Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Een proces-verbaal van bevindingen rijden onder invloed met nummer PL1300-2018034018-2 van 16 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
“Daar ga ik niet op wachten. Ik ga dan nu weg.”
“Dat vind ik goed.”
gevorderd –en niet met zoveel woorden is
bevolen– mee te werken aan het bloedonderzoek doet daaraan niet af. De verbalisanten hebben immers, nadat de verdachte had gezegd dat hij niet ging wachten op een arts en dat hij weg zou gaan, heel duidelijk uitgelegd dat dit zou resulteren in de hoogste straf en dat zijn rijbewijs dan ingevorderd zou worden, waarop de verdachte heeft gereageerd met: “Dat vind ik goed”.
3.Het tweede middel
VOORWAARDELIJK VERZOEK
‘de betreffende verdachte niet goed meer herinner[t]’- alsof zij op het moment van schrijven toch enige herinnering heeft aan cliënt en haar ontmoeting met hem.
Wat herinnert zij zich wel van de ontmoeting?Mogelijk kan zij bij een schets van de situatie en een foto van client herinneren wat er precies is gebeurd die avond. Wat zij heeft gezegd en hoe daarop is gereageerd?
Las ze haar woorden voor tijdens haar ontmoeting met cliënt? Was zij al lang werkzaam als hulpofficier van justitie en dient toch voor mogelijk te worden gehouden dat zij de veel in het wetboek van strafvordering gebruikte termen ‘vorderen’ en ‘bevelen’ toch door elkaar heeft gehaald?
Overweging ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek