Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak
3.De cassatiemiddelen
Het eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro heeft gehad, omdat in het dossier cruciale stukken ontbreken die de verdediging nodig had om haar verweren te kunnen onderbouwen.
Het tweede middelkomt op tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om [getuige 1] , voorzitter van de RvC van Rendo , nader te horen.
Het derde middelklaagt dat het verzoek van de verdediging om de [getuige 2]
Het vierde middelklaagt eveneens over de afwijzing van een getuigenverzoek, namelijk om de [getuige 3] (van de NMa) te horen.
Het vijfde middelhoudt in dat het bewezenverklaarde ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ onvoldoende steun vind in de bewijsvoering.
Het zesde middelklaagt dat de gedragingen die de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) heeft verricht niet kunnen worden beschouwd als ‘listige kunstgrepen’ en dat uit de bewijsvoering onvoldoende blijkt dat Rendo door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ de afgifte van gelden.
Het zevende middelkeert zich tegen het (in het kader van feit 2 gegeven) oordeel van het hof dat Rendo en SGI verbonden partijen waren.
Het achtste middelricht zich tegen het (in het kader van de bewezenverklaring van feit 5 gegeven) oordeel van het hof dat de verdachte in de Letters of Representation ten onrechte niet heeft vermeld dat SGI en Rendo verbonden ondernemingen waren.
Het negende middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte de getekende offerte voor lening 7 (ten bedrage van 4,5 miljoen euro) valselijk heeft opgemaakt, omdat niet blijkt dat in de brief een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven.
4.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen feit 1 (het medeplegen van oplichting)
hij in de periode van 20 december 2007 tot en met 22 september 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen,
Organisatiestructuur
Vennootschappen van RendoRendo functioneert als moedermaatschappij. In de periode van 2007 tot 2012 bestaat Rendo uit de volgende vennootschappen:
[medeverdachte 3] B.V(cassatie)
Dochterondernemingen ( SGI is enig aandeelhouder in dochterondernemingen)
Oprichters SGI
Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1 (oplichting Rendo )
latente) belasting, bedroeg het groepsvermogen € 3.066.811,-. Opgemerkt wordt dat dit vermogen inclusief het immateriële vermogen (goodwill in de vorm van winstverwachtingen) van EPC ad € 13.232.000,- is. Slechts door (met name) de achterstelling van de Rendo leningen ad € 15.800.000,- resteert jegens de ABN AMRO een garantievermogen van € 3.957.967,-.
prognose“ SGI – model Steenwijk ” die op 14 oktober 2009 per e-mail is verzonden door MBCF . Deze voorspelling op dat moment leidt niet tot een andere conclusie, reeds omdat deze is opgemaakt vóór de afspraken en uitvoering van het “stappenplan”, waaronder de betaling van de 1,5 miljoen euro wegens de inkoop van aandelen.
.Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 1] dat het de Raad van Commissarissen niet bekend was dat de directie direct of indirect als aandeelhouder, zou deelnemen in SGI . Dat is ook nooit bekend geweest, totdat in 2012 deze zaak ging spelen. Er is nooit toestemming gegeven aan werknemers of de directie voor enige deelname in SGI .
5.Het eerste middel
Overige verzoeken
Ten aanzien van de e-mails (alle zaken)
alle verdachtenwordt de verdediging in de gelegenheid gesteld om – zo nodig door tussenkomst van de advocaat-generaal –
voor 1 februari 2022het kantoor van de FIOD te bezoeken, eventueel in het bijzijn van de betreffende verdachte(n)/cliënt(en). De verdediging zal daar aan de hand van bij voorkeur vooraf bedachte – en bij voorkeur ook vooraf aan de FIOD doorgegeven – zoektermen de e-mailbestanden doorzoeken en een eerste selectie maken. De aldus gemaakte selectie zal daar vervolgens digitaal worden verstrekt aan de verdediging op een daarvoor geschikte gegevensdrager. Vervolgens verstrekken de raadslieden met hun cliënten de volgens hen relevante documenten uit die selectie
uiterlijk op 1 april 2022aan het hof en de advocaat-generaal.
12 april 2022om 10.00 uur zal een
nadere regiezittingplaatsvinden om de stand van zaken van het bovenstaande te bespreken.”
voorzitterdeelt mede:
De verdediging heeft de gelegenheid gehad om bij de FIOD de e-mailbestanden te doorzoeken en daarvan een selectie te maken. Het was aan de verdediging om de relevante stukken uit deze selectie uiterlijk op 1 april 2022 naar het hof en de advocaat-generaal te sturen.
voorzittermeldt dat het, gelet op de geplande inhoudelijke behandeling van de zaken in september 2022, wat het hof betreft vandaag de laatste regiezitting is zodat de zaken klaar zullen zijn om inhoudelijk te worden behandeld in september 2022.
advocaat-generaalbrengt naar voren:
voorzitterstelt voor dat de [verdachte] zijn schriftelijke verklaring aan het hof overlegt, zodat zijn visie over zijn zaak en de stukken aan het dossier worden toegevoegd en het hof hier kennis van kan nemen. De
[verdachte]stemt hiermee in. De
advocaat-generaalstemt hier ook mee in en geeft aan te zullen reageren op de verklaring in het requisitoir.
voorzitteronderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
de voorzitterals beslissing van het hof uit:
uiterlijk op 1 juni 2022 eventuele nadere stukken naar aanleiding van de inzage bij de FIOD hebben ontvangen.”
nietop te nemen. Om te voorkomen, dat er een link gelegd zou kunnen worden tussen RENDO (en haar deelnemende gemeenten, waaronder Steenwijk ) en de nieuwe, in de ogen van de omwonende vervuilende fabriek van SGI . Ook dit is terug te vinden in de e-mailwisselingen tussen [verdachte] en [getuige 1] en wordt ook bevestigd door [betrokkene 5] ( RENDO -financiën). Nogmaals de e-mails die, na nu blijkt, niet in het dossier van de FIOD terug te vinden zijn, kunnen dit bevestigen en zijn dus cruciaal voor de verdediging van [verdachte] tegen de tenlastelegging.” [3]
advocaat-generaalreageert op het preliminaire verweer van mr. Van Leuveren :
Het klopt natuurlijk niet dat [verdachte] in de 12 jaren dat hij bij Rendo werkzaam was, in totaal maar 100 e-mails zou hebben gestuurd. [verdachte] stuurde wel 30 e-mails per dag. Ik vraag mij dan af hoe het mogelijk is dat door de FIOD maar 100 e-mails aangetroffen zijn op de servers van Rendo . Dat is onbestaanbaar.
voorzitterde beslissing van het hof mede, inhoudende:
voorzitterbrengt naar voren:
voorzittervraagt mr. Van Leuveren waar het hof de e-mails zou kunnen vinden.
voorzittermerkt op:
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
eerste klachtdie ik uit de toelichting kan destilleren richt zich tegen het oordeel van het hof – in de woorden van de steller van het middel [5] – dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat er relevante informatie buiten het dossier is gebleven. Gesteld wordt dat dit onjuist is, gelet op alle inspanningen die de verdediging heeft gedaan om de e-mails, mappen en andere stukken boven tafel te krijgen. Kennelijk richt de steller van het middel zich tegen de overweging van het hof dat het ontbreken van documenten waaronder e-mails, “enkel door de verdediging [wordt] gesteld en niet (verder) concreet [wordt] onderbouwd”. In het verlengde hiervan betoogt de steller van het middel dat het oordeel van het hof, dat niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie op de hoogte was van het feit dat belangrijke stukken ontbraken, niet zonder meer begrijpelijk is. Hiertoe wordt aangevoerd dat de verdediging immers in de loop van de procedure telkens aandacht heeft gevraagd voor het feit dat zij niet kon beschikken over specifieke informatie die van belang was om de verdediging te kunnen voeren en dat er sterke aanwijzingen waren dat die informatie er wel zou moeten zijn (geweest). [6]
tweede klachtkan worden ontleend aan de stelling dat een eventueel gebrek aan wetenschap bij het openbaar ministerie ten aanzien van de ontbrekende stukken niet doorslaggevend is voor de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces. De schriftuur houdt hierover in:
nietdoor het hof is geconstateerd. Nu het gaat om een feitelijke vaststelling van het hof dat van ontbrekende stukken niet is gebleken en dit oordeel in mijn ogen ook niet onbegrijpelijk is, stuit de klacht dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, hierop al af. Hetzelfde geldt voor het argument dat de verdediging niet is gecompenseerd voor het feit dat het dossier onvolledig is, doordat de getuigenverzoeken zijn afgewezen. Dat het dossier onvolledig is, is nu juist
nietdoor het hof vastgesteld, dus valt er niet in te zien waarom er compenserende maatregelen nodig waren.
6.Het tweede middel
Getuigen [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 5]
“Als ik het bedrijfsmatig vanuit Rendo bekijk zouden deze leningen niet als achtergestelde leningen zijn verstrekt”.
productie)
7.Het derde middel
Oordeel van het hof
Voorwaardelijke getuigenverzoeken
8.Het vierde middel
Oordeel van het hof
Voorwaardelijke getuigenverzoeken
9.Het vijfde middel
10.Het zesde middel
“A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI ;”
(i) De functie van de verdachte als bestuurder van Rendo was niet onverenigbaar met die van (indirect) aandeelhouder in SGI , omdat Rendo en SGI geen verbonden partijen waren. De verdachte was in de veronderstelling dat zodoende geen sprake kon zijn van tegengestelde belangen, en hij niet verplicht was zijn indirecte aandeelhouderschap te melden. Subsidiair wordt aangevoerd dat de verdachte over de verbondenheid van partijen advies heeft ingewonnen bij TRIP Advocaten en Notarissen , en dat de verdachte over de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar heeft gedwaald.
(ii) Van het heimelijk vervullen van onverenigbare functies kan bovendien geen sprake zijn, omdat de RvC en de AvA ervan op de hoogte waren dat de verdachte betrokken was bij de oprichting van SGI en (indirect) als aandeelhouder participeerde in SGI . De verdachte heeft de RvC en de AvA daarnaast volledig geïnformeerd over alle leningen, hetgeen de verdachte had willen aantonen aan de hand van de in het ongerede geraakte e-mailcommunicatie.
(iii) Niet de verdachte, maar [medeverdachte 3] B.V. had een minderheidsbelang in SGI . De verdachte hoefde aan de RvC en de AvA van Rendo geen toestemming te vragen voor het aandeelhouderschap van [medeverdachte 3] B.V. in SGI , omdat deze vennootschap in geen relatie stond tot Rendo .
(iv) De jaarstukken geven geen onjuiste voorstelling van zaken, omdat niet was vereist daarin de relatie tot SGI , SGC en SGE te vermelden.
“F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 2] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI , die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;”
“S. door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “ MBCF ”) en/of [betrokkene 4] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI ;”
11.Het zevende middel
hij, als bestuurder van N.V. Rendo Holding en Rendo Beheer B.V. en N.V. Rendo en Rendo Energieservice B.V. en Rendo Electriciteitsnetwerken B.V. en Rendo Gasnetwerken B.V. en B.V. Gasfabriek Coevorden voormalig B.V. Gasfabriek Th. Thijssen en Rendo Duurzaam B.V. en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met “ Rendo ”), in de periode van 1 juni 2008 tot en met 29 juni 2011, in Nederland, telkens,
Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2 (opzettelijk openbaar maken onware jaarstukken)
(i) de verdachte was zelf geen aandeelhouder in SGI . Dit was [medeverdachte 3] B.V., met als directeur [betrokkene 8] . [medeverdachte 3] B.V. had een belang van 20% in SGI . Ook [medeverdachte 4] was geen aandeelhouder in SGI . Dat was Marella B.V., met als directeur [betrokkene 9] . De zeggenschap in deze twee BV’s lag dus niet bij de verdachte en [medeverdachte 4] , maar bij de directeuren.
(ii) Bovendien nam [medeverdachte 4] als directeur van Rendo Netbeheer B.V., zijnde een onafhankelijke netbeheerder, binnen het Rendo -concern een afgescheiden positie in. Deze BV was onafhankelijk van de andere Rendo -bedrijven en [medeverdachte 4] was niet ondergeschikt aan de verdachte. Hij was wel aandeelhouder van Marella B.V., die een belang van 20% had in SGI .
12.Het achtste middel
- de statuten van Rendo
- non concurrentie; beding
- de WON;
6.43 Ook heeft [verdachte] ter zitting verklaard, dat de NMA als toezichthouder van de WON deze constructie ook ‘WON proof’ vond. Dat kan gezien de geëiste scheiding van taken alleen als er geen sprake is van een verbonden onderneming.
8.Valsheid in geschrifte ten aanzien van de Letters of Representation.
13.Het negende middel
Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 6 (valsheid in geschrift offerte)
II - overeen te komen wijzigingen van de voorwaarden voor alle leningen van SGC en SGE .
“Hypotheek op recht van opstal torrefactie —
bestemmingvan het te lenen geldbedrag. Wanneer in een overeenkomst ook het doel van de lening is bepaald, kan de valsheid er eveneens in gelegen zijn dat de partijen in de overeenkomst omschrijven dat het geld bestemd is voor doel A, terwijl de partijen weten dat het geld in werkelijkheid zal worden besteed aan doel B. Uit de overwegingen van het hof onder 13.4 blijkt dat het hof de valsheid van het geschrift op de overeengekomen besteding van het geld heeft gebaseerd. Het hof overweegt: “[d]e lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de
uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [verdachte] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF
wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de
werkelijk beoogde bestedingte misleiden”. [25]