Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2betoogt dat rechtens onjuist is, althans niet naar behoren gemotiveerd, de kennelijke beslissing van het hof om het verzoek van [de zoon] van 5 april 2024 voor de rol van 11 juli 2024, niet in behandeling te nemen. Vanwege het alsnog in behandeling nemen van de antwoordakte van [de moeder], had het hof geen toepassing mogen geven aan artikel 5.5 Lpr. [5] Onderdeel 3klaagt dat voor zover het hof het verzoek van [de zoon] op 5 april 2024 voor de rol van 11 juni 2024 wel in behandeling heeft genomen, de kennelijke weigering om een mondelinge behandeling te houden rechtens onjuist is, althans niet naar behoren is gemotiveerd.