Conclusie
gevestigd te Amsterdam,
eiseres tot cassatie
gevestigd te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht:
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
gevestigd te Tokio, Japan,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
verweersters in cassatie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
(A) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbenden:
(1) omdat zij haar interne (administratieve) organisatie en/of interne toezichtsapparaat zodanig had ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van rentebenchmarks daardoor in de hand werd gewerkt, althans werd mogelijk gemaakt; en/of
(2) doordat zij, althans haar werknemers, rentebenchmarks heeft/hebben gemanipuleerd, subsidiair dat heeft/hebben gedaan op de in paragraaf 10.1.20, 10.1.22 en 10.1.34 van de inleidende dagvaarding vermelde dagen;
(3) doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde rentebenchmarks te manipuleren;
(B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro;
(C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden. [4]
(D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 t/m 31 juli 2009 (Lloyds), 1 januari 2001 t/m 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 t/m 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren;
(E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro. [5]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Vordering E
Subonderdeel 1.1bevat geen klacht.
subonderdeel 1.4is rov. 4.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet inzichtelijk maakt waarop het zijn aannames heeft gebaseerd dat (i) de vorderingen tegen alle verweerders niet worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel en (ii) de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels niet steeds regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden, terwijl het hof evenmin (kenbaar) heeft onderzocht in hoeverre deze aannames juist zijn. Dit geldt te meer, zo vervolgt het middel, omdat de Stichting heeft aangevoerd dat het (op de vorderingen voor toepassing in aanmerking komende) Nederlandse, Japanse, Zwitserse en Engelse recht het concept van groepsaansprakelijkheid kennen. Het middel wijst hiervoor op de volgende stellingen van de Stichting in de inleidende dagvaarding:
(…)
18.1.10. Naar Zwitsers of Engels recht is dit niet anders. Het voorgaande laat onverlet dat de relevante gedragingen naar vreemd recht steeds ook individueel beschouwd verwijtbaar en aan Gedaagden toerekenbaar zijn.’
Subonderdeel 2.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 2.2betoogt dat het hof in rov. 4.21, gelezen in samenhang met rov. 4.18, heeft miskend dat art. 3:305a (oud) BW niet bij wijze van zelfstandig criterium vereist dat een collectieve actie meer effectieve en/of efficiënte rechtsbescherming biedt dan individuele procedures, dan wel dat een collectieve actie meerwaarde of voordeel heeft boven het procederen op naam van de belanghebbenden zelf.
subonderdeel 2.4wordt betoogd dat het oordeel van het hof in rov. 4.21 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) heeft gerespondeerd op verschillende (in het middel onder (i) t/m (viii) genoemde) stellingen van de Stichting die erop neerkomen dat deze collectieve actie, ook wat betreft vordering C, wel meerwaarde heeft boven individuele vorderingen.
Subonderdeel 3.1bevat geen klacht bevat.) Het hof heeft miskend dat de appelrechter de zaak na vernietiging van een einduitspraak (in beginsel) niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Deze regel geldt ook indien de rechter in eerste aanleg een partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. (
subonderdeel 3.2) Het hof heeft miskend dat het verbod van terugwijzing van openbare orde is, zodat partijen daarvan niet onderling kunnen afwijken, althans dat partijen slechts kunnen overeenkomen dat de appelrechter de zaak terugwijst naar de rechter in eerste aanleg of de zaak zelf zal afdoen, indien een van de uitzonderingen op deze regel zich voordoet. (
subonderdeel 3.3) Onbegrijpelijk is dat terugwijzing van de zaak past bij de door de rechtbank en het hof geaccordeerde processuele afspraken van partijen, omdat (i) partijen enkel zijn overeengekomen dat het hoger beroep vooralsnog is beperkt tot de processuele voorvragen die in eerste aanleg speelden en waarover is geoordeeld en (ii) partijen in die processuele afspraken juist hebben neergelegd dat zij zich mogen en zullen uitlaten over het door hen gewenste vervolg van de procedure. Partijen zijn niet overeengekomen dat de zaak naar de rechtbank zal worden teruggewezen. (
subonderdeel 3.4)