ECLI:NL:PHR:2026:161

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
25/01759
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552b SvArt. 5 WVW 1994Art. 5a WVW 1994Art. 94 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring klager in klaagschrift teruggave inbeslaggenomen auto na verbeurdverklaring

De klager verzocht via een klaagschrift op grond van art. 552a Sv om opheffing van het beslag en teruggave van een onder zijn zoon in beslag genomen auto. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde de klager niet-ontvankelijk omdat de auto in de strafzaak tegen de zoon verbeurd was verklaard. De klager stelde dat het beslag onterecht was en dat hij eigenaar was, maar dit werd niet voldoende onderbouwd.

De strafzaak tegen de zoon leidde tot een verbeurdverklaring van de auto door de politierechter, welke uitspraak onherroepelijk werd na intrekking van hoger beroep. De Hoge Raad bevestigt dat een klaagschrift op grond van art. 552a Sv geen zin meer heeft zodra in de strafzaak een beslissing over het beslag is genomen, zeker als die beslissing uitvoerbaar is geworden.

De planning van de behandeling van het klaagschrift aansluitend op de strafzaak was rechtmatig, omdat het finale oordeel over het beslag bij de strafrechter berust en tegenstrijdige beslissingen moeten worden voorkomen. De klager had nog de mogelijkheid om op grond van art. 552b Sv tegen de verbeurdverklaring in de strafzaak op te komen.

De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het klaagschrift geen belang meer heeft na de verbeurdverklaring van de auto in de strafzaak tegen de zoon.

Uitkomst: De klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift tot teruggave van de auto na verbeurdverklaring in de strafzaak tegen zijn zoon.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01759 B
Zitting10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De klager is bij beschikking van 22 april 2025 (RK-nummer 25-008865) door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een onder zijn zoon in beslag genomen personenauto, te weten een Volkswagen Golf met het [kenteken] .
1.2
Het cassatieberoep is op 29 april 2025 ingesteld namens de verdachte. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.
1.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Het verloop van de zaak

2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 13 maart 2024 is onder de zoon van de klager in verband met een verdenking van (meermalen) overtreding van art. 5 en Pro 5a WVW 1994 op grond van art. 94 Sv Pro de in randnr. 1.1 genoemde auto in beslag genomen.
2.3
Op 21 maart 2024 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. Het klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de bovengenoemde auto.
2.4
Op 5 juli 2024 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het klaagschrift van de klager behandeld en ongegrond verklaard. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat er twijfel bestaat of de auto van de klager of van zijn zoon is, dat de klager zijn stelling dat hij de auto nodig heeft voor zijn werk onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, dat de zoon van de klager wordt verdacht van overtreding van art. 5a WVW 1994 en dat het, gelet op de door de politie beschreven handelingen van die zoon, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren.
2.5
Op 31 maart 2025 is namens de klager wederom een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de auto. In het klaagschrift wordt aangevoerd dat de klager de eigenaar van de auto is, dat het beslag, gelet op het tijdsverloop, niet langer in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat bij voortduring van het beslag de klager onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de auto zal bevelen. Het klaagschrift houdt daarnaast het volgende in:
“Vanwege het korte tijdsbestek tot de inhoudelijke behandeling verzoekt klager dit klaagschrift – uit praktische overwegingen – gelijktijdig te behandelen met de strafzaak van de zoon.”
2.6
De rechtbank heeft de behandeling van het hernieuwde klaagschrift aansluitend gepland op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager met het parketnummer 01-278429-24. In die strafzaak is gevraagd om een beslissing over de in beslag genomen auto.
2.7
Op 22 april 2025 heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, mondeling uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de zoon van de klager. De politierechter heeft daarbij onder meer de verbeurdverklaring bevolen van de onder de zoon van de klager in beslag genomen auto.
2.8
Aansluitend op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank het klaagschrift van de klager behandeld. De rechter die als politierechter fungeerde in de strafzaak tegen de zoon van de klager, heeft als beklagrechter het klaagschrift van de klager behandeld en de klager niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift. Daarover is in de beschikking het volgende te lezen:

Beoordeling
(…)
De rechtbank stelt vast dat de politierechter in de strafzaak tegen [betrokkene 1] (parketnummer 01-278429-24) bij vonnis van 22 april 2025 inmiddels heeft beslist over het in beslag genomen goed. De politierechter heeft de personenauto verbeurd verklaard nu er met de in beslag genomen personenauto door [betrokkene 1] meerdere strafbare feiten zijn gepleegd en de [betrokkene 1] kan worden aangemerkt als de rechthebbende.
De rechtbank zal derhalve het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.”
2.9
Tegen het vonnis van de politierechter is door/namens de zoon van de klager hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is op 24 oktober 2025 namens de zoon van de klager ingetrokken. Daarmee is de uitspraak van de politierechter, waarbij de auto verbeurd is verklaard, onherroepelijk geworden.
Het juridisch kader
2.1
De omstandigheid dat in een strafzaak een beslissing is genomen over een in beslag genomen voorwerp brengt met zich dat een klager geen belang meer heeft bij zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan de klager van dat in beslag genomen voorwerp. De beschikking op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is immers naar zijn aard een voorlopige beslissing in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door de beslissing over het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. [1] Dat is ook zo als de in de strafzaak genomen beslissing over het beslag (nog) niet onherroepelijk is. [2] Indien echter in de strafzaak het in beslag genomen voorwerp verbeurd is verklaard en die beslissing uitvoerbaar is geworden, kan daartegen door de belanghebbende, niet zijnde de verdachte of de veroordeelde, op grond van art. 552b Sv worden geklaagd. [3]
De bespreking van de zaak
2.11
Uit de hiervoor geschetste procesgang blijkt dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard. In cassatie kan er dus van worden uitgegaan dat namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is ingediend en dat de rechtbank het klaagschrift niet had hoeven op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. [4]
2.12
Gelet op hetgeen onder randnr. 2.10 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt in de strafzaak tegen de zoon van de klager ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard, heeft de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, doet hieraan niet af dat in het hernieuwde klaagschrift nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit zou blijken dat de klager de rechthebbende van de auto zou zijn.
2.13
In de toelichting op het middel wordt over de procedurele gang van zaken bij de rechtbank nog aangevoerd dat het plannen van de behandeling van het klaagschrift van de klager direct na de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager verbazing wekt en onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel had het klaagschrift niet behandeld mogen worden onmiddellijk na de behandeling van de strafzaak, maar had het klaagschrift vóór of gelijktijdig met die strafzaak moeten worden behandeld. Hierbij wijst de steller van het middel op het “zeer vergaande” gevolg dat de beslagbeslissing in de strafzaak heeft voor de uitkomst in de beklagprocedure, namelijk niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift.
2.14
Hierin volg ik de steller van het middel niet. Vooropgesteld moet worden dat de planning van een strafzaak en een daarmee samenhangende beklagzaak is voorbehouden aan de rechterlijke instantie die is belast met de behandeling van die zaken. De opvatting dat de behandeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv moet plaatsvinden vóór de behandeling van de strafzaak waarin onder meer een beslissing wordt genomen over het in beslag genomen voorwerp waarvan in het klaagschrift teruggave is verzocht, vindt geen steun in het recht. Daarbij komt dat het finale oordeel over het beslag berust bij de strafrechter en niet bij de beklagrechter. Voorkomen moet worden dat twee (of meer) rechters zich tegelijkertijd in naast elkaar lopende procedures uitlaten over het beslag met mogelijk tegenstrijdige oordelen als uitkomst. [5] Gelet hierop stond het de rechtbank vrij om de behandeling van het klaagschrift van de klager aansluitend te plannen op de behandeling van de strafzaak tegen zijn zoon.
2.15
Volledigheidshalve merk ik ten slotte nog op dat de wijze van planning door de rechtbank van de behandeling van het klaagschrift van de klager en de strafzaak tegen de zoon van de klager niet ertoe heeft geleid dat de klager een effectief rechtsmiddel is ontnomen. De klager is hierdoor weliswaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, maar art. 552b Sv bood de klager de mogelijkheid om op te komen tegen de in de strafzaak tegen zijn zoon uitgesproken verbeurdverklaring binnen drie maanden nadat die beslissing op 24 oktober 2025 uitvoerbaar is geworden.

3.Slotsom

3.1
Het middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989,
2.Zie onder meer HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022,
3.HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:1273, rov. 2.4; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1063,
4.HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284,
5.Vgl. P.A.M. Mevis, ‘Beklag tegen beslag: eerder verbetering dan vervanging van het bestaande; over de wenselijkheid van een integraal verbeterprogramma’,