Conclusie
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod”en 2.
“medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest.
3.Bewijsvoering
1. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL132E 2011034399-10 van 9 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 24-25.
(de rechtbank begrijpt: op 8 februari 2011)van het perceel [a-straat] te Amsterdam de volgende goederen werden aangetroffen en in beslag genomen:
(de rechtbank begrijpt, gelet op het onder 5 opgenomen bewijsmiddel: op de tafel in de woonkamer).
(de rechtbank begrijpt, gelet op het onder 3 opgenomen bewijsmiddel: op de grond in de woonkamer).
3.2. Beschikkingsmacht en/of wetenschap
4.Het eerste middel
Pleitnotities eerste aanleg
pagina 2, vijfde alinea, gerelateerd dat de inbeslaggenomen voorwerpen/middelen niet op DNA onderzocht zijn en voorts dat de inbeslaggenomen voorwerpen door de technische recherche onderzocht zouden zijn waarbij geen sporen zouden zijn aangetroffen. De opdracht aan de technische recherche ontbreekt in het dossier, alsmede het rapport van de technische recherche zelf. Waarom zijn de tassen en inbeslaggenomen goederen niet onderzocht op DNA?
(…)”