ECLI:NL:PHR:2026:207

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/04369
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 WvggzArt. 6:6 lid 2 WvggzArt. 1:6 lid 1 WvggzArt. 272 RvArt. 5 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen zorgmachtiging en bevestigt relatieve bevoegdheid rechtbank

In deze zaak heeft de officier van justitie een opvolgende zorgmachtiging van 24 maanden verzocht voor betrokkene, die niet aanwezig was bij de zitting maar via haar advocaat te kennen gaf wel gehoord te willen worden. De rechtbank verleende een zorgmachtiging voor één maand en hield de beslissing over de langere duur aan, omdat betrokkene niet bereid werd geacht zich te laten horen.

Betrokkene voerde in cassatie aan dat zij niet gehoord was, dat de rechtbank ten onrechte niet had verwezen naar de rechtbank van haar verblijfplaats, dat zij niet correct was opgeroepen en dat de rechtbank geen inhoudelijke beoordeling had gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord, mede omdat zij ongeoorloofd afwezig was en geen initiatief nam om digitaal deel te nemen.

Verder bevestigde de Hoge Raad dat de rechtbank Noord-Nederland bevoegd was, omdat het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend is voor de relatieve bevoegdheid en betrokkene's woonplaats in dat arrondissement ligt. De klachten over de oproeping en de inhoudelijke motivering faalden eveneens. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank aan haar onderzoeks- en motiveringsplicht had voldaan en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de zorgmachtiging voor één maand met aanhouding van de beslissing over de langere duur.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04369
Zitting27 februari 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissementsparket Noord-Nederland,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden verkort aangeduid als
betrokkenerespectievelijk
officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de officier van justitie een opvolgende zorgmachtiging verzocht van 24 maanden. Betrokkene was niet op de zitting aanwezig; haar advocaat was dat wel. De rechtbank heeft bij deelbeschikking een zorgmachtiging verleend voor de duur van één maand, met aanhouding van de beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging. Het cassatieberoep is gericht tegen de deelbeschikking om een zorgmachtiging voor één maand te verlenen.
1.2
Betrokkene voert aan dat zij niet is gehoord, terwijl zij via haar advocaat te kennen heeft gegeven wél te willen worden gehoord. Zij stelt verder dat zij op het moment van de zitting in [plaats 2] verbleef en dat de rechtbank Noord-Nederland de behandeling van de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank [plaats 2] . Ook zou niet vaststaan dat verzoeker op juiste wijze voor de zitting is opgeroepen. Tot slot zou de rechtbank geen (toereikende) inhoudelijke beoordeling hebben gegeven.
1.3
Ik meen dat de klachten falen en concludeer daarom tot verwerping.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [1]
2.2
Sinds 2016 zijn ten aanzien van betrokkene machtigingen verleend, aanvankelijk door de rechtbank [plaats 2] en sinds november 2023 door de rechtbank Noord-Nederland. [2] De laatstgenoemde rechtbank heeft met betrekking tot betrokkene op 29 oktober 2024 een zorgmachtiging verleend, geldig tot en met 29 oktober 2025.
2.3
Betrokkene wordt geacht met deze machtiging in GGZ [locatie] te verblijven. [locatie] wordt daarmee geacht haar verblijfplaats te zijn. Uit dossierstukken blijkt dat voor betrokkene als woonadres [a-straat 1] te [plaats 1] wordt aangehouden. [3] De [ggz-instelling] heeft daar een vestiging.
2.4
Bij verzoekschrift met bijlagen, op 24 september 2025 binnengekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de
rechtbank) heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van 24 maanden voor de in het verzoek vermelde vormen van verplichte zorg. Dit verzoek wordt onder meer gebaseerd op een medische verklaring die op 15 september 2025 is opgesteld door een onafhankelijk psychiater op basis van een onderzoek in persoon. [4]
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Betrokkene was bij de zitting niet aanwezig. Zij bevond zich, zo valt uit het dossier op te maken, kennelijk in [plaats 2] . De mentor van betrokkene had de rechtbank laten weten niet op de zitting aanwezig te zijn en zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting zijn gehoord: de advocaat van betrokkene, een GZ-psycholoog, een basisarts en een begeleider.
2.6
Bij beschikking van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord in de kliniek in [locatie] , waar zij volgens de rechtbank ongeoorloofd afwezig was. Ik citeer (onderstrepingen hieronder en hierna in deze conclusie door mij toegevoegd; A-G):
“4.1. In artikel 6:1, lid 1, Wvggz is bepaald dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging niet beslist dan nadat betrokkene ten aanzien waarvan een machtiging wordt verzocht, is gehoord, tenzij de rechtbank vaststelt dat betrokkene niet in staat of bereid is zich te doen horen.
4.2
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer ECLI:NL:HR:2025:972) volgt uit het in voormelde bepaling neergelegde recht van betrokkene om te worden gehoord dat de rechter een onderzoeks- en motiveringsplicht heeft waar het gaat om de vraag of betrokkene al dan niet bereid of in staat is om te worden gehoord. Hierbij geldt dat ‘niet noodzakelijk is dat betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van artikel 6:1, lid 2, Wvggz’, aldus de Hoge Raad.
4.3
In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.
De advocaat van betrokken heeft ter zitting te kennen gegeven dat betrokkene in [plaats 2] verblijft en dus niet bij de zitting aanwezig is, maar dat zij wel graag wil worden gehoord. Betrokkene is wel op de hoogte van de zitting van vandaag maar wil niet terugkeren naar [locatie] .Zij zou nog wel digitaal willen aansluiten bij een zitting.
Niet in geschil is echter dat betrokkene al sinds enige tijd ongeoorloofd afwezig is. Om die reden is de behandeling ter zitting van dit verzoek die eerst op 9 oktober was bepaald al verplaatst naar heden, 14 oktober 2025 (tevens de laatste dag van de wettelijke beslistermijn), om betrokkene een tweede kans te geven bij de zitting aanwezig te zijn. Betrokkene is op 15 september 2025 in [locatie] nog voor de medische verklaring face-to-face onderzocht door de onafhankelijk psychiater, maar heeft er daarna voor gekozen om niet terug te keren van onbegeleid verlof. Omdat betrokkene al sinds 2016 vrijwel onafgebroken bekend is met verplichte opnames/verplichte zorg, met tenminste jaarlijks een (verlengings)-zitting, kon zij weten dat niet lang na het gesprek met de onafhankelijk psychiater een zitting zou plaatsvinden om het verzoek te behandelen.
De rechtbank stelt voorts [vast; A-G] dat betrokkene kennelijk heeft aangegeven wel digitaal aan te willen sluiten bij [e]en zitting, maar dat zijzelf – dan wel haar advocaat – geen enkel initiatief heeft genomen om digitaal bij de zitting van heden aanwezig te zijn. Op voorstel van de rechtbank heeft de advocaat van betrokkene ter zitting nog getracht betrokkene telefonisch te bereiken, maar betrokkene nam - ondanks haar bekendheid met de zitting - niet op.
Hoewel betrokkene via haar advocaat in wóórd te kennen heeft gegeven door de rechtbank te willen worden gehoord, stelt de rechtbank op grond van het vorenstaande echter vast zij zich daar feitelijk niet naar heeft gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet op de weg van de rechtbank om, in geval van ongeoorloofde aanwezigheid van betrokkene, zich naar haar feitelijke verblijfplaats (in dit geval ca. 165 km. verderop) te begeven.
Alles te samen genomen heeft de rechtbank geconcludeerd dat betrokkene niet bereid was in de kliniek te [locatie] te worden gehoordwaarna de zitting zonder haar bijzijn is voortgezet.”
2.7
Met betrekking tot de aanwezigheid van een psychische stoornis en daardoor veroorzaakt ernstig nadeel overweegt de rechtbank:
“4.4. De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam vaststaat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene is gediagnosticeerd met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), schizofreniespectrum- en andere psychische stoornissen en middel gerelateerde- en verslavingsstoornissen.
4.5.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige materiële schade;
- ernstige immateriële schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- ernstige verstoorde ontwikkeling;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen onder van hinderlijk gedrag;
- gevaar voorde algemene veiligheid van personen en goederen.
4.6.
Ter toelichting op de psychische stoornis en het daaruit voortvloeiende nadeel overweegt de rechtbank verder als volgt. Betrokkene is bekend met een schizo- affectieve stoornis van het bipolaire type, zwakbegaafdheid en middelengebruik. Betrokkene kent een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis met manische en gedesorganiseerde episodes. De luxerende factoren tijdens deze episodes waren middelengebruik, medicatieweigering en spanning. In het verleden is gebleken dat betrokkene tijdens een episode mensen in huis haalde die misbruik van haar situatie maakten en haar woning overnamen voor het gebruik en verhandelen van drugs. Daardoor ontstond overlast in de buurt en zijn er ook vechtpartijen geweest waar zij bij betrokken was. Er volgden uiteindelijk een aantal verschillende opnames. In het begin verbleef betrokkene bij Duurzaam Verblijf [plaats 1] en hier stabiliseerde haar toestandsbeeld waarop ze kon worden overgeplaatst naar een meer open afdeling. Dit ging een periode goed, waarbij betrokkene met veel succes vrijwilligerswerk deed. Hoewel betrokkene kwetsbaar bleef, zorgde de combinatie van abstinentie en het innemen van medicatie voor een positief evenwicht. Na een nieuwe overplaatsing vond er echter een terugval in middelengebruik plaats en staakte ze de medicatie. […] Uiteindelijk werd betrokkene overgeplaatst naar [ggz-instelling] en kon aldaar dankzij medicatie het manisch-psychotisch beeld goed behandeld worden. Tijdens een onbegeleid verlofmoment heeft betrokkene zich echter onttrokken aan de behandeling en verbleef vervolgens een aantal maanden op een onbekend adres in [plaats 2] . Zij is later door [de] politie aangehouden wegens vernielingen aan auto's en teruggebracht naar de kliniek. Betrokkene verblijft sinds augustus 2025 op [locatie] .
Na een aantal goed verlopen begeleide verloven heeft betrokkene zich bij een onbegeleid verlof opnieuw onttrokken aan zorg. Vier dagen later werd zij teruggebracht door de politie, omdat ze was aangehouden wegens overlast. Betrokkene zou momenteel redelijk stabiel functioneren. Sinds de laatste weken is betrokkene echter opnieuw ongeoorloofd afwezig geweest.”
2.8
Vervolgens overweegt de rechtbank dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis (rov. 4.8). De rechtbank oordeelt (rov. 4.9) dat:
“[…] op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting […] de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon-of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.”
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven met hetzelfde beoogde effect (rov. 4.10).
2.9
Met betrekking tot de termijn van de te verlenen machtiging overweegt de rechtbank (rov. 4.11):

Ondanks dat betrokkene er kennelijk voor heeft gekozen om op het moment van de behandeling ter zitting niet in de kliniek aanwezig te zijn, en zich daarmee in de positie heeft gebracht dat zij niet ter zitting op het verzoek is gehoord, wil de rechtbank haar toch nog een keer in de gelegenheid stellen om alsnog op het verzoek te worden gehoord. Omdat 14 oktober 20[2]5 de laatste dag van de beslistermijn is, is aanhouding van het verzoek geen optie. Dit zou betekenen dat (op grond van artikel 6:6, lid 2, Wvggz) de op 29 oktober 2024 voor een jaar verleende zorgmachtiging per 15 oktober 2025 zou vervallen, met als gevolg dat aan betrokkene geen verplichte zorg meer zou kunnen worden verleend. Om deze situatie te voorkomen zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van 1 maand, met aanhouding van de beslissing omtrent de langer verzochte duur. De behandeling ter zitting zal binnen deze termijn, op de in het dictum vermelde datum, worden voortgezet.”
2.1
Die datum is 13 november 2025. Uit het dossier valt niet op te maken of er die dag inderdaad een nieuwe zitting is gehouden en zo ja, of toen een opvolgende zorgmachtiging is verleend.
2.11
Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 14 oktober 2025. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Onderdeel Iricht klachten tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord (de in 2.6 geciteerde rov. 4.3), hoewel de rechtbank haar dus in de gelegenheid heeft gesteld alsnog te worden gehoord (zie de zojuist in 2.9 geciteerde rov. 4.11). Betrokkene meent kort gezegd dat zij ten onrechte niet is gehoord, terwijl bekend was dat zij wel gehoord wilde worden.
Onderdeel IIricht een algemeen geformuleerde klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die ernstig nadeel kan veroorzaken (de in 2.7 geciteerde rov. 4.4-4.6).
Onderdeel 1.1: de rechtbank had de zaak moeten verwijzen naar de rechtbank Amsterdam
3.2
Het onderdeel klaagt over het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord en daarom niet hoefde te worden gehoord voorafgaand aan de beslissing van de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van één maand te verlenen. Zie ik het goed, dan is de klacht enerzijds gebaseerd op de mededeling van de advocaat ter zitting dat betrokkenen niet heeft gezegd “
dat zij afziet van haar recht om gehoord te worden [5] , en anderzijds op de veronderstelling dat het bij GGZ Drenthe bekend was dat de feitelijke verblijfplaats van betrokkene [plaats 2] is en zij daar verbleef bij haar moeder van wie het telefoonnummer en e-mailadres bij de instelling bekend waren zodat “
aangenomen dat ook het adres van de moeder bekend is”. Daaruit leidt het onderdeel af dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank Amsterdam .
3.3
De klacht faalt.
3.4
Op grond van art. 1:6 lid Pro 1, eerste zin, Wvggz is, onder andere voor de toepassing van hoofdstuk 6 (zorgmachtiging), uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van de betrokkene of de rechter van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, in zaken betreffende de Wvggz. De Hoge Raad heeft die bepaling zo uitgelegd dat hierbij het tijdstip van indiening van het verzoek om een machtiging bepalend is, en enkele overwegingen gewijd aan de mogelijkheden die de rechter ten dienste staan in het geval dat betrokkene ná dat tijdstip zijn woonplaats of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, heeft verplaatst naar een plaats in een ander arrondissement. [6] De rechter kan dan, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. In rov. 3.2.3 van die beschikking oordeelt de Hoge Raad dat art. 1:6 lid Pro 1, eerste zin, Wvggz als volgt moet worden uitgelegd:
“3.2.3 […]. Op grond van deze bepaling is de rechter van de woonplaats van de betrokkene of de rechter van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, bevoegd in zaken betreffende de Wvggz (uitgezonderd hoofdstuk 5, paragraaf 6, en hoofdstuk 10). Daarbij is het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend. In het geval dat de betrokkene na de indiening van het verzoekschrift zijn woonplaats of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, heeft verplaatst naar een ander arrondissement,
kande rechter, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. Verwijzing moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat de bij wet voor de beslissing van de rechter gestelde termijn kan worden gehaald.
[…]
Opmerking verdient nog dat het voorgaande onverlet laat
de mogelijkheidom de zaak op de voet van art. 40 lid 2 RO Pro te laten behandelen en beslissen door een rechter van het arrondissement waar de betrokkene inmiddels verblijft.
3.2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, was de rechtbank Rotterdam niet gehouden, maar wel
bevoegdom de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag en was de rechtbank Den Haag bevoegd om op het verzoek te beslissen.”
3.5
Uit het voorgaande volgt dat het aan de klacht ten grondslag liggende uitgangspunt dat de rechtbank
verplicht wasde zaak naar de rechtbank Amsterdam te verwijzen, onjuist is. Bovendien is, ook als betrokkene haar feitelijke verblijfplaats naar [plaats 2] zou hebben verplaatst (wat feitelijk niet is vastgesteld), de rechter van haar woonplaats nog steeds bevoegd. Het staat vast dat die woonplaats, of dat nu [plaats 1] is of [locatie] , zich bevindt in de provincie Drenthe en daarmee in het arrondissement van de rechtbank Noord-Nederland.
3.6
Tegen het voorgaande kan niet worden ingebracht dat de betrokkene in de in 3.4 aangehaalde zaak zijn verblijfplaats had verplaatst
naindiening van het verzoekschrift om een zorgmachtiging, terwijl in de onderhavige zaak betrokkene al feitelijk in [plaats 2] zou verblijven (bij haar moeder of haar broer)
vóórdathet verzoekschrift van de officier van justitie bij de rechtbank is ingediend (op 24 september 2025). Ten eerste staat vast, als gezegd, dat de woonplaats van betrokkene zich onveranderd in Drenthe bevond. Ten tweede staat vast dat betrokkene op die datum al in ‘verplicht kader’ werd behandeld. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat zij ongeoorloofd afwezig was in de kliniek in [locatie] . Zij had na het medisch onderzoek op 15 september 2025 aldaar ervoor gekozen om niet terug te keren van onbegeleid verlof. [7] Ten derde is niet feitelijk vastgesteld wanneer betrokkene naar [plaats 2] zou zijn vertrokken en evenmin of zij daar ook daadwerkelijk verbleef.
3.7
Tot slot merk ik het volgende op. De wettelijke regels met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de rechter dienen zowel de doelmatigheid als de rechtszekerheid. Deze doelstellingen zijn er niet mee gediend indien een tijdelijk verblijf elders ertoe zou kunnen leiden dat de rechter van de woonplaats niet langer bevoegd is over een zaak te oordelen. In elk geval dient te worden voorkomen dat het tijdelijk verplaatsen van de verblijfplaats naar een ander arrondissement leidt tot situaties waarin het recht zijn loop niet kan krijgen.
Onderdeel 1.2: betrokkene niet behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling
3.8
Volgens
onderdeel 1.2.1was bij de rechtbank bekend dat betrokkene bij haar moeder verbleef en de zitting daarom is uitgesteld van 9 tot 15 oktober 2025. Niet is gebleken dat er een oproep naar betrokkene in [plaats 2] is gestuurd (op het adres van haar moeder).
3.9
De klacht faalt.
3.1
Op zichzelf merkt het onderdeel met juistheid op dat uitgangspunt is dat de betrokkene voor de mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met art. 272 e.v. Rv. Ik verwijs naar de al genoemde uitspraak van 24 februari 2023. [8] In die zaak was bij de rechtbank uitdrukkelijk het verweer gevoerd dat de betrokkene niet deugdelijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Bij de mondelinge behandeling hier is dat verweer niet gevoerd. De advocaat van betrokkene begon haar verklaring als volgt: “
Betrokkene weet van de zitting af. [9]
3.11
Verder verwijs ik naar de ook in de bestreden beschikking en in het middel genoemde uitspraak van 20 juni 2025. [10] Daarin overwoog de Hoge Raad het volgende:
“3.2.3 De vaststelling dat de niet op de mondelinge behandeling verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro, veronderstelt in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Uitgangspunt is dat de betrokkene voor die mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met de art. 272 e.v. Rv.
Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.”
3.12
Ook indien er in dit geval met de oproeping voor de mondelinge behandeling iets mis zou zijn gegaan (wat bij de mondelinge behandeling niet is gesteld), was betrokkene blijkens de aan het slot van 3.10 geciteerde verklaring van de advocaat klaarblijkelijk langs andere weg op de hoogte gesteld van of bekend geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Daar komt bij dat de rechtbank zich ter zitting moeite heeft getroost om betrokkene toch te kunnen horen, door de advocaat gelegenheid te geven haar telefonisch aan te laten haken bij de zitting. Betrokkene nam echter haar telefoon niet op en zij had ook geen inhoudelijk overleg met haar advocaat gehad voorafgaande aan de zitting, aldus de advocaat. [11] Ik meen dat de rechtbank heeft voldaan aan de onderzoeks- en motiveringsplicht zoals die voortvloeit uit onder meer de in 3.11 geciteerde uitspraak van 20 juni 2025.
3.13
Onderdeel 1.2.2betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene, die al geruime tijd verplichte zorg kreeg, kon weten en begrijpen dat er na het gesprek met de onafhankelijk psychiater een zitting zat aan te komen. Volgens het middel is dat in haar geval te veel gevraagd, mede omdat in de medische verklaring van 15 september 2025 wordt genoteerd dat zij een verstandelijke beperking heeft.
3.14
Wat van dat laatste ook zij, bij de klacht heeft betrokkene geen belang gelet op de redenen waarom de klacht in onderdeel 1.2.1 niet opgaat.
3.15
De klacht
onder 1.2.3voegt mijns inziens niets toe aan de klachten onder 1.2.1 en 1.2.2.
3.16
De slotopmerking dat “
de wijze waarop de rechtbank onder de hoorplicht uit probeert te komen […] in strijd [is] met art. 5 lid Pro 1 , aanhef en onder e, EVRM” acht ik misplaatst. Hoewel de rechtbank uit het geheel van feiten en omstandigheden heeft geconcludeerd dat betrokkene bekend was met de zitting maar daar niet heen wilde gaan, heeft de rechtbank – in verband met de (lange) duur van de verzochte zorgmachtiging – beslist haar toch een herkansing te geven, door de zorgmachtiging te beperken tot één maand en een nieuwe zittingsdatum te bepalen zodat zij alsnog kan worden gehoord (zie rov. 4.11).
Onderdeel 1.3: financiële perikelen
3.17
Het onderdeel betoogt dat uit de ter zitting gedane verklaringen van de behandelaar blijkt dat deze wist dat betrokkene in [plaats 2] zat en een treinkaartje terug naar [plaats 1] voor haar financieel niet mogelijk was. De rechtbank had daar niet aan voorbij mogen gaan toen zij het verzoek om aanhouding van de zaak afwees.
3.18
Daargelaten dat betrokkene kennelijk wel (financieel) in staat is geweest
naar[plaats 2] te reizen betekent de omstandigheid dat betrokkene moeite heeft naar de zitting in haar woonplaats toe te komen niet dat zij niet behoorlijk zou zijn opgeroepen. Indien al sprake zou zijn van ‘financiële perikelen’ betekent dat ook niet dat mag worden aangenomen dat betrokkene wél bereid was zich te doen horen door de rechtbank. Bovendien, als onmacht haar tijdelijk verhinderde naar de zitting te komen maar zij wel alsnog zou willen komen, heeft de rechtbank dat netjes opgelost door haar op 13 november 2025 een herkansing te geven. Voor de tussentijd moest de rechtbank gelet op de wettelijke beslistermijn een beslissing nemen over de verlenging van de aan betrokkene te verlenen verplichte zorg, temeer nu de medische verklaring de noodzaak daarvan ondersteunde.
Onderdeel 2: geen inhoudelijke behandeling
3.19
Het middel voert aan dat door de rechtbank geen inhoudelijke beoordeling heeft plaats gevonden. De elementen waaruit het ernstig nadeel bestaat (zie rov. 4.5) heeft de rechtbank klakkeloos uit het verzoek van de officier van justitie overgenomen. [12] Dat oordeel zou in strijd zijn met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM en zou ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.2
Ook deze laatste klacht faalt.
3.21
Los van het feit dat namens betrokkene ter zitting geen inhoudelijk verweer gevoerd is (alles wat de advocaat blijkens het proces-verbaal naar voren heeft gebracht zag op het horen van betrokkene), bestaat er geen verplichting voor de rechtbank om het oordeel omtrent het ernstig nadeel dat voortvloeit uit een bij een betrokkene door een psychiater vastgestelde psychische stoornis onderdeel voor onderdeel te motiveren. Ernstig nadeel in een mate die het verlenen van verplichte zorg kan rechtvaardigen kan ook reeds zijn aangetoond als zich slechts enkele verschijningsvormen van ernstig nadeel voordoen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie o.a. de bestreden beschikking Rb Noord-Nederland 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4915, onder 1 en 2.
2.Zie het historisch overzicht (dossierstuk 8).
3.Zie o.a. het Uittreksel Justitiële Documentatie (dossierstuk 11) en de kopie van de toevoeging (dossierstuk 16).
4.De medische verklaring is overgelegd als dossierstuk 5.
5.Proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2025, p.1.
6.Zie HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316,
7.Zie rov. 4.6 van de bestreden beschikking.
8.HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316,
9.Proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2025, p. 1.
10.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972,
11.Proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2025, p. 2, bovenaan.
12.Zie het verzoek van de officier van justitie, p. 1 en 2 (dossierstuk 3).