Conclusie
[eiseres]respectievelijk
Gemeente.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Bouwteamovereenkomst), die voorziet in een bouwteamfase en een uitvoeringsfase.
Aannemingsovereenkomst). Daarin is de aanneemsom vastgesteld op € 846.612,-- en zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden 2012 (hierna:
UAV 2012) van toepassing verklaard. In de voor dit geschil relevante bepalingen is het volgende opgenomen:
project.
bestek.
29 augustus 2019een open begroting en een Technische Ontwerp heeft ingediend voor het realiseren van het project. Hierna te noemen de
aanbieding.
planning.
€ 21.378
€ 454
5%
Tegelwerkovereenkomst). In deze overeenkomst is de aanneemsom voor het aanvullende tegelwerk vastgesteld op € 588.400,-- en in artikel 14 een Pro rangregeling opgenomen. Voorts is zover hier van belang het volgende bepaald:
vervangen tegelwerk diepe bassins zwembaden Het Puzzelbad en De Randoet” van 19 mei 2020 staat het volgende:
renovatie zwembaden Het Puzzelbad en De Randoet” (perceel A) van 2 juni 2020 staat het volgende (cursief in het origineel):
Oplevering
Door de opname van het werk op 29 juni 2020 en het accepteren van het werk kunnen we vaststellen dat de daadwerkelijke opleverdatum 2 juni 2020 is terwijl dit conform de aannemingsovereenkomst 1 april 2020 had moeten plaatsvinden.”
renovatie zwembaden Het Puzzelbad en De Randoet” (perceel A). Zij betwist dat sprake is van verzuim en aansprakelijkheid en verzoekt de Gemeente de openstaande facturen te voldoen.
isopgeleverd.
vonnis) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant
in conventiede gevorderde betaling van openstaande facturen gedeeltelijk toegewezen. Het gevorderde meerwerk en de gevorderde stagnatiekosten (en het daarmee samenhangende beroep op termijnverlenging) zijn afgewezen.
In reconventiezijn de vorderingen van de Gemeente tot betaling van de contractuele boete (korting) wegens te late oplevering en schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van de coördinatieverplichtingen toegewezen. Voor het overige zijn de vorderingen van de Gemeente (schade aan haar eigendom, uitvoering (herstel)werk door derden) afgewezen.
hof) heeft bij arrest van 17 december 2024 (hierna:
bestreden arrest) het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, (i) de Gemeente veroordeeld tot betaling van een bedrag uit hoofde van meerwerkfacturen en (ii) [eiseres] veroordeeld tot betaling van bedragen uit hoofde van contractuele boetes, minderwerk en vervangende schadevergoeding. Voorts is [eiseres] veroordeeld tot (iii) terugbetaling van wat door de Gemeente aan [eiseres] ter uitvoering van het vonnis is voldaan. Het hof heeft daartoe – zakelijk weergegeven – als volgt overwogen:
herstelarrest) heeft het hof op dit verzoek beslist. Ik vat het relatief uitvoerige herstelarrest samen.
rov. 4.11.2zal komen te luiden: Ook de beslissingen ter zake het beroep van de Gemeente op verrekening en opschorting alsook de beantwoording van de vraag of als gevolg van de opschorting enige wettelijke rente is verschuldigd over de (meer)werkfacturen van [eiseres] , worden doorverwezen naar de schadestaatprocedure. Het voorgaande brengt met zich dat bij dit eindarrest nog niet over de verschuldigdheid van [eiseres] tot terugbetaling van enige bedragen aan de Gemeente kan worden beslist.
het dictumkomt de veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling aan de Gemeente van hetgeen door haar aan [eiseres] ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg is voldaan te vervallen.
de ingediende klachten allen belang behouden” en dat dit bij schriftelijke toelichting verder uiteengezet zou worden.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel I: klachten gericht op de toewijzing van de terugbetalingsvordering.
Onderdeel II: tegenwerpingen over de toewijzing van de gevorderde contractuele boete.
Onderdeel III: klachten gericht op de afwijzing van de bezwaren tegen indiening van producties 61 en 62 en tegen de nadere eiswijziging van de Gemeente.
Onderdeel IV: klachten het oordeel over opeisbaarheid na ‘omzetting’ en het niet bespreken van het subsidiaire beroep op redelijkheid en billijkheid.
Onderdeel V: voortbouwklacht.
andereklachten aan de orde zijn gesteld. In dat geval is de proceseconomie immers ermee gediend alle klachten in één uitspraak af te doen. [4] Verder merk ik op dat door de Gemeente geen cassatieberoep is ingesteld tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van het verbeterverzoek in het herstelarrest, wat zij in weerwil van art. 31 lid 4 Rv Pro met een beroep op de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad had kunnen doen. [5]
rov. 4.3.2, het dictum, rov. 4.10.1 en rov. 4.11.2van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt (onderstrepingen hier en in de citaten hierna toegevoegd door mij, A-G):
Het geschil in hoger beroep
alsook tot de veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg aan [eiseres] heeft betaald.
te betalen wettelijke rente, naar de schadestaatprocedure;”
subonderdeel I.1dat het geciteerde deel van het dictum en rov. 4.3.2 onbegrijpelijk zijn, omdat de Gemeente geen terugbetaling heeft gevorderd van al hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis aan [eiseres] heeft betaald.
subonderdeel I.2gaan over miskenning van het debat van partijen. Voor zover die klachten zijn gericht tegen het dictum en rov. 4.3.2 bestaat daarbij evenmin belang. Dat geldt ook voor zover de klacht is gericht tegen rov. 4.11.2. Die overweging is bij het herstelarrest ook gewijzigd, in die zin dat daarin geen beslissing over terugbetaling meer is opgenomen. Voorts legt [eiseres] niet uit op welke gronden rov. 4.10.1 zou moeten sneuvelen. Daarmee voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen. Dat laatste geldt evenzeer voor de klacht van
subonderdeel I.3, waarin alleen staat dat indien het hof niet buiten het debat van partijen is getreden, het oordeel zonder nadere toelichting onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn. Waarom dat zo is, wordt niet duidelijk gemaakt.
handelsrente ging. Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het hof in het bestreden arrest niet altijd consequent is in de woordkeuze bij het onderwerp rente (zie ook de schriftelijke toelichting zijdens de Gemeente onder 1.3.1). Dat blijkt bijvoorbeeld uit rov. 4.10.2 (in fine) en 4.10.5 (in fine) waar het gaat om rente over meerwerkfacturen. Toch meen ik dat het dictum zo moet worden uitgelegd dat het hof met ‘wettelijke rente’ doelt op de vordering van [eiseres] die strekt tot betaling van wettelijke handelsrente door de Gemeente, zoals die is weergegeven in rov. 4.2.1. Zo bezien, mist de klacht feitelijke grondslag.
ten aanzien van de contractuele boete’). Anders dan de Gemeente betoogt in haar schriftelijke toelichting onder 2.1.1, betekent dat niet dat [eiseres] in cassatie geen belang meer heeft bij deze klacht. [10]
rov. 3.3, 4.3.6 en 4.7.6. Deze overwegingen luiden, in hun context, als volgt:
De producties zijn tijdig ingediend. [eiseres] heeft ruim vijf maanden de tijd gehad om op productie 61 (het tweede rapport Technoconsult, zie hierna rov. 4.1. onder xxviii.) te reageren. Productie 62 (het derde rapport van Technoconsult, zie hierna 4.1. rov. xxviii.) is ruim drie weken voor de mondelinge behandeling ingediend. Dat rapport betreft een actualisatie van het eerder aan [eiseres] verstrekte en haar bekende (tweede) rapport van Technoconsult.Niet is komen vast te staan dan ook dat [eiseres] haar reactie op voormelde producties gelet op het tijdstip van indiening daarvan niet voldoende heeft kunnen voorbereiden. Tijdens de mondelinge behandeling is [eiseres] voldoende gelegenheid geboden op voornoemde producties te reageren, hetgeen zij ook heeft gedaan.
Gelet op het voorgaande wordt dan ook het verzoek van [eiseres] zich nog bij akte te kunnen uitlaten over voornoemde producties afgewezen.
Door het gevorderde ten aanzien van uit te voeren herstelwerkzaamheden niet langer te handhaven, maar enkel aanspraak te maken op de reeds gevorderde schadevergoeding is geen sprake een nieuwe vordering waartegen [eiseres] zich afzonderlijk dient te verweren.Van strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
ten eerstedat het hof miskent dat het beroep op de goede procesorde (vooral) ziet op de bij producties in het geding gebrachte rapporten, en dus niet zozeer op de eiswijziging. Deze klacht faalt. In de afwijzing van het bezwaar in rov. 3.3. ligt besloten dat het beroep op de goede procesorde, ook in de context van het bezwaar tegen de producties, niet wordt gehonoreerd.
isverworpen. In rov. 3.3 verwijst het hof naar rov. 4.1, onder xxviii, waar in het kader van de feitenvaststelling het volgende is overwogen:
subonderdeel III.2vormen een herhaling van zetten en de klacht
onder III.3is een voortbouwklacht. Deze klachten falen gelet op mijn bespreking van de klachten van subonderdeel III.1.
subonderdeel III.4in op het oordeel in rov. 3.3 dat [eiseres] voldoende tijd heeft gehad om op producties 61 en 62 te reageren en op rov. 4.7.6 (zie het slot van 4.13 hiervoor).
uitsluitendkan worden weersproken door een tegenpartijrapport. Het oordeel komt erop neer dat tegenover de drie rapporten van de Gemeente een weinig onderbouwde en daarmee onvoldoende betwisting staat. Het oordeel had – in dit geval – anders
kunnenuitpakken als [eiseres] van haar kant een rapport had overgelegd ter onderbouwing van haar betwisting. Een tegenrapportage lag voor de hand in deze situatie, maar het hof oordeelt niet dat dat het enige is dat [eiseres] had kunnen redden.
onder 1met een voortbouwklacht. Omdat alle klachten uit onderdeel III falen, mist ook deze klacht doel.
rov. 4.10.1, dat weergegeven in de context van verwante overwegingen, als volgt luidt:
100% gereed” werk als bedoeld in het overeengekomen betaalschema in artikel 4 van Pro de Aannemingsovereenkomst. Dat brengt met zich dat termijn 5 niet opeisbaar is. Nu geen sprake is van oplevering in de zin van de UAV 2012, is ook de onderhoudstermijn in de zin van § 11 UAV 2012 niet aangevangen, zodat ook termijn 6 niet opeisbaar is.”
De termijnbedragen waren ten tijde van de opschorting niet opeisbaar, en zijn dat nog steeds niet, daar het werk nog niet is opgeleverd.De verschuldigdheid van wettelijke (handels)rente over de openstaande termijnbedragen is dan ook niet aan de orde. De vordering van [eiseres] strekkende tot betaling van de wettelijke handelsrente over de openstaande termijnbetalingen wordt gelet daarop afgewezen.
De verbintenis waartoe de schuldeiser van zijn kant gehouden is op grond van de overeenkomst, ondergaat geen verandering.
De verbintenis van de Kopers ondergaat geen wijziging doordat de niet-nagekomen verbintenis van [A] is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.Dat brengt mee dat, na die omzetting, de verbintenis van de Kopers ingevolge de overeengekomen betalingsregeling pas ontstaat wanneer de curator zijn verbintenis – dat is na de omzetting de verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding, die in de plaats is getreden van de oorspronkelijke verbintenis tot voltooiing van het meerwerk – heeft verricht. Pas op dat moment ontstaat de betalingsverplichting van de Kopers ingevolge de overeengekomen betalingsregeling en kan de curator nakoming vorderen.”
het werk nog niet is opgeleverd”, niet heel zuiver geformuleerd is. Oplevering van het (herstel)werk door [eiseres] is na omzetting niet meer aan de orde. Die verbintenis is vervangen. Tot cassatie leidt dit echter niet. Anders dan [eiseres] in cassatie betoogt, werd de prestatie van de Gemeente door de omzetting niet opeisbaar. Daarom is juist het door [eiseres] aangevallen oordeel van het hof over de opeisbaarheid van de prestatie van de Gemeente.
nog steeds nietaan de orde is, omdat de omzetting daaraan niets heeft veranderd, is een rechtsoordeel. Voor zover de motiveringsklacht daarop is gericht, faalt deze bij gebrek aan belang. [34] De klacht van [eiseres] aan het slot van onderdeel IV.2 dat het hof niet motiveert waarom de opeisbaarheid niet in deze procedure kan worden vastgesteld, maar dat daarvoor verwijzing naar de schadestaatprocedure zou moeten volgen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dit overweegt het hof namelijk niet.
subonderdeel IV.3behelst dat het hof het subsidiaire beroep op redelijkheid en billijkheid onbesproken heeft gelaten. Daarom is ‘de uitspraak’ niet toereikend gemotiveerd. [eiseres] wijst als vindplaats van haar beroep op de redelijkheid en billijkheid op haar memorie van grieven onder 25-28, waar haar tweede grief wordt toegelicht. Daar staat aan het begin van die passage het volgende:
Subsidiair
100% gereed” werk. Dit levert (ook) een verwerping op van het hiervoor bedoelde subsidiaire betoog van [eiseres] , dat erop neerkomt dat het werk gereed is. Tot een uitgebreidere respons op het gebruik van de term ‘redelijkheid en billijkheid’ was het hof niet gehouden, al helemaal gezien het terloopse karakter van het beroep daarop. [35]
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
4.8. Meerwerk
de normstelling” in de Aanbieding het uitgangspunt is voor de verrekening van meerwerk. De beantwoording van de vraag wat onder de normstelling in de Aanbieding dient te worden begrepen, vereist uitleg daarvan.
onderdeel 1.1richt de Gemeente haar pijlen op
rov. 4.8.1. Met haar
eerste klachtbetoogt de Gemeente dat het hof miskent dat een van § 36 UAV 2012 afwijkende regeling ook kan volgen uit andere verklaringen of gedragingen dan de verklaringen in de Aannemingsovereenkomst. Een dergelijke afwijkende afspraak is door partijen ook gemaakt, zo zou volgen uit het vonnis. Het hof kon niet tot uitgangspunt nemen dat als in de Aannemingsovereenkomst geen van § 36 UAV afwijkende regel is opgenomen, op de rechtsverhouding tussen partijen § 36 UAV van toepassing is.
aanvullendeafspraken tijdens de bouwvergadering zijn gemaakt over meerwerk. Anders dan de Gemeente overigens betoogt, stond niet al vast dat partijen een van § 36 UAV
afwijkendeafspraak hebben gemaakt. Dat staat niet in rov. 3.10 van het vonnis, waarop de Gemeente wijst.
tweede klachtmist feitelijke grondslag. Anders dan in de klacht tot uitgangspunt wordt genomen, blijkt uit de bestreden overweging niet dat het hof uit het partijdebat zou hebben afgeleid dat de Gemeente haar stelling over de tijdens de bouwvergadering gemaakte afspraken heeft prijsgegeven of dat [eiseres] die afspraken in hoger beroep alsnog heeft betwist.
derde klachtaan het slot van subonderdeel 1.1 is een voortbouwklacht die gelet op vorenstaande niet kan slagen.
onderdeel 1.2neemt de Gemeente
rov. 4.8.2op de korrel, en dan met name het slot van die overweging waar het hof overweegt dat het werk is gewijzigd door omstandigheden die voor risico van de Gemeente komen. Met dit oordeel heeft het hof het beginsel van contractsvrijheid en/of het (semi-dwingende) karakter van art. 7:755 BW Pro miskend door de contractuele afspraak over vergoeding van meerwerk te negeren, aldus de Gemeente. Het is inherent aan meerwerk dat het gaat om door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen.
eerste klachtberust op een verkeerde lezing van rov. 4.8.2. Het hof oordeelt dat in dit geval de tenzij-bepaling van toepassing is, als bedoeld in rov. 4.8.1. Met ‘omstandigheden die voor haar risico dienen te blijven’ bedoelt het hof dat de Gemeente de noodzaak van een prijsverhoging, voortvloeiend uit toevoegingen of veranderingen, uit zichzelf had moeten begrijpen. De Gemeente lijkt te miskennen dat de afspraken gemaakt tijdens de bouwvergadering een aanvulling zijn op de waarschuwingsplicht als bedoeld in § 36 UAV (en art. 7:755 BW Pro), maar niet afdoen aan de tenzij-bepaling. Door toepassing van die bepaling, kon het hof wel degelijk oordelen dat de Gemeente het ontbreken van voorafgaande goedkeuring of een waarschuwing niet kan tegenwerpen aan [eiseres] .
tweede en derde klachtmissen feitelijke grondslag. Anders dan wat die klachten tot uitgangspunt nemen, heeft het hof in de bestreden overweging geen toepassing willen geven aan art. 6:248 lid 2 BW Pro (derogerende werking van redelijkheid en billijkheid) en geeft het hof in de tabel die staat in rov. 4.8.3 geen toelichting op de in het bestreden oordeel bedoelde ‘omstandigheden’.
rov. 4.8.3, dat de Gemeente bestempelt als een herhaling van zetten van rov. 4.8.2. In essentie worden dan ook dezelfde drie klachten geformuleerd als in subonderdeel 1.2. De klachten falen op dezelfde gronden als zojuist in 4.7-4.8 uiteengezet.
rov. 4.8.3. Daarmee bedoelt de Gemeente het hierna (nogmaals) geciteerde gedeelte:
.Gelet op het voorgaande houdt een verwijzing naar de afspraken in de bouwvergadering en de waarschuwingsplicht, geen voldoende concrete betwisting in van het gemotiveerd door [eiseres] onderbouwde meerwerk. Dat heeft ook te gelden voor meerwerkposten ten aanzien waarvan de Gemeente betoogt dat deze niet kunnen worden toegewezen omdat deze niet volgens de daarvoor afgesproken methode zijn ingediend. De meerwerkvordering van [eiseres] ten aanzien van de volgende posten zal dan ook worden toegewezen: […].”