Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Standpunt van de advocaat-generaal
can’t i speak with youen
help me, I need to talk to you aloneen probeerde zij, volgens de medewerker van de Marechaussee, iets non-verbaal duidelijk te maken. Bij de Marechaussee rees het vermoeden dat de aangeefster bang was voor de verdachte. Er is een vrouwelijke opsporingsambtenaar opgeroepen om met de aangeefster in gesprek te gaan. Terwijl de Marechaussee wachtte op deze opsporingsambtenaar viel het hen op dat de verdachte vragen beantwoordde die aan de aangeefster werden gesteld. Op de vraag of het paspoort van aangeefster misschien gestolen was, gaf de verdachte het antwoord dat het ergens in [plaats] verloren was geraakt, samen met twee bankpassen, of woorden van gelijke strekking. Het gesprek werd vooral met de verdachte in de Nederlandse taal gevoerd. Op het moment dat de vrouwelijke opsporingsambtenaar de aangeefster mee wilde nemen naar een ander vertrek keek de verdachte boos, verhief hij zijn stem en zei hij dat hij meewilde, omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor haar. Vervolgens liep de aangeefster alleen met de vrouwelijke opsporingsambtenaar mee. Toen zij eenmaal uit het zicht van de verdachte waren, werd de aangeefster zeer emotioneel en verklaarde zij dat de verdachte haar meermaals op het hoofd had geslagen, dat zij veel pijn had aan haar hoofd en dat zij van hem moest zeggen dat haar paspoort en bankpassen vermist waren. De aangeefster liet daarbij verse krassen in haar hals zien en de opsporingsambtenaar zag dat zij een blauw oor had. Het letsel van de aangeefster is door een verbalisant beschreven. De aangeefster had rode streepvormige verkleuringen op de bovenzijde van haar borstkas en verkleuringen van de huid in de hals, op het oor, op het voorhoofd, onder het linkeroog, op de armen en op een heup. Dit letsel is naar het oordeel van het hof passend bij het door de aangeefster beschreven geweld: het schoppen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd.
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.