ECLI:NL:PHR:2026:250

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
26/00090
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77s SrArt. 77x SrArt. 77z SrArt. 77aa SrArt. 77za Sr
Verwijzingen
80 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepasselijkheid en dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden bij voorwaardelijke PIJ-maatregel

Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet over de dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden en toezicht bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank Gelderland had in een vonnis van 28 mei 2024 een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met dadelijk uitvoerbare voorwaarden en toezicht, hetgeen niet werd aangevochten en onherroepelijk werd.

De kernvraag is of art. 77za Sr toestaat dat de voorwaarden en het toezicht bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De Advocaat-Generaal concludeert bevestigend, stellende dat de wettekst en recente wetsgeschiedenis dit ondersteunen, ondanks dat de oorspronkelijke wetsgeschiedenis niet expliciet op deze maatregel ingaat.

Er is sprake van tegenstrijdige rechtspraak, waarbij het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet de bedoeling van de wetgever was, mede vanwege praktische uitvoeringsproblemen en de status van de maatregel tijdens hoger beroep. De AG weerlegt deze argumenten en benadrukt dat de dadelijke uitvoerbaarheid juist de slagvaardigheid en bescherming van de samenleving en jeugdige ten goede komt.

De Hoge Raad bevestigt dat de voorwaarden en het toezicht bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel op grond van art. 77za Sr dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. Tegelijkertijd wordt erkend dat de tenuitvoerlegging van de maatregel zelf pas ingaat nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden. De regeling sluit aan bij het doel van het jeugdstrafrecht om vrijheidsbeneming als laatste middel toe te passen en spoedige behandeling mogelijk te maken.

Tenslotte wordt gewezen op de toekomstige inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, waarin de regeling van dadelijke uitvoerbaarheid zal worden vervangen door een systeem van voorlopige hechtenis en schorsing daarvan, waardoor art. 77za Sr zal vervallen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat voorwaarden en toezicht bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard op grond van art. 77za Sr.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00090 CW
Zitting17 maart 2026
Vordering tot cassatie in het belang der wet
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een vonnis van 28 mei 2024 [1] van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (parketnr. 05-130657-23), waarbij de betrokkene wegens “poging tot doodslag” is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 193 dagen, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr Pro, en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft bevolen dat de daarbij gestelde voorwaarden en het aan de jeugdreclassering opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Tegen het vonnis van de rechtbank is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het onherroepelijk is geworden. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk op grond van op grond van art. 78 lid 1 RO Pro jo. art. 456 Sv Pro.
1.2
Het gaat in deze zaak om de vraag of de voorwaarden die worden verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel als bedoeld in art. 77s jo. art. 77x jo. art. 77z Sr en het daarop uit te oefenen toezicht (art. 77aa Sr) dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard op grond van art. 77za Sr.

2.Aanleiding vordering tot cassatie in het belang der wet

2.1
De aanleiding om deze vordering in het belang der wet in te stellen is dat in de rechtspraak de vraag of art. 77za Sr toestaat dat de aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel verbonden voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar worden verklaard verschillend wordt beantwoord.
2.2
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in een arrest van 31 januari 2024 [2] dat de letter van de wet het weliswaar mogelijk lijkt te maken dat een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, maar dat dit, gelet op de wetsgeschiedenis, niet de bedoeling van de wetgever is geweest. [3] Onder verwijzing naar deze lijn in de rechtspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden, heeft de rechtbank Overijssel in een vonnis van 20 maart 2024 [4] afgezien van het dadelijk uitvoerbaar verklaren van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. De rechtbank Overijssel lijkt daar in latere vonnissen evenwel van terug te komen. [5] Andere gerechten hebben in hun uitspraken nadrukkelijk afstand genomen van de interpretatie van het hof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de rechtbank Gelderland in het vonnis waartegen deze vordering tot cassatie in het belang der wet zich richt. [6]
2.3
In deze vordering staat het toepassingsbereik van art. 77za Sr centraal. Daarbij ga ik in op de vraag welke uitleg aan de tekst van de bepaling moet worden gegeven in het licht van de wetsgeschiedenis. In het verlengde hiervan zal ik – hoewel dat strikt genomen deze vordering te buiten gaat – stilstaan bij de (on)mogelijkheden tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel na overtreding van dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden in het geval de onderliggende uitspraak nog niet onherroepelijk is.

3.Het vonnis van de rechtbank Gelderland

3.1
De rechtbank heeft in de zaak die leidde tot het voorliggende vonnis van 28 mei 2024 de betrokkene (onder meer) een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd en de voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar verklaard. Het vonnis houdt daarover – voor zover hier van belang – het volgende in:

Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Zonder behandeling bestaat gevaar op herhaling. Verdachte doet het nu vooral goed omdat hij weet dat hem anders een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel boven het hoofd hangt.
De rechtbank wijkt hiermee af van de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingezette lijn (ECLI:NL:GHARL:2024:788). De rechtbank ziet namelijk in de tekst van de wet, de bedoeling van de wetgever en in het doel van de voorwaardelijke PIJ-maatregelen voldoende argumenten om wel over te gaan tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de voorwaarden.
De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar de wettekst van de artikelen 77x lid 2 Sr, 77z Sr en 77za Sr.
Daarnaast verwijst de rechtbank naar de kamerstukken 32 319, nr. 3 (Mvt). Daaruit volgt dat het doel van het dadelijk uitvoerbaar verklaren is om te voorkomen dat een veroordeelde door het instellen van hoger beroep zich aan het toezicht van justitie onttrekt. De rechtbank vindt dat dit doel evenzo goed - zo niet des te meer – bestaat bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet met zoveel woorden is genoemd in deze kamerstukken betekent niet zonder meer dat bedoeld is om deze uit te sluiten van de mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zeker niet als deze kamerstukken worden bezien in het licht van de nota van wijziging (kamerstukken 33 498, nr. 7). Hierin wordt beoogd de gedragbeïnvloedende maatregel meer in lijn te brengen met de regeling die is neergelegd in 77za Sr. In de nota van wijziging is over de gedragbeïnvloedende maatregel het volgende te lezen.
“Daarmee wordt de regeling eveneens meer in lijn gebracht met de regeling die voor voorwaardelijke sancties is neergelegd in artikel 77za Sr. Daar is de
uitvoerbaarheid bij voorraad geregeldvan de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie
en de voorwaardelijk opgelegde pij-maatregel.” (cursief rechtbank)
Tot slot verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de HR van 24 januari 2023 ECLI:NL:HR2023:70. Deze uitspraak ziet op een door het gerechtshof opgelegde PIJ-maatregel waarbij de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard in het onderliggende vonnis van het gerechtshof.
(…)”

4.Juridisch kader

4.1
Voor de vordering zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 14e Sr:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
Art. 77s lid 1 en 7 Sr:
“1. Aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen worden opgelegd, indien
a. het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en
b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en
c. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
(…)
7. De maatregel geldt voor de tijd van drie jaar.”
Art. 77x Sr:
“1. In geval van een veroordeling tot jeugddetentie, vervangende jeugddetentie daaronder niet begrepen, tot taakstraf, tot geldboete of tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, kan de rechter bepalen dat deze geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.
2. In geval van een veroordeling tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan de rechter bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd. Artikel 6:6:10a van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.”
Art. 77y Sr:
“1. De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf of maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste twee jaren.
2. De proeftijd gaat in:
(…)
c. indien de rechter een bevel als bedoeld in artikel 77za, eerste lid, heeft gegeven, op de dag van de einduitspraak.”
Art. 77z Sr:
“1. Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Bij toepassing van artikel 77x kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
1° gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
2° geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
3° storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;
4° storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
5° een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
6° een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
7° een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
8° een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
9° een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
10° opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
11° een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
12° het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
13° het deelnemen aan een gedragsinterventie;
14° het volgen van onderwijs, gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
15° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 77x een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
a. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
4. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.
5. De voorwaarden in het tweede lid, onderdelen 10°, 11° of 15° en de gedragsinterventie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel 13°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit van[lees: uit] jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.”
Art. 77za Sr:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
Art. 77aa Sr:
“1. De rechter kan aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, in bijzondere gevallen en na overleg met een dergelijke rechtspersoon, aan een particulier persoon, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
2. De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 255 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.
3. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter een in artikel 14c, zesde lid, bedoelde reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van het toezicht en de begeleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.”
Art. 6:3:15 lid 1 Sv Pro:
“1. Indien ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde, maatregel of aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3:14 niet Pro wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist en aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de verdachte of veroordeelde bevelen.”
Art. 6:6:6 Sv Pro:
“De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.”
Art. 6:6:20 lid 1 Sv Pro:
“1. De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:
a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;”
Art. 6:6:21 lid 1 en Pro 3 Sv:
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
(…)
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.”
Art. 6:2:22 lid 1 Sv Pro:
“De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eindigt voorwaardelijk na twee jaar, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 6:6:31. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij aan de betrokkene wederom de maatregel of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.”
Art. 6:6:31 lid 1 tot Pro en met 3 Sv:
“1. De rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 6:2:22, eerste lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. Artikel 6:6:11 is Pro van overeenkomstige toepassing.
2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 6:2:22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.
3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.”
Art. 6:6:32 lid 6 en Pro 8 Sv: [7]
“6. De rechter die voorwaarden heeft gesteld in het verband van een voorwaardelijk opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kan op vordering van het openbaar ministerie, indien een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, alsnog de tenuitvoerlegging van de maatregel bevelen.
(…)
8. De artikelen 6:3:15, 6:6:20, 6:6:21 en 6:6:22 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid, bij de rechter.”
PIJ-maatregel
4.2
De PIJ-maatregel is de enige vrijheidsbenemende maatregel in het jeugdsanctierecht. De doelstellingen van deze maatregel zijn i) het ter voorkoming van recidive opvoeden en behandelen van de jeugdige die zich onder invloed van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens schuldig heeft gemaakt aan een (ernstig) misdrijf, en ii) het beveiligen van de samenleving. [8] De PIJ-maatregel kan op grond van art. 77s lid 1 Sr worden opgelegd als:
- sprake is van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel een misdrijf dat expliciet is genoemd in art. 77s lid 1 Sr;
- bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; [9]
- de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen en goederen een PIJ vereist (het gevaarscriterium);
- de PIJ-maatregel het belang van de jeugdige dient bij een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van zijn persoon (het hulpverleningscriterium of het opvoedingsbelang).
4.3
De rechter dient bij het opleggen van de maatregel de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking te nemen (art. 77s lid 4 Sr). Art. 77s lid 3 Sr houdt uitdrukkelijk in dat de rechter bij de oplegging van een PIJ-maatregel kan afzien van het opleggen van straf, ook als hij van oordeel is dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend.
4.4
De hiervoor genoemde voorwaarden brengen tot uitdrukking de bedoeling van de wetgever dat de inzet van de PIJ-maatregel moet worden gereserveerd voor de zwaarste gevallen [10] en moeten voorts worden bezien tegen de achtergrond van art. 37 sub b van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) jo. art. 40 lid 4 IVRK Pro. Daarin is als uitgangspunt neergelegd dat vrijheidsbeneming van jeugdigen slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur wordt toegepast en enkel wordt toegepast als dit noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappelijke veiligheid of gezondheid. [11]
4.5
De PIJ-maatregel geldt in beginsel voor drie jaar (art. 77s lid 7 Sr). Deze termijn vangt aan op het moment waarop de uitspraak waarbij de maatregel is opgelegd onherroepelijk is geworden (art. 6:2:22 lid 1 Sv Pro). Laatstgenoemd artikel bepaalt tevens dat de PIJ-maatregel na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk eindigt, tenzij een verlenging mogelijk is en noodzakelijk wordt geacht, zoals bepaald in art. 6:6:31 Sv Pro. Inclusief verlenging mag een PIJ-maatregel in totaal niet meer dan zeven jaar duren, waarbij de maatregel één jaar voor de einddatum voorwaardelijk eindigt (art. 6:6:31 lid 2 Sv Pro). [12]
4.6
Wanneer vrijheidsbeneming niet noodzakelijk wordt geacht kan de PIJ-maatregel voorwaardelijk worden opgelegd (art. 77x Sr). Een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan uitkomst bieden ingeval sprake is van een stoornis die niet tot een acuut gevaar leidt, maar desalniettemin behandeling behoeft. Die behandeling krijgt nader vorm in de bijzondere voorwaarden, zoals opgesomd in art. 77z lid 2 Sr. De voorwaardelijke PIJ-maatregel biedt daarmee een geschikt kader voor bijvoorbeeld een forensische dagbehandeling of behandeling in een jeugd-GGZ instelling. [13] De rechter kan een gecertificeerde instelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de jeugdige in dat kader te begeleiden (art. 77aa Sr). [14]
4.7
In zijn algemeenheid is het zo dat als het openbaar ministerie van oordeel is dat de bij een voorwaardelijke straf gestelde voorwaarden niet worden nageleefd en niet met een waarschuwing kan worden volstaan, een vordering tot tenuitvoerlegging kan worden ingediend (art. 6:6:21 lid 3 Sv Pro). De rechter is bevoegd de tenuitvoerlegging te bevelen van de aanvankelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al dan niet onder instandhouding van de voorwaarden (art. 6:6:21 lid 1 Sv Pro). Voor de situatie hieraan voorafgaand geldt dat – als er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist en aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen – het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde kan bevelen (art. 6:3:15 lid 1 Sv Pro). In afwachting van de beslissing van de rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging kan de rechter-commissaris op vordering van het openbaar ministerie de voorlopige tenuitvoerlegging bevelen (art. 6:6:20 Sv Pro).
4.8
De tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel is afzonderlijk geregeld. Als de rechter die de voorwaardelijke PIJ-maatregel heeft opgelegd van oordeel is dat een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan – op vordering van het openbaar ministerie – de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel worden gelast (art. 6:6:32 lid 6 Sv Pro). De artikelen 6:3:15, 6:6:20, 6:6:21 en 6:6:22 Sv zijn van overeenkomstige toepassing (art. 6:6:32 lid 8 Sv Pro).
Dadelijke uitvoerbaarheid
4.9
Het Nederlandse (jeugd)sanctierecht kent als hoofdregel dat strafrechtelijke beslissingen niet ten uitvoer mogen worden gelegd zolang zij nog niet onherroepelijk zijn. Dit in art. 6:1:16 Sv Pro neergelegde uitgangspunt is niet absoluut. In bij de wet voorziene gevallen heeft de strafrechter de bevoegdheid de dadelijke uitvoerbaarheid van de opgelegde sanctie te bevelen, waarmee de sanctie – ook als deze nog niet onherroepelijk is – voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Met de jaren zijn de mogelijkheden tot dadelijke uitvoerbaarheid in de wet uitgebreid om de slagvaardigheid van het strafrecht te vergroten. [15]
4.1
Ook voorwaardelijk opgelegde sancties kunnen – in door de wet bepaalde gevallen – dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. In het volwassenenstrafrecht kan de rechter op grond van art. 14e Sr de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de voorwaarden bij een voorwaardelijk opgelegde straf en het daarop uit te oefenen toezicht als bedoeld in art. 14a en 14c Sr. Hiermee heeft de wetgever willen voorkomen dat een veroordeelde tot een (deels) voorwaardelijke (vrijheids)straf – van wie de voorlopige hechtenis is beëindigd – zich aan het toezicht van justitie onttrekt. [16] Art. 38 lid 6 Sr Pro bevat een equivalent voor de tbs met voorwaarden. De wetgever meende destijds hiermee de tbs met voorwaarden te kunnen versterken en de rechter in staat te stellen een maatregel op te leggen die zoveel mogelijk is toegesneden op de betrokken persoon, in het belang van de veiligheid van de samenleving en een humane tenuitvoerlegging van de maatregel. [17] Door de toezichtloze periode te verkorten kan recidive of ander normoverschrijdend gedrag worden voorkomen en de maatschappelijke veiligheid worden geborgd. [18]
4.11
De tenuitvoerlegging van nog niet-onherroepelijke strafrechtelijke sancties schuurt onder meer met de onschuldpresumptie, alsook het doel van het strafprocesrecht om zoveel mogelijk de veroordeling en bestraffing van schuldigen te bevorderen en de veroordeling en bestraffing van onschuldigen te voorkomen. [19] Voorts bestaat het risico dat van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid in eerste aanleg een zeker sturende werking uitgaat op de beslissing in hoger beroep, vooral in die gevallen waarin reeds een voorwaarde is geschonden. [20] Als de veroordeling in hoger beroep of cassatie geen stand houdt, kunnen de gevolgen van dadelijke tenuitvoerlegging niet worden teruggedraaid. [21] Gelet op de verstrekkende gevolgen die een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid voor de betrokkene kan hebben zijn in de wet strikte voorwaarden opgenomen. Zo bepaalt art. 14e Sr dat een voorwaardelijke gevangenisstraf slechts dadelijk uitvoerbaar kan worden verklaard in het geval er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. [22] Daarnaast gelden aanvullende motiveringsvereisten voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. De rechter moet in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk hebben geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. [23]
4.12
In geval van overtreding van dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden gelden in het kader van de (voorlopige) tenuitvoerlegging deels andere regels dan hiervoor onder randnummers 4.7 en 4.8 weergegeven. In zijn arrest van 19 december 2017 [24] heeft de Hoge Raad – mede onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling – de vraag of de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf kan worden gelast wegens overtreding van voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, als de uitspraak waarbij die straf is opgelegd nog niet onherroepelijk is, bevestigend beantwoord. De toepassing van art. 77cca Sr (voorlopige tenuitvoerlegging, de voorloper van art. 6:6:20 Sv Pro) is echter niet toegelaten tot de uitspraak waarbij de voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, onherroepelijk is. Onder verwijzing naar de vordering tot cassatie in het belang der wet van A-G Knigge overweegt de Hoge Raad dat uit de op die bepaling betrekking hebbende wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever de modaliteit van voorlopige tenuitvoerlegging van dadelijk uitvoerbare voorwaarden in de hier bedoelde gevallen tot stand heeft willen brengen. “Zou de voorlopige tenuitvoerlegging ook worden toegelaten voordat genoemde uitspraak onherroepelijk is, dan zou zich de uit een oogpunt van het ingrijpende karakter van de vrijheidsbeneming van de verdachte ontoelaatbare situatie voordoen dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf berust op een voorlopig oordeel ten aanzien van de vaststelling dat de voorwaarden zijn overtreden, terwijl de uitspraak waarbij de voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, mogelijk niet in stand blijft”, aldus de Hoge Raad. [25]
4.13
Een dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden kan evenwel niet worden omgezet als de uitspraak waarbij deze maatregel is opgelegd nog niet onherroepelijk is geworden, zo bepaalde de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2024. [26] De Hoge Raad concludeerde dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om een dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden in een dergelijk geval om te zetten in een tbs met dwangverpleging en de wetsgeschiedenis ook geen aanwijzingen bevat dat de wetgever heeft beoogd om zo’n omzetting mogelijk te maken:
“6.4.1. Artikel 6:6:10 lid Pro 1, aanhef en onder e, Sv voorziet in de bevoegdheid van de rechter om tijdens de looptijd van de TBS te beslissen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd als deze een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist. Bij die beslissing moet de rechter de bepalingen van de tweede afdeling van titel IIA (“Maatregelen”) van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht in acht nemen.
6.4.2.
Artikel 6:6:10 lid 1 Sv Pro voorziet niet in de mogelijkheid om zo’n beslissing te nemen zolang de TBS met voorwaarden nog niet onherroepelijk is opgelegd. Ook de bepalingen van de tweede afdeling van titel IIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht voorzien daarin niet, en enige andere wettelijke bepaling evenmin. De wetsgeschiedenis bevat ook geen aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd zo’n ‘omzetting’ van een niet-onherroepelijke, dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden naar een TBS met verpleging van overheidswege mogelijk te maken. In dit verband is van belang dat uit de onder 5.2.2 weergegeven wetsgeschiedenis over de vrijheidsbeperkende maatregel naar voren komt dat volgens de wetgever de figuur van dadelijke uitvoerbaarheid slechts past bij maatregelen die “beperkt van karakter” zijn en waarbij aan directe uitvoerbaarheid niet “zodanige nadelen en onomkeerbare gevolgen” kleven dat hiertoe niet kan worden overgegaan. Anders dan de TBS met voorwaarden kan de TBS met verpleging van overheidswege niet als zo’n beperkte maatregel worden beschouwd. Dat volgt ook uit de onder 5.2.1 weergegeven wetsgeschiedenis, waarin de TBS met voorwaarden wordt gezien als “een lichtere variant op de tbs met dwangverpleging”, en waarin erop wordt gewezen dat bij TBS met voorwaarden instemming van de verdachte nodig is en dat de TBS met voorwaarden “doorgaans een ruimere bewegingsvrijheid” met zich brengt dan TBS met verpleging van overheidswege.”
4.14
Het voorgaande brengt mee, aldus de Hoge Raad, dat bij het niet-naleven van de (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) voorwaarden een tijdelijke crisisopname als bedoeld in art. 6:6:10a Sv, een voorlopige tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 6:6:20 Sv Pro of een tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 6:6:21 Sv Pro evenmin kan worden toegepast, zolang de uitspraak niet onherroepelijk is. [27]
4.15
De Hoge Raad overwoog in dit arrest voorts dat de rechter die tbs met voorwaarden oplegt en daarbij beveelt dat deze dadelijk uitvoerbaar is, in voorkomende gevallen op grond van art. 80 lid 1 Sv Pro tegelijkertijd de schorsing van de voorlopige hechtenis kan bevelen. De rechter kan die schorsing opheffen in het geval de terbeschikkinggestelde verdachte een bij de tbs met voorwaarden gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd, of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de opheffing van de schorsing eist. [28]
Art. 77za Sr
4.16
Art. 77x Sr houdt in dat de rechter in geval van een veroordeling tot jeugddetentie, taakstraf, geldboete of ontzetting van de rijbevoegdheid (lid 1), alsook een PIJ-maatregel (lid 2), kan bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd. Art. 77z Sr bepaalt welke (bijzondere) voorwaarden kunnen worden gesteld bij toepassing van art. 77x Sr. De rechter kan op grond van art. 77aa Sr een instelling aanwijzen die toezicht houdt op naleving van de voorwaarden en de veroordeelde daarbij begeleidt.
4.17
Art. 77za Sr bepaalt vervolgens dat de rechter bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, kan bevelen dat de op grond van art. 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Als de rechter een dergelijk bevel geeft, gaat de aan de voorwaardelijke straf of maatregel verbonden proeftijd in op de dag van de einduitspraak (art. 77y lid 2 onder c Sr). [29]
4.18
Het destijds tweeledige art. 77za Sr trad op 1 april 2012 in werking. [30] Lid 1 is op 1 januari 2015 aangepast naar de thans geldende tekst, zoals hiervoor weergegeven onder randnummer 4.1. [31] Het oorspronkelijke lid 2 bepaalde dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid door de rechter in hoger beroep kon worden opgeheven. Dit artikellid is op 1 januari 2020 komen te vervallen en vervangen door art. 6:6:6 Sv Pro. [32]
4.19
Art. 77za Sr is destijds bij tweede nota van wijziging toegevoegd aan het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De nota van wijziging is over art. 77za Sr en de uitleg die daaraan moet worden gegeven behoorlijk beknopt:
“Voorts wordt voorgesteld een pendant van het nieuwe artikel 14e Sr in het jeugdstrafrecht in te voeren. Dat artikel voorziet erin dat rechters kunnen bepalen dat aan een voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit artikel is voor volwassenen toegelicht in onderdeel 5.3 van de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel. Het hier voorgestelde artikel 77za vult het wetsvoorstel aan met een vergelijkbare voorziening voor jeugdigen. Ook ten aanzien van jeugdigen worden de voorwaarden, de begeleiding en het toezicht op de naleving van voorwaarden, aldus dadelijk uitvoerbaar.” [33]
4.2
De nota van wijziging expliciteert dat is getracht in het jeugdstrafrecht een tegenhanger te formuleren van het reeds in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen art. 14e Sr. Uit de tekst van art. 14e Sr, alsmede uit de memorie van toelichting daarbij en de hiervoor weergegeven nota van wijziging, volgt dat art. 14e Sr de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden van en het toezicht op voorwaardelijke (vrijheids)
straffenregelt. [34] De dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden van voorwaardelijk opgelegde (potentieel vrijheidsbenemende)
maatregelenis in het volwassenensanctierecht separaat geregeld in respectievelijk art. 38 lid 6 Sr Pro (tbs met voorwaarden) en art. 38v (gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel).
4.21
In de parlementaire stukken bij de wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt nergens elders het toepassingsbereik van art. 77za Sr aan de orde gesteld. In enkele wetsvoorstellen van latere datum wordt daar wél zijdelings aan gerefereerd. Ik noem allereerst de nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, waarin het voornemen wordt gearticuleerd om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM) mogelijk te maken conform de regeling van art. 77za Sr, die de uitvoerbaarheid bij voorraad regelt van de voorwaardelijke jeugddetentie én de voorwaardelijke PIJ-maatregel:
“Aan een effectieve voorbereiding en tenuitvoerlegging van dit programma kan bijdragen dat deze uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Daarmee wordt de regeling eveneens meer in lijn gebracht met de regeling die voor voorwaardelijke sancties is neergelegd in artikel 77za Sr. Daar is de uitvoerbaarheid bij voorraad geregeld van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie en de voorwaardelijk opgelegde pij-maatregel.” [35]
4.22
Ook de memorie van toelichting bij het (recentere) wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: NSv) vermeldt dat op grond van art. 77za Sr de voorwaarden bij de jeugddetentie en de PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. [36] Op dit wetsvoorstel kom ik nader terug onder randnummer 4.29.
4.23
In het licht van de hiervoor onder randnummers 4.19-4.20 besproken wetsgeschiedenis bij art. 77za Sr en art. 14e Sr is art. 77za Sr in de afgelopen jaren soms zo geïnterpreteerd dat de dadelijke uitvoerbaarheid alleen kan worden bevolen in het kader van een voorwaardelijk opgelegde
straf, al dan niet naar aanleiding van het in randnummer 2.2 genoemde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2024. [37] Het bewuste arrest van het hof houdt hierover het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“3.6
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaardelijke PIJ-maatregel niet mogelijk
Het hof stelt vast dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om het mogelijk te maken dat een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Weliswaar lijkt de letter van de wet dat wel mogelijk te maken, nu artikel 77za Sr (dadelijk uitvoerbaarverklaring) verwijst (via artikel 77z Sr) naar artikel 77x Sr, dat in lid 2 bepaalt dat een PIJ-maatregel voorwaardelijk opgelegd kan worden, maar in de wetsgeschiedenis over de dadelijke uitvoerbaarheid van artikel 77za Sr wordt alleen gesproken over ‘straffen’. In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de wet die de voorwaardelijke veroordeling regelt, wordt enkel gesproken over vrijheidsstraffen. Bij de bespreking van het jeugdstrafrecht wordt expliciet genoemd dat het dan gaat om een veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie. In de Tweede Nota van wijziging wordt artikel 77za Sr voorgesteld als tegenhanger van artikel 14e Sr, dat voor volwassenen geldt. Artikel 14e Sr (dadelijke uitvoerbaarheid) verwijst naar artikel 14c Sr (de te stellen voorwaarden) dat weer verwijst naar artikel 14a Sr, dat enkel over straffen gaat, niet over maatregelen.
Met de invoering van artikel 77za Sr werd een aan artikel 14e Sr vergelijkbare voorziening voor jeugdigen beoogd, aldus voornoemde Nota. Hieruit volgt dat de wetgever niet beoogd heeft het ook mogelijk te maken om de voorwaardelijke PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ook de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad concludeert vergelijkbaar in zijn conclusie van 28 juni 2022 in een cassatie in het belang der wet , betrekking hebbende op situaties waarin van dadelijke uitvoerbaarheid sprake kan zijn. Hij somt de limitatieve mogelijkheden tot dadelijke uitvoerbaarheid in het jeugdstrafrecht op en noemt daarbij de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (77w, zesde lid, Sr) en de voorwaardelijke straf als bedoeld in artikel 77x, eerste lid, Sr. De PIJ-maatregel wordt enkel in het tweede lid van artikel 77x Sr genoemd.
Tenslotte is het hof gebleken dat er na de tenuitvoerlegging van de dadelijk uitvoerbare voorwaardelijke PIJ-maatregel hangende het hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg in de onderhavige situatie uitvoeringsproblemen waren, waarbij verschillende instanties worstelden met de status van de PIJ-maatregel van verdachte op dat moment. Zo was het onduidelijk voor de JJI en de onderzoekers of verdachte hangende het hoger beroep al daadwerkelijk de maatregel PIJ had en in hoeverre de tijd die hij in dat kader geplaatst was in een JJI tot aftrek van de totale duur van de maatregel zou leiden. Dit leidde tot wetssystematische vragen, die de wet onbeantwoord laat. Ook om die reden is het aannemelijk dat de wetgever de gevolgen van een dadelijke uitvoerbaarheid in dergelijke situaties niet alleen niet heeft overzien, maar ook niet heeft bedoeld.
Dat betekent dat de voorwaarden bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel van verdachte in eerste aanleg niet dadelijk uitvoerbaar verklaard hadden kunnen worden. Dat is wel gebeurd en heeft zelfs tot de tenuitvoerlegging ervan geleid. Daardoor is verdachte, terwijl de beslissing van de rechtbank nog niet onherroepelijk was, in een JJI geplaatst en is hem zijn vrijheid ontnomen, zonder dat er sprake was van een onderliggend bevel tot voorlopige hechtenis, dat immers bij vonnis van de rechtbank van 4 oktober 2022 was opgeheven.
In dat kader merkt het hof aanvullend op dat, zou de dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel wel mogelijk zijn geweest, de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging ervan ook niet had kunnen bevelen, nu het vonnis in eerste aanleg nog niet onherroepelijk was. Het hof verwijst daarvoor naar een vergelijkbare situatie in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 waarin bepaald wordt (ten aanzien van een dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaardelijke jeugddetentie) dat de toepassing van de voorlopige tenuitvoerlegging niet toegelaten is totdat de uitspraak waarbij de voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, onherroepelijk is. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf berust dan immers op een voorlopig oordeel over de vraag of de voorwaarden zijn overtreden, terwijl de uitspraak waarbij die voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, mogelijk in hoger beroep niet in stand blijft.”
4.24
De motivering die ten grondslag ligt aan het standpunt van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de wetgever met art. 77za Sr niet de dadelijke uitvoerbaarheid heeft willen regelen voor de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel is tweeledig. Het hof vindt daarvoor ten eerste verschillende aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis. Het hof wijst erop dat met de invoering van art. 77za Sr een aan art. 14e Sr vergelijkbare voorziening voor jeugdigen werd beoogd en dat in de wetsgeschiedenis daarover slechts wordt gesproken over
straffen. Voorts stelt het hof dat in de memorie van toelichting bij de wijziging van de wet die de voorwaardelijke veroordeling regelt ten aanzien van de bespreking van het jeugdstrafrecht expliciet wordt genoemd dat het gaat om een veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie. Omdat het de enige plek is waar de voorwaardelijke jeugddetentie ter sprake komt, doelt het hof daarmee – zo vermoed ik – op het onderdeel van de memorie van toelichting waarin het wetsvoorstel van art. 14fa Sr en een vergelijkbare voorziening voor jeugdigen in art. 77cca Sr worden besproken. Deze bepalingen regelden [38] dat het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde kan bevelen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde die is verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf dan wel jeugddetentie is overtreden en bij de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging kon vorderen. De memorie van toelichting zegt daarover – voor zover het gaat om het jeugdstrafrecht – het volgende:
“Voor jeugd geldt dat op basis van verkennend onderzoek van het ministerie in 2007, een project Verbetertraject toezicht Jeugd is gestart onder de vlag van het programma Aanpak Jeugdcriminaliteit. Uit het onderzoek is gebleken dat de geloofwaardigheid en toepassing van de voorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf van de jeugdige gebaat is bij een wettelijke mogelijkheid om snel in te kunnen grijpen indien voorwaarden niet worden nageleefd. Ook voor het jeugdstrafrecht is de mogelijkheid die het nieuwe artikel 14fa biedt voor snel ingrijpen dus een nuttige aanvulling op het strafrechtelijk instrumentarium. Omdat het jeugdstrafrecht een eigen regeling van de voorwaardelijke veroordeling kent in artikel 77x en verder, wordt voorgesteld een zelfde bepaling als het nieuwe artikel 14fa in de regeling van de voorwaardelijke veroordeling in het jeugdstrafrecht op te nemen (het nieuwe artikel 77cca Sr). Het gaat dan om een veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie.
(…)” [39]
4.25
Het hof schetst daarnaast praktische bezwaren in hoger beroep in het geval de voorwaarden van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar zouden kunnen worden verklaard. Deze praktische bezwaren worden overigens onderschreven door Van Capelleveen en De Jong. Zij menen dat het hof terecht wijst op de complicaties die kunnen optreden in de uitvoeringspraktijk, vooral als verschillende instanties verschillende interpretaties hebben van de status van de (voorwaardelijke) PIJ-maatregel tijdens het hoger beroep. [40] Tegelijkertijd zien zij ook redenen om vast te houden aan de letter van art. 77za Sr. Juist in gevallen waarin een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan de orde is, en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de jeugdige wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, staan de behandelnoodzaak en de beheersbaarheid van het herhalingsgevaar voorop. Het dadelijk uitvoerbaar verklaren van voorwaarden bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel maakt het, mede in het belang van de jeugdige, mogelijk om direct in te kunnen grijpen zonder vrijheidsbeneming. Dit kan de slagingskans ten goede komen. [41] Om vergelijkbare redenen is eerder in het volwassenenstrafrecht in art. 38 lid 6 Sr Pro geregeld dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar kan worden verklaard. [42] Zou het niet mogelijk zijn de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke PIJ-maatregel te bevelen, dan verwordt de voorwaardelijke modaliteit van deze maatregel tot een minder haalbaar alternatief voor vrijheidsbeneming, hetgeen op gespannen voet staat met het in het IVRK verankerde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming van jeugdigen slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur wordt toegepast, zo signaleren Van Capelleveen en De Jong. [43]
4.26
De praktische bezwaren die het hof noemt hangen deels samen met het volgende. In het geval de voorwaarden bij een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel wél dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard op grond van art. 77za Sr, kan de vraag worden opgeworpen of de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel kan worden gelast bij overtreding van die dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden, als de uitspraak waarbij deze maatregel is opgelegd nog niet onherroepelijk is. In het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 [44] zou een aanknopingspunt kunnen worden gevonden voor een bevestigend antwoord op deze vraag. De Hoge Raad noemt in rechtsoverweging 5.4.1 immers in één adem de regeling van zowel art. 14e Sr als art. 77za Sr:
“Mede blijkens de hiervoor in 4.2 weergegeven wetsgeschiedenis, strekt de in art. 14e en 14g Sr alsmede art. 77za en 77dd Sr neergelegde regeling ertoe dat de last tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 14g, eerste lid, Sr respectievelijk art. 77dd, eerste lid, Sr ook kan worden gegeven in het geval de uitspraak waarin de op grond van art. 14c respectievelijk 77z Sr gestelde algemene en bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, nog niet onherroepelijk is.” [45]
4.27
Deze uitkomst is echter vanwege op zijn minst twee redenen problematisch. In de eerste plaats is dat een wetstechnische reden. Ingevolge art. 6:1:14 lid 1 Sv Pro in verbinding met art. 6:2:2 lid 2 Sv Pro gaat een gevangenisstraf of jeugddetentie in op de dag van de
tenuitvoerleggingvan de rechterlijke uitspraak. [46] Die tenuitvoerlegging kan – aldus de Hoge Raad in voornoemd arrest uit 2017 – ingeval van overtreding van voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, plaatsvinden als de uitspraak waarbij die straf is opgelegd nog niet onherroepelijk is. Bij een PIJ-maatregel lijkt dat anders te zijn. Art. 6:2:22 lid 1 Sv Pro bepaalt immers expliciet dat de PIJ-maatregel (pas) ingaat nadat de rechterlijke uitspraak
onherroepelijkis geworden. Tenuitvoerlegging voordat de rechterlijke uitspraak waarbij de PIJ-maatregel is opgelegd onherroepelijk is, lijkt dus in strijd met de wet.
4.28
In de tweede plaats laat deze uitkomst zich moeilijk rijmen met de rechtspraak van de Hoge Raad over de omzetting van de niet-onherroepelijke, dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden naar tbs met dwangverpleging (het arrest van 26 november 2024 [47] , zie hiervoor onder randnummer 4.13). Voor zijn oordeel dat die mogelijkheid tot omzetting niet bestaat, achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat volgens de wetgever de figuur van dadelijke uitvoerbaarheid slechts past bij maatregelen die “beperkt van karakter” zijn en waarbij aan directe uitvoerbaarheid niet “zodanige nadelen en onomkeerbare gevolgen” kleven dat hiertoe niet kan worden overgegaan en – mede omdat de maximale duur van de tbs met dwangverpleging in veel gevallen ten tijde van de oplegging ervan of omzetting daarin niet precies vaststaat – zo’n omzetting een ingrijpender karakter heeft dan de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling of vrijheidsbeperkende maatregel. Tegen die achtergrond laat het zich moeilijk uitleggen dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel bij overtreding van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde overtredingen wél is toegestaan. De PIJ-maatregel kan – afhankelijk van de omstandigheden – tot wel zeven jaar voortduren en kan reeds hierom bezwaarlijk worden beschouwd als een maatregel die “beperkt van karakter” is. Daarbij merk ik op dat de termijn van de PIJ-maatregel pas aanvangt op het moment dat de uitspraak waarbij deze is opgelegd onherroepelijk is en niet reeds op het moment waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat. [48] Het feit dat geen afzonderlijke appelmogelijkheid tegen een beslissing van de rechter tot tenuitvoerlegging bestaat, [49] maakt de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel op het moment dat de onderliggende uitspraak nog niet onherroepelijk is mijns inziens des te meer ingrijpend.
Nieuwe Wetboek van Strafvordering
4.29
Tot slot acht ik het van belang om te wijzen op het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: NSv), dat op 24 februari 2026 door de Eerste Kamer is aangenomen. Daarin wordt namelijk voorgesteld om art. 77za Sr, evenals zijn evenknie art. 38 lid 6 Sr Pro en art. 14e Sr, te schrappen, gelet op de inwerkingtreding van het beoogde art. 2.5.49 NSv, in het bijzonder lid 3 en 4:
“1. De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op indien zij voor het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke of gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt van langere duur dan de al door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en evenmin een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt.
2. Indien de rechtbank voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, een vrijheidsstraf oplegt waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis met minder dan twee maanden overtreft en geen maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt, heft zij het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechtbank ervan afzien het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen indien de tenuitvoerlegging van dat bevel is geschorst of door de rechtbank wordt geschorst en de rechtbank een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, de maatregel van terbeschikkingstelling oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, dan wel voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden. In dat geval worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis geen andere voorwaarden verbonden dan de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, de voorwaardelijke jeugddetentie, de maatregel van terbeschikkingstelling, dan wel de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verbonden voorwaarden.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een bevel tot gevangenneming dat bij eindvonnis wordt gegeven.” [50]
4.3
De memorie van toelichting houdt over art. 2.5.49 lid 3 en 4 NSv het volgende in:

Derde en vierde lid
In deze bepaling is een voorziening getroffen voor het schorsen van de voorlopige hechtenis in verband met een voorwaardelijke veroordeling. In de toelichting op Boek 2, Titel 5.4, is hierop al ingegaan. Het derde lid heeft betrekking op twee situaties: 1) de situatie waarin de voorlopige hechtenis al is geschorst op het moment waarop de rechtbank vonnist en 2) de situatie waarin de voorlopige hechtenis op dat moment niet is geschorst. In de eerste situatie behoeft de rechtbank niets te doen, behalve zo nodig de schorsingsvoorwaarden aanpassen. De geschorste voorlopige hechtenis loopt gewoon door. In de tweede situatie kan de rechtbank in plaats van de opheffing, de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Voorwaarde in beide gevallen is dat aan de schorsing van de voorlopige hechtenis alleen de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden die door de rechter ook aan de voorwaardelijke veroordeling zijn verbonden. Anders zou de schorsing van de voorlopige hechtenis tot een grotere vrijheidsbeperking kunnen leiden dan gezien het vonnis gerechtvaardigd is.
Om die reden is bepaald dat aan de schorsing geen voorwaarden verbonden mogen worden die niet aan de voorwaardelijke veroordeling zijn verbonden. Dat wil niet zeggen dat de voorwaarden dezelfde moeten zijn: de schorsing mag ook een deel van de (aan de veroordeling verbonden) voorwaarden bevatten. De bepaling impliceert verder dat de rechtbank in voorkomende gevallen gebruik zal moeten maken van haar bevoegdheid de voorwaarden van de al geschorste voorlopige hechtenis (situatie 1) aan te passen.
De regeling van het derde lid, voor zover het ziet op de voorwaardelijke gevangenisstraf, en de regeling van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht – op grond waarvan de rechter de voorwaarden bij de voorwaardelijke gevangenisstraf dadelijk uitvoerbaar kan verklaren – vertonen grote overeenkomsten. In beide gevallen wordt de verdachte al vóór het onherroepelijk worden van de uitspraak onderworpen aan het regime van vrijheidsbeperking dat de voorwaardelijke veroordeling behelst.
Een belangrijk verschil tussen de regelingen is dat artikel 14e Wetboek van Strafrecht anders dan het derde lid afwijkt van het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing niet mag worden tenuitvoergelegd als zij nog niet onherroepelijk is. Het uitzonderlijke karakter van artikel 14e Wetboek van Strafrecht als afwijking van het genoemde uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de toepassing ervan alleen mogelijk is als er «ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen».
De regeling van het derde lid van artikel 2.5.49 maakt op dit uitgangspunt geen uitzondering; het regime van vrijheidsbeperking berust in dat geval op het voortduren van de (geschorste) voorlopige hechtenis.
In gevallen waarin de voorlopige hechtenis is bevolen is het feitelijke toepassingsbereik van artikel 14e Wetboek van Strafrecht niet groter dan dat van het derde lid van artikel 2.5.49 en in die gevallen lijkt het artikel daarom geen meerwaarde te hebben. Alleen in gevallen waarin tegen de verdachte geen voorlopige hechtenis is bevolen, biedt artikel 14e Wetboek van Strafrecht een mogelijkheid die artikel 2.5.49, derde lid, niet biedt, hoewel de vraag is hoe vaak het voorkomt dat een rechter het noodzakelijk acht om de voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling dadelijk uitvoerbaar te verklaren, terwijl tegen deze verdachte geen voorlopige hechtenis was bevolen. Hetzelfde recidivegevaar dat de rechter ertoe brengt toepassing te geven aan artikel 14e Wetboek van Strafrecht zal voorafgaand aan de berechting immers reden zijn voor toepassing van voorlopige hechtenis.
Gelet op bovenstaande is de regering voornemens om artikel 14e Wetboek van Strafrecht te schrappen. Dit zal gebeuren in de invoeringswet bij het nieuwe wetboek. Om ervoor te zorgen dat de rechter die een voorwaardelijke veroordeling uitspreekt en van oordeel is dat het daarmee gecreëerde regime van vrijheidsbeperking onmiddellijk van kracht moet worden, terwijl tegen de verdachte geen voorlopige hechtenis is bevolen, niet met lege handen komt te staan, wordt voorgesteld mogelijk te maken om – in gevallen waarin daar naar het oordeel van de rechter aanleiding is – een bevel gevangenneming te geven en dat bevel daarbij direct te schorsen op de wijze als in artikel 2.5.49, derde lid, is voorzien. Deze mogelijkheid is opgenomen in het vierde lid van artikel 2.5.49.
Het derde lid van artikel 2.5.49 heeft betrekking op het geval de rechter een voorwaardelijke gevangenisstraf, voorwaardelijke jeugddetentie (artikel 77s Wetboek van Strafrecht), terbeschikkingstelling met voorwaarden (artikel 38 Wetboek Pro van Strafrecht) of een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (Pij-maatregel) (artikel 77x Wetboek van Strafrecht) oplegt. Dit betreft voorwaardelijke (jeugd)sanctiemodaliteiten ten aanzien waarvan de rechter nu reeds – vergelijkbaar met artikel 14e Wetboek van Strafrecht – kan bepalen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Door de toepasselijkheid van artikel 2.5.49, derde lid, bestaat aan de artikelen 38, zesde lid, en 77za Wetboek van Strafrecht – op grond waarvan de voorwaarden bij de terbeschikkingstelling respectievelijk de jeugddetentie en de Pij-maatregel dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard – in elk geval geen behoefte meer als de voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen. Om ervoor te zorgen dat de rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden respectievelijk de voorwaardelijke jeugddetentie dan wel voorwaardelijke Pij-maatregel oplegt en van oordeel is dat het daarmee gecreëerde regime van vrijheidsbeperking onmiddellijk van kracht moet worden, terwijl tegen de verdachte geen voorlopige hechtenis is bevolen, niet met lege handen komt te staan, is het op grond van het vierde lid van artikel 2.5.49 mogelijk om een bevel gevangenneming te geven en dat bevel daarbij direct te schorsen op de wijze als in artikel 2.5.49, derde lid, is voorzien. De artikelen 38, zesde lid, en 77za Wetboek van Strafrecht kunnen dan worden geschrapt. Dit zal gebeuren bij gelegenheid van de invoeringswet.” [51]
4.31
Indien de rechter het noodzakelijk acht dat bij een straf of maatregel gestelde voorwaarden onmiddellijk ten uitvoer kunnen worden gelegd zal de rechter dat in de toekomst via het regime van de voorlopige hechtenis moeten vormgeven, zoals de Hoge Raad ook opperde in meergenoemd arrest van 26 november 2024. Op grond van art. 2.5.49 lid 3 NSv kan de rechter, wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis zit, bij einduitspraak ervan afzien het bevel op te heffen en zo nodig daaraan dezelfde voorwaarden verbinden die aan de voorwaardelijk opgelegde sanctie zijn verbonden. In het geval tegen de verdachte geen voorlopige hechtenis is bevolen, kan de rechter op grond van lid 4 de gevangenneming bevelen, deze vervolgens schorsen en daaraan de betreffende voorwaarden verbinden. Daarmee wordt de huidige regeling van de dadelijke uitvoerbaarheid, zoals neergelegd in onder meer art. 77za Sr, in de toekomst overbodig, aldus de wetgever. Daarmee komen ook de strikte voorwaarden die de wet aan de toepassing van de dadelijke uitvoerbaarheid verbindt, waaronder de voorwaarde dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te vervallen. In plaats daarvan zal de rechter moeten toetsen aan de algemene toepassingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis (art. 2.5.26 e.v. NSv). Op grond van art. 2.5.27 NSv kan een bevel tot voorlopige hechtenis alleen worden gegeven indien dit bevel strikt noodzakelijk is en sprake is van een van de onder a tot en met f genoemde omstandigheden. Een van die omstandigheden is het recidivegevaar (onder d).

5.Beschouwing

5.1
De vraag die in de onderhavige vordering voorligt is of de voorwaarden van een voorwaardelijke PIJ-maatregel (en het toezicht daarop) op grond van art. 77za Sr dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard.
5.2
Met de rechtbank meen ik dat de letter van de wet in beginsel pleit voor een bevestigend antwoord op deze vraag. Art. 77za Sr staat immers toe dat dadelijk uitvoerbaar worden verklaard de in art. 77z Sr genoemde voorwaarden die, in samenhang bezien met art. 77x Sr, kunnen worden gesteld bij de oplegging van zowel een voorwaardelijke jeugddetentie als een voorwaardelijke PIJ-maatregel.
5.3
Recente stukken uit de wetsgeschiedenis, die dateren van na de inwerkingtreding van art. 77za Sr, illustreren dat de wetgever uitgaat van eenzelfde lezing van art. 77za Sr. Ik noem de nota van wijziging over de GBM waarnaar de rechtbank in de zaak waarop deze vordering ziet wijst, waaruit met zoveel woorden volgt dat in art. 77za Sr “de uitvoerbaarheid bij voorraad [is] geregeld van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie en de voorwaardelijk opgelegde pij-maatregel”. [52] Zoals gezegd wordt een dergelijke lezing van art. 77za Sr recenter onderschreven in de memorie van toelichting bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. [53]
5.4
De wetsgeschiedenis bij art. 77za Sr zelf bevestigt niet met zoveel woorden dat het destijds inderdaad de bedoeling van de wetgever is geweest om daaronder ook de voorwaardelijke PIJ-maatregel te brengen. Tegelijkertijd sluit de wetsgeschiedenis een dergelijke interpretatie van deze bepaling ook niet nadrukkelijk uit. Doordat in de tweede nota van wijziging de wens wordt uitgedrukt om aan het jeugdstrafrecht een pendant van het voorgestelde art. 14e Sr toe te voegen en daarin verder wordt gezwegen over de voorwaardelijke PIJ-maatregel, is bij sommigen de indruk ontstaan dat de reikwijdte van art. 77za Sr moet worden beperkt tot voorwaardelijke straffen. De bedoelde passage in de nota van wijziging vind ik op zichzelf onvoldoende overtuigend voor die gevolgtrekking van (onder meer) het hof Arnhem-Leeuwarden. Anders dan dat hof, zie ik voorts niet in hoe de inhoud van de memorie van toelichting bij art. 77cca Sr, dat handelde over de voorlopige tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, verdere steun biedt aan het door hof bepleite beperkte toepassingsbereik van art. 77za Sr.
5.5
Een uitleg waarin het bereik van art. 77za Sr moet worden beperkt tot voorwaardelijke sancties valt naar mijn inzicht bovendien lastig te rijmen met de bedoeling van de wetgever om de slagvaardigheid van voorwaardelijke sancties te vergroten. De dadelijke uitvoerbaarheid is zogezegd een instrument om de toezichtloze periode te verkorten. Een dergelijke spoedige behandeling kan wenselijk zijn ter voorkoming van recidive en ter bescherming van de samenleving. Precies om die reden heeft de wetgever eerder al de dadelijke uitvoerbaarheid mogelijk gemaakt voor de tbs met voorwaarden. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de wetgever een dergelijke mogelijkheid van een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de voorwaarden niet wenselijk achtte bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel, die nota bene kan worden aangemerkt als het jeugdstrafrechtelijke equivalent van de tbs met voorwaarden en waarbij dezelfde belangen spelen. Daarbij komt dat de (voorwaardelijke) PIJ-maatregel niet alleen tot doel heeft de beveiliging van de samenleving, maar ook opvoeding, behandeling en re-integratie van de jeugdige nastreeft. Juist gelet op de jonge leeftijd van de jeugdige veroordeelde lijkt het mij in het jeugdstrafrecht des te meer van belang dat de mogelijkheid bestaat om op korte termijn te beginnen met de behandeling en opvoeding in een voorwaardelijk kader, uiteraard voor zover aannemelijk wordt geacht dat de jeugdige daarmee het meest gebaat is. Gezien de strikte voorwaarden die in art. 77s en art. 77za Sr zijn geformuleerd voor respectievelijk de oplegging van de PIJ-maatregel en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, evenals de eisen die de Hoge Raad stelt aan de motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, is in mijn optiek voorts voldoende gewaarborgd dat dit instrument niet te lichtvaardig wordt ingezet, maar zal worden beperkt tot de meest ernstige gevallen waarin een spoedige behandeling geïndiceerd is, doch vrijheidsbeneming niet noodzakelijk wordt geacht. Zou deze mogelijkheid ontbreken, dan zal de rechter in dergelijke gevallen mogelijk eerder genegen zijn een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, of de dadelijk uitvoerbaar te verklaren voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijke jeugddetentie. Een en ander staat mijns inziens op gespannen voet met het IVRK.
5.6
Om dezelfde redenen laat het zich moeilijk voorstellen dat de wetgever de dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wél opportuun achtte, maar niet die van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. De praktische bezwaren die het hof Arnhem-Leeuwarden aanstipt zouden naar mijn inzicht een dergelijke differentiatie in ieder geval niet kunnen verklaren. De door het hof geschetste onduidelijkheid over de status van de PIJ-maatregel houdt naar ik meen niet rechtstreeks verband met de mogelijkheid om de voorwaarden bij een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Zoals gezegd heeft een dergelijk bevel immers slechts betrekking op de aan de maatregel verbonden voorwaarden en gaat de PIJ-maatregel nog niet van start. De termijn van de PIJ-maatregel begint op zijn vroegst nadat de rechterlijke uitspraak waarbij deze is opgelegd onherroepelijk is geworden. Een aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel, kan pas na dat moment ten uitvoer worden gelegd. [54] De praktische problemen waar het hof tegenaan liep lijken veeleer voort te zijn gekomen uit de omstandigheid dat in die zaak, terwijl de uitspraak van de rechtbank nog niet onherroepelijk was, wél de voorlopige tenuitvoerlegging en tenuitvoerlegging van de door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel was bevolen wegens niet-naleving van de (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) voorwaarden. Zoals ik hiervoor onder randnummers 4.27-4.28 overwoog, is dat mijn inziens niet toegestaan. Hoe dan ook noopt dat op zichzelf niet tot de conclusie dat art. 77za Sr zo moet worden uitgelegd dat de voorwaarden bij een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard.
5.7
Dat brengt mij tot de conclusie dat de tekst van art. 77za Sr in verbinding met art. 77z Sr en art. 77x Sr duidelijk [55] is en dat de omstandigheid dat in de wetsgeschiedenis niet expliciet is stilgestaan bij de dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel daaraan niet afdoet, terwijl art. 77za Sr bovendien goed past bij de (meer algemene) bedoeling van de wetgever wat betreft voorwaardelijke sancties. Gelet op het voorgaande kan ik het oordeel van de rechtbank Gelderland dat de voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel op grond van art. 77za Sr dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard goed volgen.
5.8
De rechtbank achtte tot slot het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:70,
NJ2023/90, m.nt. W.H. Vellinga van belang. In die zaak had het hof een PIJ-maatregel voorwaardelijk opgelegd en daarbij de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof gedeeltelijk, maar niet ten aanzien van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. In cassatie werd echter niet geklaagd over dit bevel en de Hoge Raad ziet enkel in uitzonderlijke gevallen ruimte voor ambtshalve vernietiging. [56] Aan het enkele feit dat de Hoge Raad het arrest op dit punt in stand liet kan daarom niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de Hoge Raad de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke PIJ-maatregel toelaatbaar acht.

6.Cassatiemiddel

6.1
De voorafgaande beschouwingen leiden niet tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uitsluitend om de hiervoor besproken rechtsvraag aan de Hoge Raad voor te leggen, stel ik in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor:
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder art. 77za Sr, doordat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen van de bij de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel gestelde voorwaarden en het toezicht daarop, terwijl op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 77za Sr moet worden aangenomen dat de wetgever niet heeft bedoeld dadelijke uitvoerbaarheid mogelijk te maken van op grond van art. 77z Sr gestelde voorwaarden, en het op grond van art. 77aa Sr daarop uit te oefenen toezicht, in het geval van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel.

7.Vordering

7.1
Op grond van het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2024 in het belang der wet zal vernietigen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

3.Het hof verwijst naar dit eerdere oordeel in zijn arrest van 10 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2482. Ik bespreek deze rechtspraak van het hof nader onder randnummers 4.23-4.24.
5.Zie bijv. het vonnis van 9 december 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:6597 en 6 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2781.
6.Andere voorbeelden zijn o.a.: Rb. Zeeland-West-Brabant 27 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1242, Rb. Den Haag 18 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11026, Rb. Midden-Nederland 10 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5626 en Rb. Midden-Nederland 10 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5349.
7.In dit artikel lijken twee regelingen door elkaar te lopen. Dit artikel bevat in de leden 1 tot en met 5 en 7 bepalingen over de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. Lid 6 gaat over een rechterlijk bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Zie hierover kritisch S. Meijer, in:
8.M.R. Bruning, Y.N. van den Brink en E.C.C. Punselie,
9.Deze voorwaarde is als onderdeel van de Wet adolescentenstrafrecht (
11.Zie J. Reef e.a.,
12.Ook de voorwaardelijke beëindiging kan worden verlengd, maar bedraagt maximaal twee jaren, vgl. art. 6:6:32 lid 1 en Pro 2 Sv.
14.Bruning e.a.,
15.F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter,
18.J. van der Ham & M.A.P. Timmerman, ‘De dadelijke uitvoerbaarheid van strafrechtelijke sancties’,
19.Van der Ham & Timmerman,
20.Bleichrodt & Vegter,
21.De Lange,
22.Zo’n gevaarscriterium kent art. 38 lid 6 Sr Pro niet, nu het opleggen van de tbs met voorwaarden al wordt beperkt door het wettelijk omschreven doel van bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Zie De Lange,
23.HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537,
25.Rov. 5.7.2.
27.Rov. 6.4.3.
28.Rov. 6.5.
29.Tot 19 september 2018 (
37.M.J.M. Verpalen/M. Jeltes in:
38.In 2020 zijn de regels overgeheveld naar Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering in art. 6:3:14 Sv Pro e.v. (
40.N.U. van Capelleveen & R. de Jong, ‘Kroniek jeugdstraf(proces)recht’,
41.Van Capelleveen & De Jong,
42.Het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de tbs met voorwaarden zou, in het belang van de beveiliging van de maatschappij, de slagvaardigheid van deze maatregel vergroten (zie o.a. Bleichrodt & Vegter,
43.Van Capelleveen & De Jong,
45.Art. 77dd Sr is de voorloper van art. 6:6:21 Sv Pro.
46.Lid 1 van art. 6:2:2 Sv Pro bevat een bepaling voor veroordeelden in voorlopige hechtenis.
48.Anders dan bij de dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden of de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (zie resp. HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:377,
49.Tenzij de beslissing tot tenuitvoerlegging deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit, valt de tenuitvoerleggingsbeslissing niet onder art. 6:6:22 lid 1 Sv Pro. Deze wordt evenmin genoemd in art. 6:6:37 Sv Pro, zodat ingevolge art. 6:6:7 Sv Pro geen mogelijkheid tot beroep bestaat. Zie hierover ook Meijer,
54.Zie hiervoor onder randnummer 4.27.
55.Naar vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist het legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM Pro, tevens vervat in art. 1 Sr Pro) onder meer dat de ‘law’ op grond waarvan een verdachte wordt veroordeeld en bestraft voldoende duidelijk, toegankelijk en voorzienbaar is. Zie voor een overzicht van deze rechtspraak en voorbeelden de laatst op 31 augustus 2025 bijgewerkte “Guide on Article 7 of the European Convention on Human Rights. No punishment without law: the principle that only the law can define a crime and prescribe a penalty”, p. 13.
56.Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,