Conclusie
verweerster in cassatie
softwarevoor het voeren van operationele activiteiten bij particuliere beveiligingsbedrijven, waaronder incident rapportages, toegangsregistraties en de registratie van rondes onder de merknaam ‘WorkState’, waaronder begrepen alle updates of nieuwe releases van deze software van tijd tot tijd.
Software. Op de datum van deze overeenkomst bestaat de software in ieder geval uit de modules zoals opgenomen in de
Bijlagebij deze overeenkomst.’
Usematete maken’.
OVERWEGENDE
Transactie”). (…)
1. INTERPRETATIE
8.NON-CONCURRENTIE
Software).
Bijlagebij deze overeenkomst. (…)
Workrate Aanpassingen). (…)
3.Levering Services
Onderhoud) (…)
4.Kwaliteitseisen
5.Intellectuele eigendomsrechten
6.Niet-nakoming
Tekortkoming):
Herstelperiode) en op eigen kosten te verhelpen. Indien de Licentiegever op eerste verzoek van de Licentienemer niet kan aantonen dat zij zich maximaal heeft ingespannen om de Tekortkoming te verhelpen binnen de Herstelperiode dan is de Licentiegever aan de Licentienemer een eenmalige boete verschuldigd van EUR 10.000 voor iedere tekortkoming, vermeerderd met EUR 2.000 voor iedere dag dat de Tekortkoming na de uiterste hersteldatum voortduurt met een maximum bedrag van EUR 50.000 (…)
Terugvalmoment), dan geldt het volgende:
9.Non-concurrentie
Omvang van het hoger beroep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1klaagt in de kern dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs heeft geoordeeld dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend en dat Workrate een (impliciet) contractueel gebruiksrecht heeft. Volgens
onderdeel 2heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat Kopers instemden met voortgezet gebruik van KlasseNet.
Onderdeel 3beklaagt zich over de proceskostenveroordeling van Payingit c.s. op de voet van art. 1019h Rv naar indicatietarief ‘complex’. Het middel wordt afgesloten met een
voortbouwklacht.
nietvan zijn uitgegaan dat de exploitatie van Workstate onder de voorwaarden van de Licentieovereenkomst zou vallen om de in rov. 5.11-5.12 vermelde redenen en concludeerde het hof in rov. 5.13 e.v. dat Payingit c.s. de doorlopende exploitatie van Workstate moet dulden en dat Workrate een desbetreffend (impliciet) contractueel gebruiksrecht toekomt. Deze algemene klacht is uitgewerkt in vijf subonderdelen.
als bestuurder van PayingIT als zodanig en zonder meerheeft toegerekend aan DENDER en CMC. [eiser 5] wist als gezegd van de hoed en de rand omdat hij in de jaren voorafgaand aan de koop (van 2011 tot 2016) werkzaam is geweest voor Workrate (rov. 3.3), onder meer als accountmanager voor de grootste klant van Workrate (rov. 3.10) [10] . De persoonlijke holdingvennootschap van [eiser 5] , NRD, is één van de kopers. De klacht bestrijdt (terecht) niet dat de wetenschap waarover [eiser 5] in deze hoedanigheid beschikte aan ‘zijn’ vennootschap NRD als één van de kopers kan worden toegerekend. Hoe heeft dan de toerekening aan de medekopers CMC en DENDER plaatsgevonden? Het klopt dat [eiser 5] niet als (interne) functionaris of als gevolmachtigde van CMC en DENDER (art. 3:66 lid 2 BW Pro) is opgetreden. Het hof heeft evenwel in rov. 5.10 vastgesteld dat de onderhandelingen van Koperszijde niet alleen zijn gevoerd door [eiser 5] , maar ook door [eiser 6] en [betrokkene 3] . [eiser 6] en [betrokkene 3] werden aldus, als medeonderhandelaars aan Koperszijde, geacht over dezelfde wetenschap te beschikken als [eiser 5] (vgl. art. 3:35 BW Pro). Overigens is niet gesteld of gebleken dat [eiser 6] en [betrokkene 3] niet over deze wetenschap beschikten. Integendeel; door [eiser 5] is ter zitting bij het hof juist bevestigd dat ‘alle partijen’ over de desbetreffende wetenschap beschikten (rov. 5.11). Via [eiser 6] , de bestuurder van diens holdingvennootschap CMC, kon de wetenschap aan medekoper CMC worden toegerekend en via [betrokkene 3] , de bestuurder van diens holdingvennootschap DENDER, aan medekoper DENDER. Van een onjuist, innerlijk tegenstrijdig of ontoereikend gemotiveerd oordeel is dan ook geen sprake.
subklacht onder a(rechtsklacht) is dat het hof de
Haviltex-maatstaf heeft miskend. Het gaat er niet om wat partijen volgens het hof als (impliciet) contractueel gebruiksrecht zouden kunnen zijn overeengekomen, maar om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uit te leggen bepalingen in de Koop- en Licentieovereenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs, over en weer, van elkaar mochten verwachten [11] .
Haviltex-maatstaf [12] tot uitgangspunt. Dit is geheel volgens het boekje. De rechtspraak waarop de klacht zich beroept, kan Payingit c.s. hier niet baten. Het
Misverstand-arrest betrof een casus waarin partijen die een overeenkomst wensten te sluiten een voor misverstand vatbare uitdrukking hadden gehanteerd, die zij ieder in verschillende zin hadden opgevat. Beslist werd daarin dat of al dan niet een overeenkomst tot stand was gekomen, moet worden uitgemaakt aan de hand van wat inmiddels de
Haviltex-maatstaf heet [13] . Zo’n situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. In het
Flexabram/Iprem-arrest is uitgemaakt dat bij de uitleg van een overeenkomst geen rol is weggelegd voor de zogeheten hypothetische partijbedoeling (wat partijen zouden zijn overeengekomen indien zij een bepaalde situatie voor ogen zouden hebben gehad) [14] . Bij de aanvulling van een leemte dient de rechter zich ook niet te laten leiden door de hypothetische partijbedoeling (wat partijen veronderstellenderwijze zouden zijn overeengekomen, wanneer zij zelf in de leemte zouden hebben voorzien) maar door aard, doel en strekking van de overeenkomst, de gerechtvaardigde belangen van partijen en het wettelijke stelsel [15] . Dat heeft het hof in het bestreden oordeel volgens mij niet miskend [16] .
Haviltex-maatstaf niet heeft miskend. Dan is ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs geoordeeld dat de (enkele) situatie dat partijen wisten dat Workrate Workstate software extern exploiteerde en ervan uitgingen dat de Koopovereenkomst dit niet veranderde de uitleg rechtvaardigt dat zij bij sluiting van de overeenkomsten er niet van zijn uitgegaan dat de exploitatie van Workstate onder de Licentieovereenkomst zou vallen (rov. 5.11) en Workrate een (impliciet) contractueel gebruiksrecht kreeg (rov. 5.13). Gelet op de in cassatie onbestreden oordelen in rov. 5.4, 5.6 en 5.7 (auteursrechten op broncode Usemate software als gespecificeerd in de zes mappen van het [betrokkene 4] -document overgedragen, welke broncode deels overlapt met de Workstate software) is het hof in rov. 5.11 en 5.13 ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs tot het oordeel gekomen dat niet (kan worden aanvaard dat) het voortgezet gebruik van (overlappende) delen van de aan PayinglP in het kader van de Usemate-applicatie verkochte broncode als gemeenschappelijke onderdelen van de broncode (ook) onder de licentievoorwaarden voor gebruik van Usemate vallen, op de grond dat dit onverenigbaar is met de bij partijen bekende ‘doorlopende exploitatie’ van Workstate, dat daarvoor niet is bedoeld, omdat alle partijen ervan uitgingen dat de overeenkomsten geen verandering zouden brengen in de exploitatie van Workstate. Daarmee is niet (kenbaar) onderzocht en beoordeeld welke ‘zin’ alle partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uit te leggen bepalingen in de Koop- en Licentieovereenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar, over en weer, mochten verwachten. Daarvoor is de motivering in rov. 5.10 t/m 5.16 ontoereikend omdat die ‘zin’ daaruit niet blijkt.
Haviltex-maatstaf geoordeeld dat Payingit c.s. niet van de uitleg mocht uitgaan dat de door Workrate voortgezette exploitatie van Workstate met de gedeeltelijk met Usemate overlappende broncode een schending oplevert van het auteursrecht van Payingit c.s. op de Usemate software en van de overeengekomen licentievoorwaarden. Dat is met andere woorden niet de ‘zin’ die Payingit c.s. volgens het hof in de gegeven omstandigheden mocht toekennen aan de uit te leggen contractsbepalingen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van Workrate mocht verwachten. Dat in hoge mate feitelijke oordeel laat zich in cassatie niet op juistheid toetsen en is bepaald goed te volgen. Die uitleg berust immers niet alleen op [eiser 5] verklaring ter zitting dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate software extern exploiteerde en iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen. In het vervolg van rov. 5.11 staat het hof ook stil bij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door Payingit c.s. voorgestane uitleg. Die zou erop neerkomen dat Workrate slechts bevoegd zou zijn de gelicentieerde software intern te gebruiken of in hoedanigheid van distributeur van PayingIP en/of die software alleen met voorafgaande schriftelijke toestemming van PayingIP extern zou mogen exploiteren. Dat acht het hof geen aannemelijke redelijke uitleg, omdat die niet verenigbaar is met het uitgangspunt van partijen dat (externe) exploitatie van de Workstate software onverminderd zou doorlopen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking het non-concurrentiebeding uit de Licentieovereenkomst. Daaruit volgt dat partijen elkaar in hun respectieve branches (beveiliging respectievelijk HR en payrolling; zie ook plta cassatie Workrate 9) niet in de weg wilden zitten. Ook noteert het hof dat Payingit c.s. niet hebben gesteld dat de bedoeling was de eventuele overlappende sotwaredelen van Workstate onder de Licentieovereenkomst te laten vallen. Het is ook niet onbegrijpelijk dat het hof in de motivering van het oordeel over de aanvulling in rov. 5.13 weer terugkoppelt naar het uitlegoordeel, nu de beide stappen (uitleg en aanvulling) als gezegd in elkaar overvloeien. Dit alles in aanmerking genomen zijn rov. 5.10 t/m 5.16 toereikend gemotiveerd.
subklacht onder cklaagt dat rov. 5.11 en 5.13 onbegrijpelijk zijn in de zin van niet-concludent. De (enkele) omstandigheid dat partijen wisten van de externe exploitatie van de Workstate software waarin de koopovereenkomst geen verandering zou brengen, kan als als zodanig de gevolgtrekking uit rov. 5.11 niet dragen dat partijen er niet van zijn uitgegaan dat de Workstate-exploitatie niet onder de Licentieovereenkomst zou vallen. Dat is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Payingit c.s. dat aan PayinglP de volledige Usemate software ‘onbezwaard’ is overgedragen, het gebruik van de elementen van de Usemate software bij de onderhandelingen voorafgaand aan sluiting van de overeenkomsten aan de orde is geweest, waardoor Payingit c.s. vanwege de toen afgesproken ‘splitsing’ van de Workstate en Usemate software ervan uitging dat ze onafhankelijk zouden opereren en er daarom vanuit mocht gaan dat de onbezwaard overgedragen broncode de ‘gesplitte’ Usemate software betrof, waarvan Workrate Usemate-onderdelen alleen intern en niet zonder toestemming extern zou gebruiken binnen de Workstate software [18] . Tegen de achtergrond van deze (essentiële) stellingen is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.10 tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser 5] wist dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden en uit de door Workrate overgelegde mails had begrepen/moeten begrijpen dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de codebase: GIT (Usemate) en SVN die Workrate bleef gebruiken en ontwikkelen (Workstate). De klacht verwijst in dat verband naar een verklaring van [eiser 5] kenbaar uit het zittings-p-v [19] . [eiser 5] verklaring zou eerder de stelling van Payingit c.s. onderbouwen dat was overeengekomen dat Workrate vooraf de Usemate en Workstate broncodes zodanig zou ‘splitten’ dat na overdracht de broncodes ook niet deels op onderdelen zouden overlappen of verweven zouden zijn. Het slagen van deze motiveringsklachten tast ook de daarop voortbouwende oordelen in rov. 5.12 en 5.13 aan.
subklacht onder dklaagt over de begrijpelijkheid van de slotzin van rov. 5.11, dat Payingit c.s. ‘ook’ niet heeft gesteld dat de bedoeling was dat eventuele overlappende software onderdelen van Workstate onder de bepalingen van de Licentieovereenkomst zouden vallen. Dat is onbegrijpelijk gelet op de toelichting op grief 4 van Payingit c.s. [21] . Verder bevat subonderdeel d een motiveringsklacht tegen de voorlaatste zin van rov. 5.11: dat uit het non-concurrentiebeding in de Licentieovereenkomst blijkt dat partijen elkaar in hun branches (beveiliging respectievelijk HR en payrolling) niet in de weg wilden zitten, is op zich juist, maar hier is sprake van ontoereikende motivering vanwege de door Payingit c.s. gestelde bedoeling dat zij tijdelijk niet direct zouden concurreren met dezelfde soort software op de beveiligingsmarkt. Het slagen van deze motiveringsklachten raakt ook de daarop voortbouwende oordelen van het hof in rov. 5.14 en 5.16.
reformatio in peius) heeft geschonden. Anders dan de door de rechtbank in rov. 5.19-5.21 van het vonnis geformuleerde (beperkte) ‘impliciete gebruikslicentie’ stelt het hof, buiten de door de grieven van Payingit c.s. omlijnde rechtsstrijd in appel, als ‘(impliciet) contractueel gebruiksrecht’ een ruimere, niet-geclausuleerde, bevoegdheid van Workrate vast (rov. 5.13) en mag zij de Workstate-applicatie zelfstandig extern verder exploiteren en doorontwikkelen zonder dat dit auteursrechtinbreuk of een tekortkoming oplevert in de nakoming van de koop- en licentieovereenkomst (rov. 5.17-5.19, 5.24). Aldus is sprake van verboden wijziging ten ongunste (verslechtering).
reformatio in peiusziet namelijk op het dictum en niet op de motivering [22] . Het hof heeft in rov. 6.1 van het dictum slechts één wijziging aangebracht en wel
ten gunstevan Payingit c.s. [23] . Subonderdeel 1.4 kan dan ook niet tot cassatie leiden.
Haviltex-maatstaf uit te leggen. Dat mondt in rov. 5.7 uit in de ‘conclusie […] dat aan PayingIP op grond van de Koopovereenkomst, uitgelegd aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs mochten verwachten, de rechten op de broncode als gespecificeerd in de zes mappen in het [betrokkene 4] -document zijn verkocht en geleverd.’ Blijkens de daaropvolgende laatste zin van rov. 5.7 is hier volgens het hof geen ruimte voor een
restrictieve uitleg van de overdracht ten gunste van de natuurlijke maker volgens art. 2 lid 5 Aw Pro [25] , kort gezegd omdat het hier een business-to-business transactie betreft. In rov. 5.8-5.19 oordeelt het hof over het ‘Gebruiksrecht voor gemeenschappelijke onderdelen van de broncode’ blijkens het kopje daarboven. Dat het hof in die exercitie er aldus de klacht ‘kennelijk’
nietvan zou zijn uitgegaan dat het hier een ‘B-2-B transactie’ zou betreffen, zoals de klacht aanvoert, blijkt nergens uit; in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het gaat voor zover hier relevant om uitleg van de omvang van door zakelijke partijen vrijwillig (contractsvrijheid) aangegane overeenkomsten van overdracht en licentiëring van software. Dat hierin contractueel, dus vrijwillig ‘beperkingen’ worden overeengekomen, staat los van het Unierechtelijke gesloten stelsel van beperkingen waar Payingit c.s. de nadruk op wil leggen. Dat het hof ‘Haviltexend’ enerzijds tot een ruime auteursrechtoverdracht komt (rechten op de broncode gespecificeerd in de zes mappen van het [betrokkene 4] -document) en anderzijds een leemte constateert in de contactuele relatie tussen de onderwerpelijke zakelijke partijen, die het in redelijkheid aanvult in de vorm van een (impliciet) contractueel gebruiksrecht van Workrate dat Payingit c.s. moet dulden, maakt niet dat hier het terrein van contractsuitleg wordt verlaten: Leitmotiv blijft hoe de omvang van de auteursrechtoverdracht en (terug)licentiëring die deze zakelijke partijen zijn overeengekomen moet worden begrepen.
Haviltex-maatstaf zijn overeengekomen, als door het hof aangevuld op grond van de redelijkheid. Dat is geen ‘beperking’ op het auteursrecht van PayingIT, maar een modaliteit van de door haar verleende licentie aan Workrate en dat is iets heel anders. Daardoor is het hof ook niet toegekomen aan de vraag of op basis van het relevante Unierechtelijke auteursrechtelijke kader al dan niet sprake was van een geoorloofde beperking. Payingit c.s. voert in cassatie (nota bene) zelf aan dat ‘Workrate zou kunnen betogen dat het in casu niet gaat om een beperking op de exclusieve rechten van PayingIP, maar om een vorm van toestemming die Payingit c.s. zou hebben gegeven’ [28] . Dat is precies wat Workrate – m.i. terecht, gelet op de besproken hofaanpak hier – heeft betoogd [29] . Payingit c.s. heeft zich
vervolgensop het standpunt gesteld dat
ook in die situatiegeldt dat het hof het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend [30] . Dat gaat echter de portee van de klacht over rov. 5.15 (ver) te buiten. Payingit c.s. heeft nog geprobeerd hier een mouw aan te passen door te betogen dat deze klacht moet worden
gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande klachten, en dan met name subonderdeel 1.3 onder c(besproken in 3.17-3.21) [31] . Een klacht met de strekking dat het hof bij zijn
Haviltex-oordeel (uitleg en aanvulling naar redelijkheid) het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend, ligt volgens mij niet besloten in het cassatiemiddel – ook niet als de klachten van dit onderdeel in onderlinge samenhang worden bezien. In gelijke zin Workrate en zij heeft in cassatie ook geen uitbreiding van de rechtsstrijd buiten de voor haar uit het cassatiemiddel kenbare klachten aanvaard [32] . Ik meen dan ook dat het bij die stand van zaken niet opportuun is om nader in te gaan op wat het Payingit c.s. bij mondeling pleidooi en bij s.t. heeft aangevoerd over strijd met het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader in verband met het ontbreken van voorafgaande toestemming van PayingIP, nu dat voor de bespreking van de klachten uit het cassatiemiddel niet van belang is. De klachten van het onderdeel vinden hierin hun Waterloo.
Via [betrokkene 3], de bestuurder van diens holdingvennootschap DENDER, heeft de desbetreffende wetenschap vervolgens ook medekoper DENDER bereikt. Het hof hoefde dus niet vast te stellen dat [eiser 5] en [eiser 6] in een andere hoedanigheid optraden dan als bestuurder van hun holdingvennootschappen. De hoedanigheden waarin [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] aan Koperszijde optraden, blijken al uit de door het hof vastgestelde feiten in rov. 3.3 en 3.7 en dat hoefde het hof in rov. 5.21 niet te herhalen. Het oordeel van het hof is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Subonderdeel 2.1 mist daarmee doel.
nietwordt betwist:
productie 19 [35] ):
Zij[KlasseStudent, adv.]
noemen hun applicatie “KlasseNet” – terwijl het feitelijk een (oude) versie van de Workmate/Usemate is”
KlasseNet is gebaseerd op een zogenoemde “fork” van het 2010 softwarepakket Workmate.”
licentieheeft ontvangen van Workrate voor het gebruik van de Usemate software. Die betwisting staat echter niet in de weg aan de feitenvaststelling door het hof in rov. 3.6 die is ontleend aan rov. 3.5 eindvonnis. Het hof heeft in rov. 3.6 feitelijk vastgesteld dat Workrate KlasseStudent omstreeks 2010 ‘ontwikkelrechten met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate software’ heeft gegeven. Daarmee heeft het hof niet als feit vastgesteld dat Workrate formeel toestemming heeft verleend aan KlasseStudent in de vorm van een licentie of anderszins, maar slechts dat Workrate feitelijk ontwikkelrechten heeft gegeven aan KlasseStudent voor het gebruik van de Usemate software [37] . Dat volgt ook uit de stellingen van Workrate bij inl. dagv. 11.11 waar Payingit c.s. (nota bene) zelf naar verwijst (zie de hiervoor geciteerde mvg 219). De klacht faalt dus voor zover die is gericht tegen de feitenvaststelling van het hof in rov. 3.6. Grief 7 en de toelichting daarop staan niet in de weg aan de feitenvaststelling in rov. 3.6 zoals die moet worden verstaan.
feitelijkegebruik, waarbij het hof in het midden kon laten hoe dat gebruik jaren eerder
formeel, al dan niet in de vorm van een expliciete licentie, precies was vormgegeven tussen Workrate en KlasseStudent. De toelichting op grief 7 op dit punt is in zoverre dus niet relevant voor het oordeel van het hof. Het is verder ook niet onduidelijk hoe Workrate naar het hofoordeel in rov. 5.22 redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat Kopers ermee instemden dat KlasseStudent hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet zou mogen voortzetten. Dat
Haviltex-oordeel heeft het hof immers gestoeld op de omstandigheden (‘onder deze omstandigheden’) die het heeft genoemd in rov. 5.21, dus onder meer de door [betrokkene 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan onder anderen [eiser 5] en [eiser 6] doorgestuurde e-mail van 28 juni 2016. Dat is een feitelijk en niet onbegrijpelijk uitlegoordeel. Subonderdeel 2.2 en daarmee heel onderdeel 2 kan zodoende in mijn optiek niet tot cassatie leiden.
grotendeelsin het ongelijk wordt gesteld [48] . Dat geldt dus evenzeer in het kader van art. 1019h Rv [49] . Het hof heeft in rov. 5.28 geoordeeld dat Payingit c.s. in hoger beroep de overwegend in het ongelijk gestelde partij is. Onjuist of onbegrijpelijk is dat niet. Weliswaar wordt Payingit c.s. in zoverre in het gelijk gesteld dat de primair onder I door Payingit c.s. gevorderde verklaring voor recht door het hof is toegewezen, maar voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, wat betekent dat alle overige vorderingen van Payingit c.s. zijn afgewezen en enkele door Workrate gevorderde verklaringen voor recht zijn toegewezen. Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat geen van de overige afgewezen vorderingen van Payingit c.s. en geen van de toegewezen vorderingen van Workrate die in hoger beroep voorlagen betrekking hadden op de handhaving van IE-rechten, mist de klacht feitelijke grondslag [50] . Subonderdeel 3.1 kan niet tot cassatie leiden.
ultra petitum) beslist.
ultra petitum) hebben beslist als het meer dan het gevorderde bedrag aan proceskosten zou hebben toegewezen, dus meer dan het primair gevorderde bedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht). Dat heeft het hof niet gedaan, met de toewijzing op grond van de indicatietarieven voor IE-zaken gerechtshoven van een bedrag van € 40.000 te vermeerderen met het griffierecht van € 783.
voortbouwklachtdie inhoudt dat gegrondbevinding van (klachten van) de onderdelen 1 t/m 3 betekent dat ook niet in stand kan blijven wat het hof onder meer in rov. 3.1, 5.19, 5.23-5.24, 5.27 t/m 5.29 heeft geoordeeld en in het dictum (voor zover betreden) heeft beslist. Deze klacht mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de vorige onderdelen.
4.Kosten
Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting-zaak [78] , heb ik het standpunt ingenomen dat die rechtspraak in een geval als dit ook opgaat, zodat bij de door partijen gevorderde bedragen voor de cassatieprocedure dient te worden vastgesteld welk deel betrekking heeft op het auteursrechtelijke deel en welk deel op de 1019h-proceskostenclaims in hoger beroep. Partijen hebben dit zelf niet gedaan, maar de Hoge Raad kan dat ambtshalve schatten [79] . Dat zou, indien dit standpunt gevolgd zou worden, ook in deze zaak kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door voor twee derde deel (per onderdeel van het cassatiemiddel bezien, alleen onderdeel 3 gaat over de kosten) of vier vijfde deel (op basis van het aantal klachten: twee van de tien gaan over de art. 1019h Rv-aanspraken in appel) de kostenveroordeling volgens art. 1019h Rv toe te passen en voor het resterende deel het gebruikelijke liquidatietarief volgens art. 237 Rv Pro.