbij de klaagster betoogde dat het beslag in strijd was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De klaagster stelde dat de waarde van de in beslag genomen goederen het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt, en dat er sprake is van overbeslag. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie op 16 december 2025 de argumenten van de klaagster besproken en geconcludeerd dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling. De zaak heeft samenhang met meerdere andere zaken die ook betrekking hebben op het onderzoek naar de verdachten van het illegaal aanbieden van kansspelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00331 B
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/019878), heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00332, 25/00333, 25/00334 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en G.J.M.E. de Bont, M. Prins en C.J.M. Perraud, allen advocaat in Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Alle middelen hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het eerste, tweede en derde middel komen erop neer dat de rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Het vierde en vijfde middel komen erop neer dat de rechtbank voornoemd oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.

2.De zaak in het kort

2.1
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten, [klaagster] , [medeklager 1] (25/00320) (aandeelhouder van [klaagster] ), [medeklager 4] (25/00321), [medeklager 5] (25/00332) (aandeelhouder van [medeklager 4] ), [medeklager 6] (25/00322), [medeklager 7] (25/00330) (aandeelhouder van [medeklager 6] ) en [medeklager 8] (25/00335) (partner van [medeklager 7] ), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is op 16 juni en 15 september 2021 conservatoir beslag gelegd op een groot aantal – zich (in het onderhavige geval) in Nederland, Zwitserland, Luxemburg en Malta bevindende – roerende en onroerende zaken, waaronder: woningen, vaar- en voertuigen, effectenportefeuilles, bankrekeningen, edelmetalen en een geldvordering.
2.2
Namens de klaagster is, na zich herhaaldelijk en tevergeefs tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 2 augustus 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klaagster neer op bijna 24 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 10 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat van overbeslag geen sprake is. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
3.
Het klaagschrift, het standpunt van het OM, het proces-verbaal van de raadkamer en de bestreden beschikking
3.1
Het klaagschrift – dat voor [klaagster] en [medeklager 1] gelijkluidend is – komt er in de kern op neer dat sprake is van € 23.887.374,- aan ‘overbeslag’. Op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 57.034.233,- dient volgens de klaagster immers nog i) een betaling aan de (Nederlandse) Belastingdienst ter hoogte van € 12.871.574,- in mindering te worden gebracht alsook ii) de omzet van spelers uit het buitenland ter hoogte van (minimaal) € 830.249,-, terwijl de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen volgens de klaagster op € 67.219.784,- moet worden geschat [1] . Ten behoeve van dat laatste heeft de klager overzichten overgelegd van (de saldi van) de beslagen bank- en effectenrekeningen.
3.2
Meer specifiek houdt het klaagschrift – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

1.0. Feiten - algemeen
(…)
1.3.
De volgende onroerende zaken, voertuigen, effectenrekeningen, bankrekeningen en andere bezittingen zijn thans conservatoir beslagen:
1.3.1.
Onroerende zaken:
De woning gelegen aan [a-straat] te [plaats]
De woning gelegen aan [b-straat] te [plaats]
De woning gelegen aan [c-straat] te [plaats]
Een havenplaats gelegen aan [d-straat] te [plaats]
1.3.2.
Voertuigen:
Mercedes Benz Sprinter 314 CDI
BMW X1 XDrive
BMW 220d XDrive
Saffier SE 26 (boot)
1.3.3.
Effectenportefeuilles:
Effectenportefeuille bij Julius Bär GH ( [effectenrekening 1] )
Effectenportefeuille bij Julius Bär CH ( [effectenrekening 2] )
Effectenportefeuille bij BNP Luxemburg ( [effectenrekening 3] )
Effectenportefeuille bij Sparkasse Malta ( [effectenrekening 4] )
Effectenportefeuille bij Credit Suisse CH ( [effectenrekening 5] )
Effectenportefeuille bij BNP LU ( [effectenrekening 6] )
Effectenportefeuille bij Sparkasse MT ( [effectenrekening 7] )
Effectenportefeuille bij Van Lanschot CH ( [effectenrekening 8] )
1.3.4.
Bankrekeningen:
Cler ( [effectenrekening 9] )
Rabobank ( [rekeningnummer] )
1.3.5.
Overige zaken:
Edelmetalen
Lening CG
1.4.
Als bijlage bij dit klaagschrift gaat een overzicht van de waarden en saldi van voornoemde zaken (
bijlage 1) alsmede bankoverzichten waaruit voornoemde waarden en saldi blijken (
bijlage 2).
(…)
4.0.
Overbeslag
4.1.
Het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel zou volgens de FIOD voor [medeklager 1] € 57.034.233 bedragen. Uit de als bijlage 1 opgenomen documenten volgt dat het OM beslag heeft gelegd op vermogen met een waarde van in totaal € 67.219.784. Het beslag op het vermogen van [medeklager 1] overtreft het door de FIOD berekend vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel dus met een bedrag van € 10.185.551. Mitsdien dient op z’n minst voornoemd bedrag te worden vrijgegeven uit het beslag.
4.2.
Voorts heeft [medeklager 1] een bedrag ad € 12.871.574 aan de Nederlandse Belastingdienst betaald. Dit bedrag kan niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt, gegeven het feit dat dit niet meer tot het vermogen van [medeklager 1] behoort maar aan de Belastingdienst is toegekomen.
4.3.
Van de zijde van het openbaar ministerie is opgemerkt dat het percentage spelers uit het buitenland niet hoger zou zijn dan 3,08%. Ten aanzien van dat percentage mag dan gevoeglijk worden aangenomen dat het openbaar ministerie daarvan eveneens van oordeel is dat dit niet is verkregen als gevolg van een schending van de WOK. Dat rechtvaardigt een verdere verlaging van het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeklager 1] ad € 830.249.
4.4.
In het kader van het vorenstaande kan het overbeslag als volgt worden berekend:
Vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel 57.034.233
Af: betaling aan de Nederlandse Belastingdienst 12.871.574
Af: omzet uit het buitenland
830.249
43.332.410
Beslagen vermogen
67.219.784
Overbeslag
23.887.374
4.5.
Naast het feit dat sprake is van een aanzienlijk bedrag aan overbeslag, dient naar onze stellige overtuiging ook acht te worden geslagen op de rol van de overheid bij onder meer het beleid rondom online kansspelen alsook de beslissingen die zijn genomen in de zaak Milwaukee, welke een verdere matiging van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel rechtvaardigen.
4.6.
In dat licht verwijzen wij naar het Checkpoint-arrest van 25 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:67), waarin de Hoge Raad als volgt heeft geoordeeld:
"3.4.1 Op grond van de vierde volzin van artikel 36e lid 5 Sr "kan" de rechter de betalingsverplichting van de betrokkene lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Deze bevoegdheid van de rechter om de betalingsverplichting te matigen is niet beperkt tot specifieke gevallen. Ook op grond van andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van de betrokkene, kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. (Vgl. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860 en HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.)
3.4.2
Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden om te beslissen welke omstandigheden van belang zijn te achten voor de beslissing of de betalingsverplichting wordt gematigd en, zo ja, met welk bedrag die matiging plaatsvindt.
3.5.1
Het hof heeft blijkens de onder 3.2 weergegeven overwegingen bij zijn beslissing de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel, enerzijds rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, de rol die de overheid in dat verband heeft vervuld, en de mate waarin de overheid ten gevolge van de exploitatie van de coffeeshop inkomsten heeft genoten, terwijl het hof anderzijds het maatschappelijk niet aanvaardbaar acht dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden.
3.5.2
Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof daartoe in aanmerking genomen omstandigheden niet kunnen leiden tot matiging van de betalingsverplichting, faalt het gelet op wat onder 3.4 is vooropgesteld over de vrijheid van de ontnemingsrechter. De beslissing van het hof de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel is daarnaast niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het cassatiemiddel."
3.3
In zijn schriftelijke reactie op dit klaagschrift stelt het openbaar ministerie voorop dat de informatie die het nodig heeft “voor een inzicht in hetgeen allemaal beslagen is” door een lopende geheimhouderprocedure (nog altijd) voor een belangrijk deel ontbreekt. Daar waar het wel informatie heeft over de omvang van het beslag komt deze niet overeen met de door de verdediging genoemde waardes. Dat sprake is van overbeslag betwist het openbaar ministerie “ten zeerste”, mede omdat in de berekening van de FIOD nog geen rekening is gehouden met vervolgprofijt. Bovendien dient het door de klaagster genoemde belastinggeld niet van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel te worden afgetrokken; mogelijk dient dat bedrag daar zelfs bij te worden opgeteld. Ten aanzien van de omzet die volgens de klaagster uit het buitenland afkomstig zou zijn merkt het openbaar ministerie op dat het percentage dat de klaagster in haar berekening heeft gebruikt nog niet door de opsporing is geverifieerd en dat zich nog “allerlei omstandigheden kunnen voordoen waardoor het percentage dient te worden bijgesteld.” Er zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn van Nederlandse spelers die de beschikking hebben over een buitenlandse bankrekening.
3.4
Meer specifiek houdt de schriftelijke reactie van het openbaar ministerie – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

Ter inleiding:
(…)
Vooropgesteld zij helaas - het is niets nieuws voor Uw Rechtbank - dat het OM nog niet (volledig) beschikt over de documenten, uitvoeringsstukken etcetera die betrekking hebben op de beslagen waar de klaagschriften op zien.
De geheimhouderprocedure is nog altijd niet afgerond. Met Uw Rechtbank is eerder per mail van 30 maart 2022 (14.47 uur) afgestemd dat de behandeling van deze klaagschriften zou worden aangehouden tot het moment dat het onderzoeksteam de beschikking heeft over alle stukken en de rechter-commissaris dat aangeeft, waarna het OM heeft toegezegd binnen één maand een inhoudelijk standpunt te kunnen formuleren. Kennelijk is dat standpunt verlaten. De situatie is echter onveranderd, op basis van de tot op heden ter beschikking gestelde informatie hebben we slechts beperkt inhoudelijke kennis van de gelegde beslagen.
De stand van zaken is dus nog steeds dat wij de verzoeken van de verdediging om opheffing van de beslagen en de stellingen die zij dienaangaande betrekken niet steeds kunnen beoordelen, nu de onderliggende informatie en documenten veelal ontbreken. We hebben nog géén zicht op de geldstromen in Zwitserland, België, Malta en Luxemburg, op wat er exact in beslag is genomen en ten laste van wie en waarom.
De verdediging heeft weliswaar een overzicht gegeven en bedragen genoemd, maar het mag duidelijk zijn dat het OM op basis van die informatie geen beslissingen neemt.
Het klaagschrift heeft (vermoedelijk) betrekking op beslag gelegd in Nederland, Zwitserland, Luxemburg en Malta.
Nederland
Het OM heeft bij de Landelijke Beslagautoriteit opgevraagd wat momenteel bij de Nederlandse autoriteiten bekend is over het (Nederlandse) beslag. Zie voor het bestand
bijlage 1.
Zwitserland
Met betrekking tot het in Zwitserland gelegde beslag, berichten we u dat helaas de situatie nog steeds onveranderd is ten opzichte van de vorige raadkamer in dit onderzoek, dat was in januari 2024.
Kort en goed is het
fysieke beslagvermoedelijk wel grotendeels overgebracht naar Nederland, de geheimhoudertoets is echter nog niet afgerond. Het onderzoeksteam heeft in elk geval nog veel stukken niet, en onduidelijk vanzelfsprekend is wat er nog komt aan fysiek beslag omdat we geen overzicht mogen hebben van hetgeen er allemaal is. Immers ook dat zou geheimhouderinformatie kunnen bevatten. Wij, het onderzoeksteam en het OM, zijn afhankelijk van wat de rechtercommissaris uit hoofde van de geheimhouderprocedure besluit en vrijgeeft.
We tekenen daarbij aan dat we merken dat de verdediging ook een behoorlijk aantal klaagschriften indient tegen de beslissingen van de rechter-commissaris in het kader van de geheimhouderprocedure. Dat betekent een verdere vertraging in de vrijgave van de stukken.
Het
digitale beslag, hierover is op 24 januari jl. een regiezitting geweest bij de rechters-commissaris. Het doel was, wat het OM betreft althans, om afspraken te maken over de overbrenging van het beslag vanuit Zwitserland naar Nederland en om de rechters-commissaris hierbij te betrekken. Bijgevoegde briefwisseling ontvingen we in afschrift (
bijlage 2). Het mag duidelijk zijn dat zolang de verdediging om garanties vraagt van de rechter-commissaris, die de rechter-commissaris niet kan geven, ook dit traject stagneert. Met andere woorden, dit laat nog even op zich wachten en de uitkomst is ongewis.
Desalniettemin bestaat er door contacten tussen het Nederlandse en het Zwitserse OM in juli 2021, en maart en mei 2023 een globaal (maar incompleet) beeld van de beslagleggingen in Zwitserland.
Luxemburg
Vanuit Luxemburg hebben we wel wat stukken ontvangen. Daaruit kunnen we opmaken welke beslagen zijn gelegd, voor wie en op welke rekeningen. Een geldstroom kunnen we echter nog niet genereren nu de digitale bankgegevens nog niet zijn ontvangen.
Malta
Vanuit Malta hebben we wel wat stukken ontvangen. Daaruit kunnen we opmaken welke beslagen zijn gelegd, voor wie en op welke rekeningen. Een geldstroom kunnen we echter nog niet genereren nu de digitale bankgegevens nog niet zijn ontvangen.
Standpunt OM

1.Primair: niet-ontvankelijk

In een poging om een en ander wat inzichtelijker te maken hebben we naar aanleiding van het klaagschrift het volgende schema opgesteld:
Onb = onbekend
Ten aanzien van de effectenrekeningen (in Zwitserland, Luxemburg en Malta) geldt dat de vermelde rekeningnummers en de vermelde beslagen bedragen van de verdediging niet overeenstemmen met de summiere informatie die wij tot nu toe uit die landen hebben verkregen.
Tevens blijkt uit de gegevens uit Zwitserland, Luxemburg en Malta dat er telkens sprake is van zowel EUR- als CHF en USD-rekeningen (en bij een enkele rekening zelfs nog veel meer buitenlandse valuta). Dat zie ik in het overzicht van de verdediging, waarin enkel van euro's wordt gesproken, niet terug. Dit maakt het overzicht voor wat betreft de waarden voor het OM niet begrijpelijk, althans ondoorzichtig.
Als voorbeeld een bericht vanuit Zwitserland:
[medeklager 1]
Avoirs bancaires détenus par [medeklager 1]
CHF 288′205.20
EUR 254′724.14
USD 97′208.68
Avoirs bancaires dont [medeklager 1] est l’ayant droit économique :
CHF 6′220′043.40
EUR 5′852′944.69
USD 4′931.22
Uit het schema volgt dat het OM zich op het standpunt stelt dat:
(…)
- Blijkens het schema (en de informatie uit Zwitserland, Luxemburg en Malta) verschilt het OM geregeld van mening over de waarde van de beslagen zaken of goederen, daar waar zij wel informatie heeft over de omvang van het beslagene. Er kan derhalve niet zonder meer uitgegaan worden van de opsomming van de verdediging.
Wellicht ten overvloede merkt het OM op dat de discussie over de waarde van bepaalde goederen thuishoort in een eventuele executieprocedure bij het CJIB. Die hoeft in deze procedure niet te worden gevoerd.
- Daar waar we vraagtekens in het schema hebben staan, hebben we geen informatie en om die reden niet in staat een standpunt te formuleren.
(…)
2.4
Overig
Klagers stellen dat er sprake is van overbeslag. Het OM betwist dat ten zeerste. De verdediging gaat steeds voorbij aan het feit dat er sprake is van vervolgprofijt. In het aanvraagproces-verbaal voor het SFO (zie
bijlage 4)is het WVV vooralsnog begroot op ruim
€ 57.000.000.Nadrukkelijk wordt daarna nog vermeld:
"Dit bedrag kan mogelijk hoger zijn als gevolg van vervolgprofijt in de vorm van positief rendement.”
Al het beslag dat is gelegd, stemt overeen met de strafbare feiten en de criminele verdiensten voortvloeiend daaruit, ook het vervolgprofijt daaronder begrepen. Verwezen zij ook naar hetgeen hiervoor onder 2.3 is opgemerkt. Daarbij geldt dat de verdiensten van de verdachten aanzienlijk waren, renderen en daarmee inmiddels ook vervolgprofijt hebben gegenereerd. Ook daarop leggen we beslag. Naar dit vervolgprofijt is, vanwege het nog steeds ontbreken van de gegevens, nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Vooralsnog zijn er voldoende aanwijzingen dat er sprake is geweest van een substantieel vervolgprofijt. Uit de jaarrekeningen van [klaagster] uit de jaren 2013 t/m 2018 blijkt namelijk van gerealiseerde winsten uit verkoop van aandelen en bonds, dividendinkomsten uit aandelen en bonds en interest op leningen. Dat zal dus nog boven op de 57 miljoen euro komen. Van overbeslag is dus geen sprake.
Overigens, zo er al sprake zou zijn van overbeslag, geldt dat verdachten zelf hebben gesteld dat sommige verdachte vennootschappen failliet dreigen te gaan. Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt het OM zich op het standpunt dat niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat dan het voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering, ook rekening houdend met eventuele faillissementen en meerdere schuldeisers.
Dat dit laatste, meerdere schuldeisers, niet denkbeeldig is blijkt uit het feit dat wij zeer recent, 9 april jl. een informatieverzoek ontvingen van een curator/vereffenaar uit Curaçao. Bij dit verzoek is gevoegd een beschikking van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 19 maart 2024 tot heropening van de vereffening van meerdere van onze verdachte rechtspersonen. Dit verzoek is gedaan door de Nederlandse Belastingdienst/Staat der Nederlanden voor een vermeende belastingaanslag/naheffing voor € 100.000.000,-. Dit zou dan betreffen: VpB, dividend-belasting, OB en kansspelbelasting. Hoe een en ander zich verhoudt tot onze berekening van het WW dient nog nader te worden bekeken.
Tot slot stellen klagers dat er sprake is van strijd met subsidiariteit en proportionaliteit.
Eerder heeft het OM al aangegeven dat het uit coulance en geheel onverplicht aan [medeklager 1] reeds eenmalig een bedrag van €75.000,- heeft vrijgegeven. Nu er naar het oordeel geen sprake is van overbeslag is de vraag van proportionaliteit en subsidiariteit (in beginsel) niet aan de orde.
3% omzet uit het op buitenland
Het OM merkt op dat de vermeende 3% omzet die uit het buitenland afkomstig zou zijn herleid is uit gegevens van de verdediging zelf. Deze is nog niet door de opsporing geverifieerd kunnen worden. Dit is wel noodzakelijk, nu er zich allerlei omstandigheden kunnen voordoen waardoor het percentage dient te worden bijgesteld. Zo kan er sprake zijn van Nederlandse spelers die de beschikking hebben over een buitenlandse bankrekening.
Daarnaast zal de FIOD en het OM zich nog beraden op de vermengingsleer van legale en illegale inkomsten. Dit kan er toe leiden dat we geen rekening kunnen en willen houden met een (overigens zeer miniem) deel eventuele legale inkomsten. We zouden op de muziek vooruit lopen indien we hier nu al rekening mee zouden houden door beslag terug te geven.
Betaalde inkomstenbelasting
Het OM begrijpt van de FIOD dat er sprake is van een fiscale procedure, maar dat die nog niet onherroepelijk is. Daarnaast is het OM niet bekend wie nu precies welke belastingaanslagen heeft ontvangen en voor welke jaren. In tegenstelling tot de verdediging, die de opgelegde belastingen aftrekt van het tot op heden berekende WVV, is het OM die mening niet toegedaan. Nu het WVV is berekend op de beschikbare gelden van de diverse betrokkene zou het zelfs aan de orde kunnen zijn dat een eventueel reeds betaalde belastingaanslag zelfs bij het WVV dient te worden opgeteld. Vooralsnog lijkt er bijna 13 miljoen aan de Belastingdienst te zijn betaald vóórdat er beslag is gelegd in juni 2021 en na de verkoop aan [betrokkene 1] in maart 2014. Dit brengt met zich mee dat dit bedrag na de verkoop in het vermogen van [medeklager 1] / [klaagster] terecht is gekomen en om die reden bij het WVV geteld kan worden als vervolgprofijt. Niet gebleken is tot dusverre dat [medeklager 1] / [klaagster] andere (legale) inkomstenbronnen hebben gehad voor dergelijke bedragen.
Daarnaast heeft de Hoge Raad zich in het verleden uitgesproken over (niet) verrekenen van belastingen met een ontneming:
HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947,
NJ 1998/499. In dat arrest overwoog Hoge Raad het volgende:
"(...) het fiscale mechanisme dat, voorzover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voorzover dat voordeel weer wordt ontnomen, [leidt] naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing."
En in het arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429 concludeerde de Hoge Raad vervolgens:
"Dit betekent dat de rechter die oordeelt in de ontnemingsprocedure bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag geen rekening dient te houden met de belastingheffing ovér het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel."
Dit oordeel is later nog genuanceerd naar specifieke soorten belastingen, maar verdient goede bestudering voordat daar conclusies over getrokken kunnen worden. Het is dus verre van opportuun nu een verrekening toe te passen zoals door de verdediging voorgesteld.”
3.5
Blijkens het proces-verbaal van de raadkamer van 19 april 2024 hebben de raadslieden van de klaagster aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. In die pleitnota wordt verder voortgebouwd op het in het klaagschrift ingenomen standpunt dat op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht i) een betaling aan de (Nederlandse) Belastingdienst en ii) de omzet van spelers uit het buitenland. Benadrukt wordt dat de klaagster bij haar berekening van de omzet van spelers uit het buitenland is uitgegaan van het percentage dat door de FIOD zelf is genoemd en dat dit percentage vermoedelijk nog hoger zal uitvallen, omdat daarbij nog geen rekening is gehouden met Nederlandse spelers die – bijvoorbeeld tijdens een vakantie of zakenreis – vanuit het buitenland aan de kansspelen deelnamen. Verder is het standpunt van het openbaar ministerie dat de betaalde inkomstenbelasting mogelijk bij het wederrechtelijk verkregen opgeteld moet worden volgens de klaagster, daartoe verwijzend naar rechtspraak van de Hoge Raad, onhoudbaar.
3.6
Meer specifiek houdt de pleitnota – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

2.0. Verlaging becijfering wederrechtelijk verkregen voordeel: Percentage spelers die zich niet in Nederland bevonden.
2.1.
Volgens het Openbaar Ministerie zijn alle beslagen gelden uit misdrijf afkomstig en is het meerdere zonder meer vervolgprofijt. In de klaagschriften is uiteengezet dat het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben geverbaliseerd over het percentage spelers uit het buitenland dat niet hoger zou zijn dan 3,08%. Dit betreft geen standpunt van de verdediging, maar hetgeen door de FIOD is geverbaliseerd. Vastgesteld kan worden dat het openbaar Ministerie meent dat de omzet en het resterende resultaat voor 3,08% niet voortvloeit uit het aanbieden van kansspelen aan Nederlandse spelers.
2.2.
Een duidelijke parallel kan worden getrokken met een zaak van het Gerechtshof ‘sHertogenbosch van 15 april 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0903) waarin een vennootschap in Hongarije binnen een vennootschapsstructuur zogenoemde 'technisch eiproducten’ "omkatte" tot humaan eiproducten. Daarbij ging het Hof ervanuit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel was opgekomen binnen de vennootschap [bedrijf 10] en ging het Hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de transacties die via [bedrijf 10] zijn gelopen. Het voordeel werd, aangezien de exacte administratieve gegevens ontbreken ten aanzien van de inkoop en verkoop van de eiproducten, vastgesteld op basis van de door [bedrijf 10] aan [bedrijf 3] uitgekeerde dividenden. Het Hof overdeelt als volgt:
"Zoals hiervoor onder D1.3 is overwogen gaat het hof uit van een percentage van 96,97% van de totale hoeveelheid ingekocht eiproduct waarmee gefraudeerd is. Het gedeelte van het dividend dat als wederrechtelijk genoten voordeel wordt aangemerkt, wordt op grond daarvan eveneens op een percentage Van 96,97% bepaald.''
2.3.
Uitgaande van 3,08% die niet wederrechtelijk is, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004, productie 1) werd verdiend met de online casino's te weten op euro's afgerond € 57.034.233 zou een bedrag van € 1.756.654 in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen.
2.4.
Dit bedrag heeft vervolgens geleid tot een rendement. Uit de producties bij het klaagschrift blijkt dat een bedrag van € 67.146.873 werd geraakt door het beslag. Gerekend vanaf het verkregen bedrag van € 57.034.233 is het totale rendement dan € 10.112.640 zijn. Daar dan 3,08% van is € 311.469.
2.5.
Indien met het Openbaar Ministerie zou worden aangenomen dat slechts 3,08% is verdiend met het aanbod van spellen aan spelers buiten Nederland, zou in ieder geval een bedrag van
€ 2.068.123als niet wederrechtelijk te worden aangemerkt en dient het: beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van [medeklager 1] .
2.6.
Het is echter een feit dat de opbrengst van spelers die hébben ingezet van buiten Nederland veel groter is geweest dan 3,08%.
2.7.
Overigens is het percentage "Nederland" in de tabel gebaseerd op het adres dat de speler bij registratie heeft opgegeven. Dat betekent een overschatting ten opzichte van deelname aan een kansspel vanuit Nederland, omdat wanneer deze spelers voor korte of langere tijd in het buitenland verbleven (voor vakantie of werk, op een hotelkamer, een luchthaven) en dan een storting deden deze ook aan Nederland wordt toegerekend. Terwijl er dan geen sprake was van deelname aan een kansspel vanuit Nederland.
2.8.
In de Nadere Memorie van Antwoord bij de Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Eerste Kamer, 2007 2008, 30 583, E, pagina 2) staat:
"De Wet op de kansspelen laat wel toe dat Nederlandse belastingplichtigen vanuit het buitenland, bijvoorbeeld wanneer zij daar met vakantie zijn of verblijven, (via internet) deelnemen aan kansspelen. Dergelijke buitenlandse internetkansspelen kunnen als toelaatbaar worden aangemerkt."
2.9.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch overwoog in zijn uitspraak van 11 maart 2024 (zaak Rykiel):
"Hoewel niet met zoveel woorden vervat in de delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling."
2.10.
Er kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de omzet die afkomstig is van spelers in het buitenland niet als wederrechtelijk kan worden aangemerkt.
2.11.
Het gemiddeld aantal vakantiedagen per inwoner van Nederland (15 jaar en ouder) dat werd doorgebracht in het buitenland was 14,6 dagen per jaar (2007-2014):
• 2007 13,9
• 2008 15,1
• 2009 14,6
• 2010 14,8
• 2011 14,9
• 2012 14,8
• 2013 14,4
• 2014 14,4
2.12
Dat betekent dat inwoners van Nederland (15 jaar en ouder) gemiddeld 4% van de dagen doorbrachten in het buitenland voor vakantie (2007-2014).
2.13.
In 2019 maakten Nederlanders in totaal 3,7 miljoen zakelijke vliegreizen en de gemiddelde verblijfsduur was 3,9 dagen. Het gemiddeld aantal verblijfsdagen voor zakenreizen per vliegtuig was daarmee 1,0 per inwoner van Nederland (18 jaar en ouder).
2.14.
Dat betekent dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 0,28% van de 365 dagen doorbrachten in het buitenland voor zakenreizen (2019). Dat is dus exclusief zakenreizen per auto of trein.
2.15.
Opgeteld betekent dat dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 4,28% van de dagen doorbrachten buiten Nederland.
2.16.
De ervaring leert dat spelers tijdens verblijf in het buitenland niet minder spelen dan thuis. In tegendeel, tijdens verblijf in hotel of op een luchthaven zijn kansspelen een populair tijdverdrijf (dit blijkt ook uit de vele casino’s in hét buitenland op dergelijke locaties).
2.17.
Het is dus een veilige conclusie dat 4,28% van 96,92% = nog eens 4,15% niet aan Nederland toe te rekenen valt. Dus in plaats van 96,92% is het nauwkeuriger om uit te gaan van 96,92% - 4,15% = 92,77%. Een percentage Van 7,23% is niet aan omzet van Nederlandse spelers toe te rekenen.
2.18.
In verband met het beslag zou dat er toe leiden dat een bedrag van 7,23% niet Wederrechtelijk is verkregen, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004, productie 1) werd verdiend met de online casino's te weten op euro's afgerond € 57.034.233 zou een bedrag van € 4.123.575 in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen.
2.19.
Dit bedrag heeft vervolgens geleid tot een rendement. Het percentage van 7,23% van het totale rendement van € 10.112.640 leidt tot een bedrag van € 731.143.
2.20.
Nu aannemelijk is dat het percentage spelers in het buitenland 7,23% is, zou in ieder geval een bedrag van
€ 4.854.718als niet wederrechtelijk moeten worden aangemerkt en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van [medeklager 1] .
2.21.
Vanaf 28 maart 2012 was oranjecasino.com niet meer te bezoeken in België. De Belgische cijfers na die tijd, te weten de 3,08%, zijn dus niet vergelijkbaar met de periode daarvoor. Ook voor [Casino 1] zijn de cijfers over 2013 fors lager dan in voorgaande jaren, omdat daar geen Belgische spelers geaccepteerd werden tijdens de vergunningsaanvraag in België, die een groot deel van 2013 liep.
2.22.
In aangehechte e-mail (productie 2) aan de bestuurder van [Casino 1] en [Casino 2] , de [betrokkene 2] , zijn percentages opgenomen over een eerdere periode, namelijk 1 januari 2012 tot en met 28 maart 2012. Toen was het aandeel in het totaalbedrag deposits NL/BE/RoW (Overige landen):
• bij [Casino 2] : 91,6%/6,2%/2,2% (dus 8,4% buiten NL)
• bij [Casino 1] : 88,9%/7,9%/3,2% (dus 11,1% buiten NL)
dat kwam neer op in totaal 9,75% buiten Nederland.
2.23.
Indien we uitgaan van de cijfers uit 2012 (9,75% buiten Nederland, dus 90,25% Nederland), dan is het 4,28% van 90,25% = 3,86%. Dat komt dan dus neer op 90,25% - 3,86% = 86,39% Nederland in het eerste kwartaal van 2012.
2.24.
Op basis van de hiervoor benutte rekenmethodiek zou dan 13,61% van € 57.034.233 (verkregen voordeel) en € 10.112.640 (rendement) als niet wederrechtelijk dienen te worden aangemerkt. Dat betreft dan € 9.138.689.
3.0.
Betaalde inkomstenbelasting
3.1.
Opvallend is allereerst dat naar aanleiding van iedere stelling Van de verdediging waaruit nadrukkelijk volgt dat het OM te veel heeft beslagen, zelfs als die stellingen worden gedocumenteerd en onderbouwd met stukken zoals bankoverzichten, de respons van het OM is dat hierover geen standpunt kan worden ingenomen omdat het OM niet over stukken beschikt. Anderzijds kan het OM zonder diezelfde stukken heel stellig concluderen dat ten aanzien van het overbeslag hoe dan ook sprake is van vervolgprofijt. Wat daar ook van zij, naar aanleiding van hetgeen in het verweerschrift is aangevoerd ten aanzien van de betaalde inkomstenbelasting door [medeklager 1] , brengen wij graag het volgende naar voren.
3.2.
[medeklager 1] heeft een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting voldaan over het belastingjaar 2009. Die aanslag is onherroepelijk. Het betaalde bedrag ‘zit’ reeds in door de FIOD becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel. Het standpunt van het OM dat het bedrag wellicht zelfs bij het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten worden opgeteld is onhoudbaar.
3.3.
Het OM gaat namelijk geheel voorbij aan het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het fiscale mechanisme — dat meebrengt dat de rechter bij de bepaling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag in beginsel geen rekening houdt met de belastingheffing — berust op de veronderstelling dat het bedrag dat de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ook bij die betrokkene in de belastingheffing is, of kan worden, betrokken.
3.4.
In het onderhavige geval is echter sprake van betaalde inkomstenbelasting door [medeklager 1] . Het OM heeft het gehele vermogen van [klaagster] beslagen en zal daar, nadat een rechter zich hierover heeft uitgelaten, op het niveau van de vennootschap mogelijk gaan ontnemen. In een dergelijk geval is een situatie zoals in het arrest van 12 januari 2021 aan de orde.”
3.7
Het proces-verbaal van de raadkamer houdt verder nog het volgende in:

De officieren van justitie:
Desgevraagd door de voorzitter geef ik aan dat daar waar het Openbaar Ministerie stelt geen stukken te hebben dit gaat over inbeslagnames in Zwitserland.
Desgevraagd geef ik aan dat ik nog niet kan zeggen of er onderdelen zijn waar wij ons kunnen vinden in de gestelde waardes van de verdediging.
(…)
Ik heb soms het idee dat er sprake is van totaal andere belevingswerelden. Het Openbaar Ministerie wil ontzettend graag door met de zaak, maar wij kunnen en mogen geen enkele bemoeienis hebben met de geheimhoudersprocedure. Met de FIOD is de afspraak gemaakt dat zodra de geheimhoudersprocedure is afgerond er binnen enkele maanden een eindproces-verbaal klaar zal zijn. Het Openbaar Ministerie wil graag de discussie met de verdachten voeren en is bereid om creatieve maatregelen te nemen om het proces te versnellen. Hierom was ook het voorstel gedaan om FIODmedewerkers naar Zwitserland te sturen, maar dit heeft jammer genoeg niet mogen plaatsvinden.”
3.8
De bestreden beschikking houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

De standpunten.
Het standpunt van klagers.
(…)
Inhoudelijk is verzocht het beklag gegrond te verklaren, omdat het voortduren van het conservatoir gelegde beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu (zakelijk weergeven):
- er sprake is van ‘overbeslag’, gelet op het bedrag aan vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dit is berekend door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de waarde van het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag;
(…)
Het standpunt van het Openbaar Ministerie (zakelijk weergegeven).
(…)
Subsidiair dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘overbeslag’ omdat de verdediging er aan voorbij gaat dat er sprake is van ‘vervolgprofijt’ en dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De beoordeling.
(…)
Het ‘overbeslag’.
Allereerst voeren klagers aan dat sprake is van overbeslag. Klagers stellen daarbij de waarde van het beslag op ongeveer € 67 miljoen, tegenover het vooralsnog door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van circa € 57 miljoen. Van laatstgenoemd bedrag zou nog een bedrag van circa € 22 miljoen moeten worden afgetrokken in verband met (legaal) behaalde omzet uit het buitenland en door klager [medeklager 1] betaalde inkomstenbelasting. Volgens klagers is het beslag in zoverre in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat het - vanwege de nog lopende procedure met betrekking tot de geheimhouderstukken - op dit moment niet beschikt over de stukken uit Zwitserland, Luxemburg en Malta en daarom de hoogte van het beslag niet zelf kan vaststellen. Het Openbaar Ministerie kan niet uitgaan van de waarde die de verdediging toekent aan het beslag omdat het dit niet kan controleren. Daarnaast is in het door de FIOD voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog geen rekening gehouden met vervolgprofijt. Gelet op de grote bedragen die zijn verdiend, kan dit vervolgprofijt aanzienlijk zijn. De verwachting is daarom dat het uiteindelijk te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel een stuk hoger uit gaat komen.
Zoals hierboven reeds is vermeld, draagt de beoordeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd inhoudelijk in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. De rechtbank stelt allereerst vast dat ook zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd zijn onvoldoende om deze vaststelling te kunnen doen.
Ten aanzien van klagers bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij ook sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’.
De afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken zou in feite neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Een dergelijke afweging zou naar het oordeel van de rechtbank te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak en gaat het beoordelingskader van deze procedure te buiten. De rechtbank kan en zal in deze procedure daarom niet inhoudelijk reageren op de door de verdediging voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit geldt eveneens voor het beantwoorden van de vraag of en zo ja op welke wijze de door klager [medeklager 1] betaalde inkomstenbelasting relevant is voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat sprake is van overbeslag, zoals door de verdediging is gesteld. In zoverre is de rechtbank daarom van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

4.Het eerste tot en met het derde middel

4.1
Als gezegd klagen het eerste tot en met het derde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
4.2
Het eerste middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “zij niet beschikt over de stukken die nodig [zijn] om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag” en dat “de stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd onvoldoende [zijn] om deze vaststelling te kunnen doen”. Het tweede middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “de afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken in feite [zou] neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel”. Het derde middel richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat zij “niet [kan] vaststellen dat sprake is van overbeslag” en dat zij “in zoverre (…) van oordeel [is] dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijk bespreking.
Het juridisch kader
4.3
Het gaat in deze zaak om de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen aan de motivering van zijn beslissing moeten worden gesteld. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.
4.4
De Hoge Raad is op deze vraag ingegaan in zijn arrest van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. Daarin overwoog de Hoge Raad onder andere het volgende:

Proportionaliteit en subsidiariteit
2.4.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2-3.3.3.)
2.4.5
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.”
4.5
De omstandigheid dat door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en) kan dus maken dat de rechter gehouden is blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vraag of een dergelijke motiveringsplicht is ontstaan, en zo ja, welke eisen aan de motivering moeten worden gesteld, is volgens de Hoge Raad, naast het tijdsverloop en de termijn waarbinnen een beslissing van de rechter in de strafprocedure kan worden verwacht, afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en van hetgeen daarover door het OM is ingebracht. Van het OM mag daarbij worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting. Is de beklagrechter van oordeel dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, dan brengt zijn onderzoekstaak met zich dat hij zich nader laat informeren.
4.6
Het hiervoor door de Hoge Raad genoemde arrest EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië) [2] geeft een nadere invulling aan de geformuleerde onderzoeksplicht. In de zaak die leidde tot deze uitspraak van het EHRM ging het om een verdenking van verschillende (economische) delicten, waarbij het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 1.060.000,-. Als gevolg daarvan had het openbaar ministerie beslag gelegd op onroerend goed van de verdachte, waarover laatstgenoemde tevergeefs had geklaagd. In het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure had de verdachte de rechtbank verzocht de reikwijdte van het beslag opnieuw te beoordelen, omdat (nog altijd) sprake zou zijn van een grove wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter onderbouwing van dat standpunt had de verdachte een “detailed assessment” van de waarde van het beslag overgelegd dat gebaseerd was op openbaar beschikbare informatie over de marktwaarde van onroerend goed in Kroatië. Volgens die informatie betrof de waarde van het beslagen onroerend goed € 9.887.084,- (en dus een negenvoud van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel). Het EHRM onderzocht in het kader van de inbreuk die dit beslag maakte op het recht van ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, of sprake was van een “reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised” (§ 67). In het bijzonder keek het Hof naar “procedural safeguards” die nodig zijn om een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen (§ 68). Het EHRM overwoog daarover het volgende:
“77. In this respect the Court notes, although it is impossible for it to speculate on the exact value of the restrained property, that the applicant’s allegations were not frivolous and devoid of any substance. In any event, in view of the overall circumstances of the case, the Court considers that such a request made by the applicant should have prompted the Supreme Court to examine his allegations carefully. This is particularly true given that the applicant’s business activity arguably related to the possibility of him freely disposing of his real property (see paragraph 17 above) and that a relevant assessment of the value of the seized real property had never been made (see paragraphs 67-69, and 71-75 above).
78. Having said that, the Court notes that the Supreme Court, without making any further assessment with regard to the applicant’s specific allegations concerning the disproportion between the impounded property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain, and although being unable to benefit from any such assessment made by the Vukovar County Court, rejected the applicant’s arguments as speculative, without explaining why it ignored the applicant’s detailed assessment of the value of his restrained property made on the basis of publicly available information on the market value of properties in Croatia (see paragraph 28 above).
79. The Supreme Court thereby allowed the impugned situation to persist for more than two and a half years without ever addressing the applicant’s specific arguments of disproportion between the value of the seized property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain. In this connection the Court finds it important to note that the overall seized property was not alleged to be a result of crime or traceable to the crime. The seizure at issue was rather applied as a provisional measure on the applicant’s overall property aimed at securing enforcement of a possible confiscation order imposed at the outcome of the criminal proceedings.
80. In these circumstances, the Court notes that the impugned seizure of the applicant’s real property in the context of the criminal proceedings at issue, although in principle legitimate and justified, was imposed and kept in force without an assessment of whether the value of the seized property corresponded to the possible confiscation claim. The Court therefore finds that the application of such a measure was not adequate to demonstrate that a requirement of “fair balance” inherent in the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1 was satisfied.”
4.7
Voor het aannemen van een schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de grond dat de rechter de proportionaliteit van de beslaglegging onvoldoende (kenbaar) heeft onderzocht, achtte het EHRM, naast de daarmee samenhangende persoonlijke belangen van de verdachte, aldus van belang dat hetgeen door de verdachte was aangevoerd “not frivolous and devoid of any substance” was. Onder die omstandigheden had het Kroatische gerecht hetgeen door de verdachte was aangevoerd zorgvuldig moeten onderzoeken en dit niet als speculatief terzijde mogen schuiven, zonder daarbij nader te motiveren waarom het de betrokkene niet volgde in zijn “detailed assessement” over de wanverhouding tussen het beslagene en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De bespreking van de middelen
4.8
Namens de klaagster is op de onder 3.1 samengevatte wijze aangevoerd dat de waarde van het beslag het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel met € 23.887.374,- overstijgt. Met betrekking tot de waarde van de beslagen bank- en effectenrekeningen zijn daartoe verschillende overzichten overgelegd. Het openbaar ministerie heeft het standpunt van de klager betwist op de wijze zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven. Kort gezegd is volgens hem geen sprake van overbeslag, met name omdat bij het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel nog vervolgprofijt moet worden opgeteld. Naar dat vervolgprofijt is, vanwege het nog steeds ontbreken van “de gegevens”, nog geen uitgebreid onderzoek gedaan, maar vooralsnog zouden er voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is geweest van een “substantieel vervolgprofijt”. Verder hebben de inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover die al blijkt uit de beperkt beschikbare informatie daaromtrent, een lagere waarde dan door de klaagster gesteld. Of er onderdelen zijn waar het openbaar ministerie zich (ik begrijp: voor het overige) kan vinden in de door de klager gestelde waardes van het beslag kon het ten tijde van de raadkamer “nog niet zeggen” (zie randnr. 3.7).
4.9
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet inhoudelijk zal reageren op de door de klaagster voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit in feite neer zou komen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat geldt ook voor het beantwoorden van de vraag of en, zo ja, op welke wijze de betaalde inkomstenbelasting relevant is voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee zou zij te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de straf- of ontnemingszaak en dit zou het beoordelingskader van de beklagprocedure te buiten gaan. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in de raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat een beoordeling van hetgeen namens de klaagster is aangevoerd over de posten die van het door de FIOD voorlopig geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zouden moeten worden afgetrokken, daarvoor te ver voert. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, daarbij mede in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie die ‘aftrekposten’ grotendeels heeft betwist en dat het openbaar ministerie tijdens een raadkamerprocedure in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kan doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
4.1
De rechtbank heeft verder overwogen dat zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag en dat de door de klager overgelegde stukken daartoe onvoldoende zijn. Gelet daarop kan zij niet vaststellen dat sprake is van overbeslag. In zoverre, zo vervolgt zij, is de rechtbank “daarom” van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het in die overwegingen besloten liggende oordeel van de rechtbank dat zij, zonder zich een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag, het klaagschrift kan beoordelen en haar onderzoekstaak derhalve niet met zich brengt dat zij zich nader laat informeren, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat hetgeen door de klager is aangevoerd over de waarde van het beslag (met name voor wat betreft de beslagen bank- en effectenrekeningen) bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan “not frivolous and devoid of any substance” en “detailed”, dat het openbaar ministerie aan een groot deel van de inbeslaggenomen voorwerpen wel waardes heeft toegekend (zie het door hemzelf overgelegde schema onder 3.4) en de door de verdediging genoemde waardes in zoverre niet op zichzelf staan en dat het openbaar ministerie volgens het onder 3.7 weergegeven proces-verbaal verder slechts heeft aangevoerd dat het “nog niet kan zeggen” of er onderdelen zijn waar het zich kan vinden in de door de klager gestelde waardes. Dit laatste terwijl van hem mag worden verlangd dat hij, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting en ten tijde van de raadkamer sinds de beslaglegging inmiddels ruim twee en een half jaar waren verstreken. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank doet verder af dat zij niet heeft gemotiveerd dat het voor het openbaar ministerie niet mogelijk is deze informatie te verschaffen en wat daar, mede gelet op het genoemde tijdsverloop, de gevolgen van zouden moeten zijn.
4.11
De middelen zijn in zoverre terecht voorgesteld.
4.12
Ik merk nog op dat de rechtbank ten aanzien van hetgeen door het openbaar ministerie is ingebracht over het vervolgprofijt niet meer heeft overwogen dan dat “ten aanzien van klagers een verdenking van strafbare feiten [bestaat] waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij ook sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’”. Dat maakt dat het onder 4.9 overwogene – anders dan in de samenhangende zaken 25/00332 ( [medeklager 5] ) en 25/00321 ( [medeklager 4] ), waarin de door de klagers geschatte waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen, zonder de door hen genoemde aftrekposten, de hoogte van het geschatte wederrechtelijk voordeel niet overstijgt – niet zonder meer met zich brengt dat belang bij cassatie ontbreekt.

5.Het vierde en vijfde middel

Nu de voorgaande middelen naar ik meen gedeeltelijk doel treffen, behoeven het vierde en vijfde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

6.Afronding

6.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.67.219.784 minus (57.034.233 – 12.871.574 – 830.249 =) 43.332.410 = 23.887.374.
2.ECLI:CE:ECHR:2016:0517JUD003835913.