Conclusie
Nummer 24/00523
Inleiding
De zaak in het kort
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
4.4.1.2 Camerabeelden parkeerterrein [A] van 12 december 2019
“Mijn advocaat vraagt mij of ik een onderscheid maak tussen het plakken of verwijderen van een baken. De betrokkenheid bij het strafbare feit van diegene die een baken plakt is groter dan de rol van diegene die een baken verwijdert. Ik ben van mening dat diegene die een baken plakt behulpzaam is bij het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van het plegen van het geplande delict, terwijl diegene die het baken verwijdert slechts bewijsmateriaal vernietigt voor diegene die het risico loopt om te worden vervolgd voor het geplande delict. Diegene die een baken plakt is in geval van moord daadwerkelijk behulpzaam bij het volgen en spotten van het beoogde doelwit.”is verder niet ter terechtzitting van het hof verschenen om nadere vragen van het hof over zijn rol te beantwoorden.
Het tweede en derde namens de verdachte voorgestelde middel
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
“ [benadeelde 1] vordering affectieschade
Levensgezel 6:108 lid 4 sub b BW
duurzaam een gemeenschappelijke huishoudingvoerde (sub b).
eerste deelklachtkomt erop neer dat het hof bij zijn oordeel dat [benadeelde 1] niet als ‘levensgezel’ als bedoeld in art. 6:108 lid 4 sub b BW Pro kan worden aangemerkt ten onrechte heeft volstaan met de overweging dat deze laatste zijn hoofdverblijf in Marokko had. Uit (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2021 [2] zou immers volgen dat, om als levensgezel in vorenbedoelde zin te kunnen worden aangemerkt, het niet per se vereist is dat de betrokkenen met elkaar samenwonen.
(Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5)
duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert. [3]
tweede deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij geen aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 sub g BW Pro, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Door de benadeelde partij zou immers gesteld en onderbouwd zijn dat zij als een persoon als bedoeld in laatstgenoemd artikel moet worden aangemerkt (de benadeelde partij en [slachtoffer] waren jeugdliefdes, zij hadden samen een kind en bij de benadeelde partij thuis is kleding alsook het paspoort van [slachtoffer] aangetroffen), terwijl dit door de verdediging niet is betwist.