Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Het standpunt van de verdediging
eerste klacht. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige 1] onbegrijpelijk, maar ik zie dit anders. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] blijkt dat hij de verdachte op de pleegdatum heeft binnengelaten in de woning waar de aangeefster op dat moment verbleef. De verdachte is volgens de getuige naar boven gegaan. Even later hoorde de getuige dat de aangeefster haar stem verhief en hem naar boven riep om de verdachte op te halen. Dit biedt steun aan de verklaring van de aangeefster dat zij de getuige heeft geroepen nadat zij door de verdachte was verkracht. Weliswaar heeft de getuige verklaard dat hij niet zeker weet of de verdachte één of, zoals uit de verklaring van de aangeefster blijkt, twee keer naar boven is gegaan, maar dit doet aan het voorgaande niet af. De getuige sluit immers niet uit dat het twee keer is geweest. Bovendien heeft de verdachte zelf – zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting – verklaard dat hij tweemaal naar boven is gegaan.
niet bewust wasvan het feit dat de aangeefster niet wilde dat hij haar binnendrong, ligt dit anders voor de tot het bewijs gebezigde weergave van het chatgesprek tussen de aangeefster en de verdachte dat van een aantal dagen na de pleegdatum dateert. In dat gesprek heeft de aangeefster aangegeven dat ze op de avond waarop het bewezenverklaarde zich heeft afgespeeld een paar keer heeft gezegd dat de verdachte weg moest gaan en dat ze geen seksueel contact wilde. Verder heeft zij geschreven “[a]ls je het dan toch doet en bij me naar binnen gaat is dat echt niet oké (…) In principe is dat namelijk gewoon verkrachting (…) Ik heb er psychisch last van omdat het tegen mijn wil in was (…) 't is strafbaar [verdachte] ”, waarop de verdachte heeft aangegeven dat hij spijt heeft van zijn actie en niet wist wat er door zijn hoofd ging en dat het “fucking dom” was wat hij heeft gedaan. Dit biedt wat mij betreft voldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat het seksuele contact tegen haar wil was en dat de verdachte zich daarvan bewust was op het moment dat hij bij haar binnendrong. Het is dus niet zo dat de motivering van het hof wat betreft het steunbewijs valt of staat met de mate waarin de verklaring van de aangeefster steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige 1] .
tweede en derde klachtevident tevergeefs zijn voorgesteld. Uit de verklaring van de aangeefster, die door het hof niet onbegrijpelijk tot uitgangspunt is genomen, blijkt dat de aangeefster voordat de verdachte aankwam bij de woning waar zij verbleef al aan hem had aangegeven dat zij zijn bezoek niet wenste, dat zij – nadat hij de eerste keer de slaapkamer was binnengekomen en haar heeft geprobeerd te zoenen – hem opnieuw duidelijk heeft gemaakt hier niet van te zijn gediend, en dat de verdachte daarna is vertrokken en een tijdje later een tweede keer de slaapkamer is binnengekomen en bij de aangeefster hardhandig met zijn vingers is binnengedrongen. Gezien de setting waarin het voorgaande heeft plaatsgevonden, namelijk in de slaapkamer van de aangeefster terwijl zij de verdachte reeds had weggestuurd en er dus niet op bedacht hoefde te zijn dat hij terug zou komen, blijkt zonder meer dat de verdachte haar door middel van andere feitelijkheden, te weten een reeks onverhoedse feitelijke handelingen (het op het bed springen, het over de aangeefster heen hangen en het proberen te zoenen) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen en dat hij hierbij in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen tegen haar wil was.