Conclusie
1. Een proces-verbaal van aangifte van 31 juli 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
[benadeelde 1]:
het hof begrijpt: de aangeefster en haar man [benadeelde 2]) waren vanmiddag samen thuis. De deurbel ging en ik deed open. Ik zag dat er een man voor de deur stond. De man zei tegen mij dat hij voor loodgietersbedrijf [A] werkte en dat hij boven onze woning een lekkage aan het verhelpen was. Er zou een plas water in de woning staan en de man wilde bij ons inspecteren of alles in orde was. Ik liet de man binnen.
[benadeelde 1]:
mededeling van de verbalisant:
mededeling van de deskundige:
mededeling van de deskundige:
4BImmateriële schade (smartengeld)
Oplegging van straf
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
BESLISSING
€ 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Staat, ten behoeve van hef slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der voldoening.
137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp – naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en Pro 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt – ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.’