Conclusie
Nummer23/05014
Het cassatieberoep
“poging tot doodslag”en 3.
“overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994, en overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. [1] Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vijf jaren. Daarnaast bevat het arrest enkele bijkomende, niet voor de beoordeling van dit cassatieberoep relevante, beslissingen.
De middelen
De zaak
die op de rijbaan stond, is afgereden. Hij reed daarbij met aanmerkelijke snelheid op de verkeerde weghelft, bestemd voor tegemoetkomend verkeer. Hij is tegen het[72-jarige]
slachtoffer aangereden, die door de klap 19 meter verder op de grond is neergekomen. Als gevolg van het ongeval heeft [aangever] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Daarbij komt dat de verdachte het slachtoffer niet alleen letsel heeft toegebracht, maar zich evenmin, door de plaats van aanrijding te verlaten, om zijn lot heeft bekommerd. De verdachte is doorgereden.”
De bewezenverklaring
1. primair
De bewijsvoering
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2020 (dossierpagina’s 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Daartoe is – op de gronden zoals genoemd in de pleitnota – kort gezegd aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet, nu er geen aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer om het leven zou komen en dat de verdachte, zo die kans al bestond, die kans niet bewust heeft aanvaard. [aangever] is zelf de straat opgelopen, de verdachte wist niet dat [aangever] daar stond en hoefde daarmee ook geen rekening te houden, de botssnelheid was niet zodanig dat het risico op overlijden aanmerkelijk is te noemen en de verdachte heeft een noodrem gemaakt en is uitgeweken, aldus de verdediging.
De middelen en de toelichting daarop
aanmerkelijke kansheeft
aanvaarddat het slachtoffer door zijn toedoen zou komen te overlijden. Het gaat de steller van de middelen dus om het bewijs van de aanmerkelijke kans (middel 2) en van de aanvaarding daarvan door de verdachte (middel 1). Ik bespreek de middelen in omgekeerde volgorde.
Het tweede middel
“de snelheid op het moment van de ongewilde botsing 26,4 km/uur bedroeg, ver onder de ter plaatse toegestane snelheid”.
“geen steun vindt in het recht”, acht de steller van het middel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. [3]
De bespreking van het tweede middel
geen steun vindt in het recht” getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het bewijs van de aanmerkelijkheid van de kans op het overlijden van [aangever] , acht ik ook overigens niet onbegrijpelijk, en wel vanwege de volgende vaststellingen van het hof. De verdachte is, nadat hij met zijn auto was omgekeerd bij het kruispunt, met een aanzienlijke snelheid aan de uiterst linkerzijde van de weghelft die is bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer, afgereden op het slachtoffer, zijn zoon en zijn twee kleinkinderen, die op het trottoir stonden. De verdachte is blijven doorrijden totdat hij vlak voor het slachtoffer was, waarna hij een noodremming heeft uitgevoerd en is uitgeweken naar rechts. Niettemin raakte de verdachte met het front van zijn voertuig het slachtoffer ‘vol’. “
Papa sprong, opa haalde het niet”, aldus één van de kleinkinderen (zie bewijsmiddel 2).
“op het moment van de aanrijdingeen minimale(bots)snelheid had van 26,4 km/uur, althans meteen na de botsing een snelheid had van ongeveer 26 km per uur” (aldus het hof, onderstreping mijnerzijds). Uit de verkeersongevallenanalyse kan bovendien worden opgemaakt dat een ‘botssnelheid’ tussen ongeveer 45-63 km/uur nodig is om een dummy ongeveer negentien meter weg te werpen, zijnde de afstand die het slachtoffer door de aanrijding is ‘weggeslingerd’. De verdachte heeft vóórafgaand aan de botsing en voordat hij de noodremming inzette gereden met een minimale snelheid van 56-57 km/uur (daar waar een maximumsnelheid gold van 50 km/uur). [6]
Het eerste middel
aanvaard, nu hij voorafgaand aan de botsing een noodremming heeft ingezet en een uitwijkmanoeuvre naar rechts heeft gemaakt. Deze contra-indicatie staat, anders dan het hof aanneemt, aan een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet in de weg, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het eerste middel
“dat de zeer kort voor de botsing ingezette uitwijkmanoeuvre (…) dusdanig laat (is) ingezet dat daardoor voor de verdachte niet meer te voorkomen was dat hij het slachtoffer daarmee zou raken”, terwijl
“het op het allerlaatste ogenblik remmen onder de gegeven omstandigheden ook geen positief effect meer kon sorteren. De potentieel dodelijke situatie die de verdachte inmiddels had geschapen, kon hij op dat moment door het remmen dus niet meer veranderen (…)”. [7] Van een zogenoemde contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet is volgens het hof dan ook geen sprake. Die motivering acht ik niet onbegrijpelijk.
wapengebruikte, ook al was dat mogelijk ‘slechts’ bedoeld om te dreigen. De verdachte zelf heeft verklaard dat hij pissig was en ‘verhaal’ wilde halen. [9] Verdachtes rijgedrag is door onafhankelijke getuigen omschreven als agressief en gevaarlijk met termen als
“vol gas”,
“met onverminderde vaart op het slachtoffer afrijden”en
“van weghelft wisselde”. [10]