Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
allevoorwaarden tot stand komt. [23]
Etam/Zoetermeerwordt dan ook zonder meer uitgegaan van de toepasselijkheid van die regels op de bevoegdhedenovereenkomst. [29]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
of alleen op andere voorwaardenzou hebben aanvaard, indien hij wist dat het aanvullend proces-verbaal van 11 juni 2015 en het eindproces-verbaal vals waren. Volgens het hof zou [eiser] , als hij de transactie niet zou hebben gesloten, niet alleen zijn geconfronteerd met vervolging en openbare berechting voor valsheid in geschrift (art. 225 Sr Pro) en niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter Sr), op welke delicten de transactie – naar de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof – mede betrekking had (rov. 5.6-5.8), maar ook voor schending van bedrijfsgeheimen (art. 273 Sr Pro), aangezien – wederom naar de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof – niet aannemelijk is dat het openbaar ministerie daarvan had afgezien als het had geweten dat sprake was van een vals proces-verbaal (rov. 5.9-5.10).
mochtuitgaan of rekening mee
behoordete houden, als wel op de vraag wat feitelijk gebeurd zou zijn als [eiser] niet had gedwaald. Daarmee heeft hof een juiste maatstaf aangelegd voor het op grond van art. 6:228 lid 1 aanhef Pro BW te eisen causaal verband.