De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs (cocaïne en MDMA) en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen in zijn auto. Tevens werd de auto verbeurd verklaard. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaringen, de verbeurdverklaring en de wijze waarop het hof deze straf heeft verdisconteerd.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van aanhouding en bevindingen, forensische rapporten en de verklaring van de verdachte. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs en het stroomstootwapen, onder meer omdat hij al ongeveer een jaar eigenaar was van de auto en drugsgebruik toegaf.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaringen voldoende zijn gemotiveerd en dat het oordeel van het hof over de verbeurdverklaring van de auto en de strafoplegging begrijpelijk is. Het hof heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de maatschappelijke gevolgen, de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.