Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Feit 1
3.3.2 Bewijsoverweging
Aanvullende bewijsoverwegingen
afgewezen. Van de getuige is, zoals blijkt uit het proces-verbaal bevindingen van de raadsheer-commissaris, een nieuw BRP-adres bekend aan de [e-straat 1] te [plaats] , dat een opvanglocatie van het Leger des Heils blijkt te zijn. Aan de oproeping aan dit adres voor zijn getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris heeft hij geen gehoor gegeven. De eerdere bekende adressen aan de [c-straat] en de [d-straat] te [plaats] kunnen als achterhaald worden beschouwd. Uit de berichten van de politie blijkt dat de getuige in [plaats] rondzwerft. Het hof overweegt dan ook dat dit alles tezamen genomen maakt dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord;”
(Voorwaardelijke) Getuigenverzoeken
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2020, doorgenummerde pagina’s 69-70 van het einddossier.
[het hof begrijpt: 2020]waren wij, verbalisanten, te [plaats] . [getuige 2] verklaarde ons desgevraagd het volgende: “Ik kom net hier samen met mijn broertje, [getuige 1] . Wij parkeerden onze auto in de De Weerdstraat. Direct werden wij aangesproken door een jongen. Die jongen zou [naam 1] heten. [naam 1] wilde 10 euro hebben van [getuige 1] . Ik weet het telefoonnummer van [naam 1] , dat is 06- [0001] ”.
eerste deelklacht, overwogen dat het “onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord”. Daarmee heeft het hof de afwijzing van het getuigenverzoek gebaseerd op art. 288 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv, welke bepaling op grond van art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is. Art. 288 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv luidt:
tweede deelklachthet volgende. Het hof heeft geoordeeld dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof overweegt in dat verband dat de beperking in de uitoefening van het ondervragingsrecht voldoende is gecompenseerd doordat de betrouwbaarheid van getuige [getuige 1] – evenals de betrouwbaarheid van zijn broer en tevens getuige [getuige 2] – in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van de verdachte zelf. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van de getuige en zijn broer een ondergeschikte rol spelen in de bewijsvoering, nu de verdachte heeft erkend dat hij via de [dealerlijn] in verdovende middelen heeft gehandeld, uit het dossier volgt van welke vijf telefoonnummers de [dealerlijn] opeenvolgend gebruik heeft gemaakt en de getuigen slechts het gebruik van twee van die nummers hebben bevestigd. Voor wat betreft de pleegperiode overweegt het hof dat de getuigen [getuigen 1 en 2] slechts een geringe ondersteuning bieden aan de overige bevindingen uit het dossier. Nu het gewicht van de verklaringen van [getuige 1] (en [getuige 2] naar het oordeel van het hof beperkt is, het hof behoedzaam met deze bewijsmiddelen is omgegaan en de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, is naar het oordeel van het hof aldus sprake van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.