Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak
3.De cassatiemiddelen
Het eerste middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat Rendo door enig oplichtingsmiddel is
bewogen totde verstrekking van gelden aan SGI onbegrijpelijk is, omdat [medeverdachte 2] als directeur van Rendo bevoegd was om deze bedragen zonder instemming van de RvC en de AvA aan SGI te verstrekken.
Het tweede middelklaagt dat de vaststelling van het hof dat Rendo geen geld had verstrekt aan SGI als de RvC en de AvA op de hoogte waren geweest van het aandeelhouderschap van de Rendo-directeuren in SGI onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen.
Het derde middelhoudt in dat de bewijsvoering onbegrijpelijk is, omdat het hof in de bewijsoverwegingen gedragingen aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd die zijn verricht vóór de bewezenverklaarde pleegperiode.
Het vierde middelbestrijdt het oordeel van het hof dat Rendo mede is
bewogen totde verstrekking van gelden aan SGI , doordat de verdachte en zijn medeverdachte(n) hebben verhuld dat de door SGI verkregen financieringen werden gebruikt voor de inkoop van de aandelen van de Rendo-directeuren door SGI .
Het vijfde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) Rendo met de bewezenverklaarde oplichtingshandelingen S, T en U hebben
bewogen totde verstrekking van lening 7 onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de AvA en de RvC van Rendo op de hoogte waren van (de inhoud van) voornoemde oplichtingshandelingen en de oplichtingshandelingen in tijd niet voorafgingen aan de afgifte van gelden door Rendo.
Het zesde middelhoudt in dat het hof een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de RvC en de AvA van Rendo op de hoogte waren van het aandeelhouderschap van de Rendo-directeuren in SGI , onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Het zevende middelklaagt dat het bewezenverklaarde
oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelenonvoldoende steun vindt in de bewijsvoering, omdat uit die bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte moet hebben beseft dat zijn handelen meebracht dat Rendo werd opgelicht.
Het achtste middelhoudt in dat het bewezenverklaarde
medeplegenvan oplichting niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het negende middelhoudt in dat het hof bij de beoordeling of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn een onjuist toetsingskader heeft aangelegd.
4.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
Organisatiestructuur
Vennootschappen van RendoRendo functioneert als moedermaatschappij. In de periode van 2007 tot 2012 bestaat Rendo uit de volgende vennootschappen:
[medeverdachte 3] B.V(cassatie)
Dochterondernemingen waarvan SGI enig aandeelhouder is
Oprichters SGI
Overweging met betrekking tot het bewijs van het tenlastegelegde (oplichting Rendo)
latente) belasting, bedroeg het groepsvermogen € 3.066.811,-. Opgemerkt wordt dat dit vermogen inclusief het immateriële vermogen (goodwill in de vorm van winstverwachtingen) van EPC ad € 13.232.000,- is. Slechts door (met name) de achterstelling van de Rendo leningen ad € 15.800.000,- resteert jegens de ABN AMRO een garantievermogen van € 3.957.967,-.
prognose“ SGI – model Steenwijk ” die op 14 oktober 2009 per e-mail is verzonden door MBCF . Deze voorspelling op dat moment leidt niet tot een andere conclusie, reeds omdat deze is opgemaakt vóór de afspraken en uitvoering van het “stappenplan”, waaronder de betaling van de 1,5 miljoen euro wegens de inkoop van aandelen.
het hof begrijpt: de directie van Rendo) participatie hebben zij NIET gemeld. Hoe anders te formuleren weet ik even niet.”. [verdachte] en [medeverdachte 1] kunnen zich dus niet met vrucht beroepen op dwaling, nog daargelaten of het hof dat onder de gegeven omstandigheden verontschuldigbaar zou hebben geacht.”
5.Het eerste middel
bewogentot een van de in art. 326 lid 1 Sr Pro omschreven handelingen, als daartoe ten minste één natuurlijk persoon binnen Rendo is bewogen. Nu [medeverdachte 2] zelfstandig bevoegd was om gelden te verstrekken aan SGI en hij daarvoor geen toestemming nodig had van de RvC of de AvA, kan niet worden bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachten de leden van de RvC en de AvA, en daarmee Rendo, hebben bewogen tot het verstrekken van leningen en het aangaan van sale and leasebacktransacties.
enkeldoor de ingezette oplichtingsmiddelen is bewogen tot zijn handelen; andere omstandigheden kunnen aan dat handelen eveneens een bijdrage hebben geleverd. [6] Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326 lid 1 Sr Pro bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [7]
6.Het tweede middel
7.Het derde middel
medeplegenvan oplichting. In de bewijsoverwegingen van het hof (integraal weergegeven onder 4.4) zijn ten aanzien van die oplichting grofweg twee fasen te onderscheiden. De eerste fase van oplichting bestaat er in de kern uit dat de directeuren van Rendo hun aandeelhouderschap in SGI voor Rendo hebben verhuld, onder meer door vestiging van dit aandeelhouderschap via tussenpersonen en stromannen, en door het uit notulen en jaarrekeningen (laten) schrappen van passages die wijzen op hun persoonlijke verbondenheid met SGI .
8.Het vierde middel
bestedingvan de door Rendo verstrekte gelden.
9.Het vijfde middel
bewogen tothet verstrekken van lening 7 onbegrijpelijk is, omdat (i) de RvC en de AvA niet op de hoogte waren van de inhoud van deze oplichtingshandelingen en (ii) de lening eerder is verstrekt dan de in oplichtingshandeling S omschreven brief de RvC en/of AvA van Rendo heeft kunnen bereiken. De toelichting op het middel vermeldt hierover:
sale- and leasebacktransacties – toont deze chronologische gang van zaken aan dat deze brief in ieder geval niet eerder dan op 1 juli 2010 ter kennis van de RvC en/of AvA hadden kunnen komen, zodat een oorzakelijk verband tussen de brief en het verstrekken van lening 7 simpelweg niet kan bestaan, nu die lening immers daarvóór al gerealiseerd was. De bedoelde brief heeft dan ook niet “
voor de RvC van Rendo en de aandeelhouders van Rendo verhuld dat één of meerdere door Rendo aan SGI verstrekte leningen door SGI aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen.”
Lening 7
(i) op 18 juni 2010 een leningsovereenkomst is ondertekend door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , inhoudende dat door Rendo een lening van 4,5 miljoen euro zal worden verstrekt aan SGC , bestemd voor de financiering van een aantal in de overeenkomst vermelde roerende en onroerende zaken;
bewogen totde verstrekking van lening 7, zonder dat vaststaat dat de RvC en/of de AvA van Rendo kennis hebben genomen van de – ter onderbouwing van die lening – door MBCF opgestelde brief?
10.Het zesde middel
Wetenschap RvC/AvA (indirect) aandeelhouderschap en geldstromen naar Rendo directie?
Het hof volgt de verdediging niet in de (overigens niet onderbouwde) stelling dat de RvC van Rendo op de hoogte moet zijn geweest van het (indirect) aandeelhouderschap van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in SGI. [33] In de voorgaande bewijsoverwegingen heeft het hof reeds vastgesteld dat Rendo via leningen en sale and leaseback transacties geld heeft geïnvesteerd in SGI en dat zij dit niet zou hebben gedaan als zij weet zou hebben gehad van het (indirecte) belang van onder andere [medeverdachte 2] in SGI . Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een rechtstreeks verband tussen het heimelijk vervullen van functies en het verstrekken van leningen en sale and leaseback transacties door Rendo. Het verweer wordt verworpen.”
11.Het zevende middel
7.VERLOOP NA AANHOUDNGEN - CONCLUSIE FEIT 1
Vanaf augustus 2008 vertegenwoordigt [betrokkene 20] de AvA van RENDO en is dus de AvA van RENDO op de hoogte van de betrokkenheid van de directieleden van RENDO in SGI .
het hof begrijpt: de directie van Rendo) participatie hebben zij NIET gemeld. Hoe anders te formuleren weet ik even niet.”. [36] [verdachte] en [medeverdachte 1] kunnen zich dus niet met vrucht beroepen op dwaling, nog daargelaten of het hof dat onder de gegeven omstandigheden verontschuldigbaar zou hebben geacht.”
12.Het achtste middel
bestedingvan het verstrekte geld, levert naar het oordeel van de steller van het middel geen bijdrage van voldoende gewicht op om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] enerzijds en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] anderzijds. In de toelichting op het middel wordt het volgende vermeld:
sale- and leasebacktransactie I – in de woorden van het Hof – (slechts) de vrucht zijn geweest.”
bestedingvan de door Rendo verstrekte gelden. Het feit dat de verdachte aan de primaire verhulling van het aandeelhouderschap geen bijdrage heeft geleverd, maakt dus niet dat geen sprake meer kan zijn van het
medeplegenvan oplichting.
medeplegenvan oplichting er vervolgens in gelegen dat de verdachte en [medeverdachte 1] ondanks die wetenschap hun medewerking hebben verleend aan het verkrijgen van de bewuste gelden van Rendo en aan de doorbetaling van een deel daarvan aan [medeverdachte 3] B.V. en Marella B.V. Deze bijdrage heeft er, zo valt te lezen in het arrest, onder meer uit bestaan dat de verdachte en [medeverdachte 1] akkoord zijn gegaan met het stappenplan voor de inkoop van de aandelen en dat [medeverdachte 1] de overeenkomst die strekte tot het aangaan van lening 7, en waarin werd voorgewend dat het geleende geld zou worden besteed aan de aankoop van diverse roerende en onroerende zaken, heeft ondertekend. Het oordeel van het hof dat vanwege de verleende medewerking sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking in de oplichting van Rendo getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De bewezenverklaring van het medeplegen is aldus voldoende met redenen omkleed.