Conclusie
advocaat: B.T.M. van der Wiel
verweerders in cassatie
advocaat: B.I. Kraaijpoel en T.E. Booms
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
fishing expeditions’ te voorkomen. [13] Een partij heeft een rechtmatig belang bij inzage als de betrokken bescheiden relevant kunnen zijn voor de vaststelling van voor haar relevante feiten. [14]
fishing expeditionste voorkomen. Degene die inzage verlangt, zal voldoende concreet moeten aangeven in welke bescheiden hij inzage wenst. Alleen dan kan worden beoordeeld of hij ook een voldoende relevant belang heeft bij inzage. [15]
fishing expeditionste voorkomen. Deze voorwaarde dicteert immers het belang dat de verzoeker ten minste zal moeten hebben bij inzage. Dat is dat de bescheiden relevant zijn voor de vaststelling van zijn rechtspositie (rechtsbetrekking met anderen). Het bestaan van de rechtsbetrekking die de verzoeker inroept, zal daarvoor voldoende aannemelijk moeten zijn.
AIB/Novisemen
Synthon/Astellasheeft de Hoge Raad in het kader van een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf houdt in dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. In de zaak
Organik/Dowheeft de Hoge Raad geoordeeld dat die maatstaf zich ook leent voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn.
hééftbij inzage, namelijk op hetzelfde neer. Steun daarvoor valt onder meer te vinden in het advies van de Expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht 2017, op welk advies het wetsvoorstel is gebaseerd. In dat advies wordt opgemerkt:
aparte eisvan voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het lE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (
Synthon/Astellas), samengevat in r.o. 3.3.4, namelijk ‘dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het “rechtmatig belang” de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is (…).’”
Subonderdeel 2.1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.19 dat het vertrek van [verweerder 4] en de daaropvolgende betrokkenheid van [verweerder 4] bij F2Y als zodanig geen onrechtmatige daad oplevert van [verweerder 4] of F2Y en dat de benadering en werving van [verweerder 4] door F2Y evenmin onrechtmatig is, althans dat [eiseres] geen omstandigheden heeft gesteld waarvan zou moeten worden aangenomen dat de benadering van [verweerder 4] door F2Y onrechtmatig is geweest en dat de wel door [eiseres] gestelde omstandigheden geen onrechtmatig handelen van [verweerder 4] opleveren. Het subonderdeel voert
onder aaan dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag door te oordelen dat het vertrek van [verweerder 4] en de daaropvolgende betrokkenheid van [verweerder 4] bij F2Y als zodanig geen onrechtmatige daad oplevert van [verweerder 4] of F2Y, en dat de benadering en werving van [verweerder 4] evenmin onrechtmatig is, althans dat [eiseres] geen omstandigheden heeft gesteld waarvan zou moeten worden aangenomen dat de benadering van [verweerder 4] door F2Y onrechtmatig is geweest, en dat de wel door [eiseres] gestelde omstandigheden geen onrechtmatig handelen van [verweerder 4] opleveren. Het subonderdeel betoogt dat [eiseres] onrechtmatig handelen niet voldoende hoefde te stellen, maar slechts aannemelijk hoefde te maken en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bbetoogt het subonderdeel dat het hof de benadering en werving van [verweerder 4] door F2Y c.s. zelfstandig heeft beoordeeld en niet (ook) in onderlinge samenhang met de overige door [eiseres] gestelde vermoedens ten aanzien van [verweerder 4] en F2Y c.s.
onder adat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevordering door (1) van [eiseres] te vergen dat het stelselmatig benaderen van werknemers door F2Y blijkt, (2) te oordelen dat het feit dat [eiseres] zestien werknemers aan F2Y heeft verloren, op zich niet kan leiden tot de conclusie dat F2Y onrechtmatig heeft gehandeld door deze werknemers in dienst te nemen, en (3) te oordelen dat [eiseres] onvoldoende omstandigheden heeft gesteld voor de conclusie dat er in dit geval sprake is van onrechtmatig handelen doordat de nieuwe werkgever actief werft onder het personeelsbestand van de oude werkgever. [eiseres] hoefde dit volgens het subonderdeel namelijk slechts aannemelijk te maken en die aannemelijkheidsdrempel ligt lager dan bij een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de in rov. 4.20 genoemde omstandigheden niets zeggen over en niet uitsluiten dat F2Y c.s. (oud-)werknemers van [eiseres] , al dan niet met wisselend succes, stelselmatig hebben benaderd en dat niet valt in te zien wat [eiseres] meer had kunnen en moeten stellen om het stelselmatig benaderen door F2Y van (oud-)werknemers van [eiseres] aannemelijk te maken. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken dat een groot aantal werknemers [eiseres] daadwerkelijk heeft verruild voor F2Y en dat F2Y daadwerkelijk oud-werknemers heeft benaderd en daarmee zijn oordeel niet behoren gemotiveerd dan wel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Onder cklaagt het subonderdeel dat het hof niet bij zijn beoordeling heeft betrokken dat F2Y c.s. slechts ten aanzien van drie van de negentien oud [eiseres] werknemers hebben gesteld dat zij F2Y hebben benaderd en niet andersom, terwijl het voor hen eenvoudig was om ook van de overige oud-werknemers aan te tonen dat zij F2Y hebben benaderd en dat F2Y c.s. dit niet hebben gedaan.
onder adat door te oordelen dat door [eiseres] onvoldoende is toegelicht dat en waarom sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerder 3] of F2Y dat verband houdt met de indiensttreding van medewerkers bij QCM of QFS, het hof te hoge eisen stelt aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag. [eiseres] hoefde volgens het subonderdeel onrechtmatig handelen niet voldoende te stellen, maar slechts aannemelijk te maken.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de door het hof in rov. 4.21 genoemde omstandigheden er niet aan afdoen dat het voor een nieuwe werkgever, zoals [verweerder 3] of F2Y, onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn als de nieuwe werkgever actief werft onder het personeelsbestand van de oude werkgever.
Onder cklaagt het subonderdeel dat de omstandigheid dat het gaat om indiensttreding bij QCM of QFS en niet F2Y, niet, althans niet zonder nadere motivering, afdoet aan de door het hof niet in de beoordeling betrokken stelling van [eiseres] dat het bij QCM en QFS gaat om entiteiten die onder volledige controle staan van [verweerder 3] en F2Y.
Onder dvoert het subonderdeel aan dat het oordeel van het hof dat [eiseres] de stellingen van F2Y c.s. niet voldoende heeft weersproken, onjuist is doordat het hof in strijd met de Semtex-maatstaf te hoge eisen stelt aan [eiseres] ’s stelplicht, althans onvoldoende is gemotiveerd in het licht van hetgeen het subonderdeel onder c aanvoert.
onder adat het hof, door te oordelen dat [verweerder 4] geen onrechtmatig handelen kan worden verweten, omdat [eiseres] onvoldoende de betwistingen van F2Y heeft weersproken, te hoge eisen heeft gesteld aan [eiseres] ’s inzagevorderingsgrondslag. Het subonderdeel betoogt dat [eiseres] onrechtmatig handelen niet voldoende behoefde te stellen, maar slechts aannemelijk behoefde te maken.
Onder bklaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat alleen [betrokkene 5] bevoegd concurrentiebedingen kon wijzigen, zodat [verweerder 4] ter zake geen onrechtmatig handelen kan worden verweten, onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van een vijftal stellingen van [eiseres] , die er, zeer kort gezegd, op neerkomen dat [verweerder 4] de mogelijkheid had om de HR-afdeling te instrueren en betrokken is geweest bij de wijziging van non-concurrentiebedingen. Als het hof heeft gemeend dat het enkele feit dat (formeel) alleen [betrokkene 5] concurrentiebedingen kon wijzigen, uitsluit dat [eiseres] voldoende aannemelijk kan maken dat [verweerder 4] hierbij op onrechtmatige wijze was betrokken, getuigt dit volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de stellingen van [eiseres] is het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.32 dat de door [eiseres] overgelegde stukken ook overigens onvoldoende steun bieden voor de stelling dat [verweerder 4] verantwoordelijk was voor de aanpassing van de concurrentiebedingen volgens het subonderdeel onbegrijpelijk.
onder adat [eiseres] heeft aangevoerd dat F2Y en [verweerder 4] in mei 2020 een fysieke bespreking hebben gehad en dat niet uitgesloten en zelfs eerder aannemelijk is dat F2Y [verweerder 4] voor mei 2020 heeft benaderd.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat de overwegingen van het hof dat [betrokkene 5] zelf uiteindelijk de beperking van het concurrentiebeding van [verweerder 5] en [verweerder 6] met hen overeenkwam, en dat in het geval van [verweerder 6] door [betrokkene 5] akkoord is gegaan met de beperking van het beding toen bekend was dat [verweerder 4] zou vertrekken, geen afdoende weerlegging vormt van de stelling [eiseres] dat F2Y [verweerder 4] al vóór mei 2020 heeft benaderd en dat [verweerder 4] [betrokkene 5] heeft geïnstrueerd om de concurrentiebedingen van [verweerder 5] en [verweerder 6] te wijzigen.
onder adat het oordeel van het hof dat [eiseres] niet heeft onderbouwd dat de door [verweerder 5] aan zichzelf verstuurde prijslijst geheime informatie bevat omdat de prijzen binnen de markt bekend zijn, onbegrijpelijk is in het licht van [eiseres] ’s stelling dat de prijslijst niet alleen informatie over door [eiseres] gehanteerde prijzen bevatte maar ook zeer concurrentiegevoelige informatie over [eiseres] ’s prijsopbouw en daarmee haar marges en dat concurrenten op basis van die informatie precies die prijzen kunnen bieden die net laag genoeg zijn om rendabel te zijn voor dat bedrijf.
Onder bvoert het subonderdeel aan dat het brengen van vertrouwelijke informatie buiten de beschermde bedrijfsomgeving, bijvoorbeeld om deze te sturen naar een extern adres, per definitie een sterke aanwijzing is dat de verzender die informatie probeert te ontvreemden om deze te gebruiken.
Subonderdeel 5.1klaagt
onder adat het hof, door de vraag te stellen of het onrechtmatig is dat F2Y aan Fenmarc een lagere prijs dan [eiseres] heeft geboden, heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bklaagt het subonderdeel dat de oordelen van het hof onvoldoende respons inhouden op zeven stellingen van [eiseres] die er (in de kern genomen) op neerkomen dat [verweerder 5] de prijslijst heeft ontvreemd van [eiseres] en dat de vertrouwelijke informatie die de prijslijst bevat, door F2Y is gebruikt om Fenmarc een lagere prijs te bieden dan de door [eiseres] geboden prijs. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel in het licht van deze stellingen niet in te zien waarom niet aannemelijk zou zijn dat die prijslijst een rol heeft gespeeld bij de lagere prijs die F2Y heeft geboden, althans heeft proberen te bieden, in vergelijking met de prijs die [eiseres] onder normale omstandigheden zou hebben gerekend.
lagereprijs offreerde aan Fenmarc dan F2Y. [eiseres] heeft over dat laatste aangevoerd dat haar lagere offerte een omvangrijke korting omvatte en F2Y zonder die korting net iets lager, heeft geboden (zie de uiteenzettingen in de klacht), maar kennelijk heeft het hof dit aangemerkt als louter een speculatie, dat wil zeggen een bewering waarvoor geen behoorlijke grond (onderbouwing) bestaat.
allereerst [25] de klacht dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, en dat die aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding. Het subonderdeel betoogt
ten tweededat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat het hof slechts ingaat op absolute volumecijfers en geen aandacht heeft besteed aan marktaandeelwijzigingen.
Ten derdeklaagt het subonderdeel dat het hof door niet in te gaan op de stelling van [eiseres] dat in de spruitenmarkt hetzelfde beeld opdoemt als in de sperziebonenmarkt, zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans heeft miskend dat deze stellingname relevant is voor de beoordeling op dit punt.
Ten vierdevoert het subonderdeel aan dat het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.30 dat de stelling van [eiseres] dat F2Y de markt zou hebben overspoeld met laaggeprijsde sperziebonen en op die manier een positie op de markt zou hebben verworven, niet wordt ondersteund door de feitelijke gegevens uit het overzicht, onbegrijpelijk is, omdat [eiseres] die stelling niet heeft gestaafd met dat overzicht, maar met een verklaring van [verweerder 4] (productie 68) waaruit die strategie van F2Y c.s. blijkt en het oordeel op die onderbouwing onvoldoende respons inhoudt.
grootaantal telers is gaan samenwerken met F2Y, niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt.
ten eersteaan dat voor zover het hof in rov. 4.35 zou hebben geoordeeld dat [eiseres] geen beroep kan doen op strijdigheid met de koopovereenkomst van haar aandelen, het hof miskent dat de niet-nakoming van de koopovereenkomst door [verweerder 3] als gevolg van een schending van het concurrentiebeding een onrechtmatige daad jegens [eiseres] kan opleveren.
Ten tweedevoert het subonderdeel aan dat van eenzelfde onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof aan het slot van rov 4.35 dat, zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat eventuele concurrerende activiteiten van F2Y ten aanzien van de sperziebonen en spruiten voor 7 oktober 2018, de einddatum van het concurrentiebeding van [verweerder 3] , hebben plaatsgevonden, deze op zichzelf niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat de niet-nakoming van de koopovereenkomst door [verweerder 3] als gevolg van een schending van het concurrentiebeding een onrechtmatige daad jegens [eiseres] kan opleveren.
onder (i)een herhaling van de klacht van subonderdeel 1.1 tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het kopiëren van het bedrijfsmodel van [eiseres] .
Onder (ii)betoogt het onderdeel dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het enkele feit dat het assortiment van F2Y breder is, in die zin dat F2Y ook andere goederen levert, een aanwijzing vormt dat F2Y niet het bedrijfsmodel van [eiseres] heeft gekopieerd, omdat goed mogelijk is dat F2Y het bedrijfsmodel heeft gekopieerd voor zover het gaat om goederen die F2Y en [eiseres] allebei leveren. Door [eiseres] is bovendien gesteld dat zij, zij het in beperkte omvang, fruit levert.
subonderdelen 8.1 en 8.3bevatten slechts voortbouwklachten en behoeven daarom geen bespreking.
onder adat het hof, door in rov. 4.39 te beoordelen of hetgeen [eiseres] aan haar inzagevordering ten grondslag legt, de conclusie kan dragen dat F2Y c.s. hebben gehandeld als groep en met een duidelijk plan, het hof heeft miskend dat [eiseres] in het kader van haar inzagevordering slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken dat F2Y c.s. in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld, en dat de aannemelijkheidsdrempel lager ligt dan bij toewijzing van een onrechtmatige daad-vordering in kort geding.
Onder bbetoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof in rov. 4.39 dat van voldoende aannemelijkheid geen sprake is, onbegrijpelijk is, omdat het zonder nadere motivering geen respons inhoudt op, dan wel een te enge uitleg geeft aan [eiseres] ’s stellingen dat sprake is van handelen in groepsverband door een kern van F2Y-management met een arbeidsverleden bij [eiseres] die door verschillende met elkaar samenhangende gedragingen, bestaande uit het weglokken van [eiseres] -werknemers, het versoepelen van hun concurrentiebedingen, het overnemen van telers en klanten en het vervreemden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, schade aan [eiseres] hebben toegebracht door haar op onrechtmatige wijze te beconcurreren en dat voor de betrokken kernleden van het management inzichtelijk was dat hun handelen een aanzienlijke kans op schade voor [eiseres] in het leven riep, zeker nu enkele van die kernleden zelf nog bij [eiseres] werkten toen F2Y haar op onrechtmatige wijze begon te beconcurreren zodat zij de gevolgen voor [eiseres] moeten hebben meegemaakt.
onrechtmatigewijze veroorzaken van schade, zijn oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie in groepsverband zelfstandig kan dragen. Hiernaast berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, overweegt het hof niet dat voor groepsaansprakelijkheid steeds vereist is dat sprake is van een plan en bekendheid van ieder groepslid daarmee, maar oordeelt het hof dat [eiseres] haar stelling dat voor ieder van F2Y c.s. duidelijk was wat het plan was, “volstrekt onvoldoende onderbouwd” heeft. Het oordeel van het hof is dus slechts een reactie op de stelling die [eiseres] zelf heeft aangevoerd in dit verband.
2005/06, 30 392, nr. 3,p. 20: de keuze van de maatregelen dient te worden geleid door overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit).” (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.7.1). Voorts is van belang dat de rechter in een opheffïngskortgeding van een beslag niet dient te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van zijn beslissing grond bestaat voor opheffing van het beslag. De rechter dient in geval van een bewijsbeslag het beslag op te heffen als hij op grond van hetgeen partijen aanvoeren tot het oordeel komt dat op dat moment niet of niet meer is voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag zijn gesteld in de Molenbeek-uitspraak (vgl. HR 19 februari 2023, ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.3.3).
onder adat de overweging van het hof in rov. 4.45 dat [eiseres] haar stellingen gemakkelijk nader had kunnen onderbouwen, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, nu het hof niet nader heeft toegelicht dat [eiseres] dit had gekund. Volgens het subonderdeel heeft het hof met deze motivering miskend dat [eiseres] ’s inzagevordering juist ertoe strekt dergelijke onderbouwing mogelijk te maken.
Onder bklaagt het subonderdeel
ten eerstedat het hof met het oordeel in rov. 4.45 dat het beslag moet worden opgeheven omdat in het geheel niet is gebleken dat sprake is van onrechtmatige concurrentie in groepsverband, heeft miskend dat voor (het laten voortduren van) bewijsbeslag niet vereist is dat [eiseres] een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk maakt in de mate die vereist is voor de toewijzing van een inzagevordering, laat staan dat [eiseres] aantoont dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. Volgens de klacht onder b valt
ten tweedezonder nadere motivering in ieder geval niet in te zien dat het oordeel over de afwijzing van de inzagevordering het oordeel over de opheffing van het bewijsbeslag zou kunnen dragen.
ten eersteaan dat het oordeel van het hof in rov. 10.8 dat de belangenafweging in het nadeel van [eiseres] uitvalt, onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is. Het subonderdeel klaagt dat niet valt in te zien waarom het laten voortduren van het bewijsbeslag belastend zou zijn voor F2Y c.s., nu het beslag niet rust op (fysieke of digitale) documenten zelf, maar op een kopie daarvan en de legal holds inmiddels zijn verwijderd.
Ten tweedevoert het subonderdeel aan dat de overweging dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van onrechtmatige concurrentie door F2Y c.s. sprake zou zijn, de belangenafweging die het hof maakt, niet kan dragen, aangezien het hof hiermee heeft miskend dat de drempel voor bewijsbeslag lager ligt dan voor de toewijzing van de inzagevordering.
Ten derdeklaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat [eiseres] evident belang heeft bij het voortduren van het bewijsbeslag, aangezien met het bewijsbeslag wordt gewaarborgd dat geen bescheiden verloren gaan die kunnen dienen ter onderbouwing van de vorderingen van [eiseres] op F2Y c.s.
leggenvan bewijsbeslag een ingrijpende maatregel is en dat er legal holds zijn opgelegd ten aanzien van verschillende e-mailaccounts, heeft miskend dat de eventuele opheffing van een reeds gelegd bewijsbeslag ex nunc moet worden getoetst.