Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Eliminatiebeginsel
voorliggend bestemmingsplan maakt de nieuwe weginfrastructuur juridisch-planologisch mogelijk”. Ook wijst hij erop dat in het voorjaar van 2016 een verzoek van het Waterschap tot wijziging van de begrenzing van het nieuwe bestemmingsplan is afgewezen omdat het bestemmingsplan alleen in de juridisch-planologische regeling voor de relatie van de infrastructuur en de daarbij behorende voorzieningen voorziet. Volgens [onteigende] blijkt hieruit dat het nieuwe bestemmingsplan uitsluitend is vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk te geven. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals ook door de deskundigen en de gemeente naar voren is gebracht, is de aangehaalde zin een standaardzin die in de meeste bestemmingsplannen zal worden aangetroffen. Een bestemmingsplan is er immers naar zijn aard op gericht om een of andere ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. De omstandigheid dat het bestemmingsplan alleen de ontwikkeling van de infrastructuur mogelijk heeft gemaakt en niet tevens de door het Waterschap verzochte ontwikkeling doet daar niet aan af. Daaruit blijkt immers niet dat sprake was van een bestaand concreet plan en dat is de maatstaf waaraan moet worden getoetst.
Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de A4 op het perceel behelst.” Volgens [onteigende] lag al ver voor de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan op 6 juni 2017 vast dat er een weg over zijn perceel zou komen. Hij wijst er onder meer op dat er al vanaf 2015 sprake is geweest van overleg over de minnelijke verwerving door de gemeente. Ook is het tracé al precies te zien op de bijlage bij de brief van de gemeente van 31 mei 2016. Het voorontwerpbestemmingsplan is op 9 juni 2016, dus ruim een jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, ter inzage gelegd. Vanaf dat moment is het tracé over het perceel nooit meer gewijzigd, aangepast, uitgewerkt of geoptimaliseerd, aldus [onteigende].
en de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, dat die bestemming met het plan waarvoor onteigend wordt moet worden vereenzelvigd. Daarmee is dan ook gegeven dat volgens de rechtbank niet kan worden gezegd dat de bestemming die aan het onteigende is gegeven door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan.
over het perceel van [onteigende]loopt (waarbij in het midden blijft of het tracé over het later onteigende gedeelte van het perceel loopt of over het overblijvende).
slechts om plannen met een algemeen karakter(als bedoeld in het arrest van uw Raad van 26 mei 2023) zou gaan’. [14] Die klacht is niet anders toegelicht dan met de stelling dat de rechtbank gelet op haar constatering dat in de Challengevariant sprake was van een tracé dat liep over het onteigende, had moeten komen tot de beslissing dat de aan het onteigende gegeven bestemming was bepaald door het
concrete planbestaande uit de Challengevariant. Mijns inziens past dat niet bij elkaar. Het is mij namelijk niet gelukt om plannen met een algemeen karakter en concrete plannen (voor het werk) anders te begrijpen dan als categorieën die elkaar onderling uitsluiten. [15]
ter plaatse van het onteigende. Het is dus slechts van belang of het werk ter plaatse van het onteigende al is vervat in een voorafgaand aan het bestemmingsplan bestaand concreet plan. Slechts relevant is daarom of in de ter beoordeling voorliggende plannen ter plaatse van het onteigende is voorzien in de aanleg van het wegtracé, omdat dit het werk is ten behoeve waarvan de onteigening plaatsvindt. Irrelevant is of (de planvorming van) het werk dat niet op het onteigende is gelegen in de loop van de tijd aan veranderingen onderhevig is geweest.
indicatieve inrichtingwaarbij het groene gedeelte de marge vormt voor de uiteindelijke ligging van het tracé (die marge wordt in het origineel ook aangegeven met pijlen). Dat hier naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake was van een concreet plan, acht ik niet onbegrijpelijk.
5.5 in casu: concreet plan/normale rol bestemmingsplan In de ruimtelijke ordening?
verondersteltdat het zo is. Een zodanige subjectief gekleurde veronderstelling is echter niet genoeg. Hoe dan ook, de weging in hoeverre sprake was van meer dan mogelijkheden of waarschijnlijkheden in de zin van een
voldoende concreet planis voorbehouden aan de rechtbank als rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk is die weging mijns inziens niet. Ik merk nog op dat ook deze klachten er ten onrechte aan voorbijzien dat ook ter plaatse van het perceel van [onteigende] nog nadere uitwerking en optimalisatie heeft plaatsgevonden (hiervoor 3.31 e.v.).
anderepercelen dan het onteigende geen vereiste is voor het ontstaan van een concreet plan, beperk ik mij tot de opmerking dat de in rechtsoverweging 3.30 genoemde onderdelen van de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval deels op het perceel van [onteigende] betrekking hebben. [26]
zeker is dat het perceel van [onteigende] wordt doorkruist door de verbinding tussen de [b-straat]/[c-straat] en [d-straat]”.’
ten gevolge van de onteigeninggeleden schade. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.33 geoordeeld dat de waardevermindering van het perceel van [onteigende] het gevolg was van een nadelige bestemmingswijziging en niet van de onteigening. Het cassatiemiddel klaagt niet over dit oordeel. Reeds daarop stuiten de klachten van het subonderdeel af.
Vergoeding planschade
de autowegontsluiting van Eindhoven Airport via A2/N2, A58 (aansluiting Best) en de maatregelen op onderliggend wegennet, zoals opgenomen in bijlage 3 (Verbeelding Challengevariant)”. Bijlage 3 is ook in de Staatscourant gepubliceerd. Op pagina 16 van hun rapport hebben de deskundigen daarvan een afbeelding opgenomen.
Artikel 5 (Challengevariant)
Uitzondering op planschaderegels?
overtuigendereden moet zijn om uit te kunnen gaan van een in enig opzicht andere maatstaf dan de maatstaf die volgt uit het reguliere planschaderecht.
moet worden gemaakt. Uitgangspunt van de deskundigen is immers het scenario waarin geen sprake is van eliminatie en vergoeding van planschade, zij het dat zij ‘pleitbaar’ achten dat wat betreft de vergoeding van planschade een uitzondering moet worden gemaakt op regels die buiten het onteigeningsrecht daarvoor gelden en daarom ook een alternatief scenario hebben opgenomen. De deskundigen laten het uitdrukkelijk aan de rechter om de knoop hierover door te hakken. Ik voeg daaraan toe dat op zichzelf de opvatting van de deskundigen niet maakt dat aan de motivering van de onteigeningsrechter hogere eisen moeten worden gesteld dan anders.