Conclusie
1.Inleiding
De verkopers hebben omstreeks 2005 enigszins in de buurt van de kadastrale grens tussen de percelen, maar niet daarop, een hekwerk geplaatst. Het hekwerk staat op perceel nummer 1, dat nu in ieder geval grotendeels van [verweerders] is. Het hekwerk “snijdt” ongeveer 25 m2 van dat kadastrale perceel “af” (hierna ook: de litigieuze strook). De litigieuze strook is feitelijk gelegen in de tuin van [eisers] , eigenaars van perceel nummer 2.
[verweerders] verlangen kort gezegd dat de litigieuze strook tot hun tuin gaat behoren en hebben daartoe verschillende vorderingen tegen [eisers] ingesteld. Het hof heeft, net als de rechtbank, [verweerders] in het gelijk gesteld na – onder andere – de uitleg van de koopovereenkomst en levering tussen de verkopers en [verweerders] Bij zijn uitlegoordelen kent het hof veel gewicht toe aan de kadastrale aanduiding in de koopakte en in de leveringsakte.
[eisers] komt mijns inziens in cassatie met succes op tegen beslissingen van het hof.
2.Feiten
hierna: nummer 1, A-G] groot 0 hectare 11 are 85 centiare (...)”
postcode, plaats en adres, A-G], kadastraal bekend gemeente (…), sectie (…), nummer [1] ter grootte van elf are en vijfentachtig centiare (11 a 85 ca)”
3.Procesverloop
In eerste aanleg
4.Bespreking van het cassatiemiddel
alsofde eigendomsgrenzen en kadastrale grenzen samenvallen. Daartegen bestaat op zichzelf geen bezwaar.
eigendomsverkrijgingbeslissend. Daarbij kán de kadastrale kaart (indirect) een aanknopingspunt zijn. Eigendomsverkrijging vindt meestal plaats door overdracht (waar het in deze zaak om draait en waartoe ik mij hier beperk) of door verjaring (waar het in deze zaak niet om draait). Men kan de vraag naar eigendomsverkrijging op elk afzonderlijk stukje grond betrekken; niet slechts op kadastrale percelen. [13] De kadastrale kaart kan worden aangepast aan de (nieuwe) eigendomsgrenzen. [14] Er is dus geen vooraf gegeven administratieve of ‘natuurlijke’ afbakening van grondstukken als rechtsobjecten; zij worden in wezen afgebakend door de goederenrechtelijke mutaties (overdracht, verjaring, enzovoort) die erop betrekking hebben. Bestanddeelvorming als bedoeld in art. 3:4 BW Pro vervult – hoewel de wettekst daaraan niet in de weg staat – dan ook geen zelfstandige rol in het ‘platte vlak’. [15]
de factoal snel op voorsprong komen te staan terwijl dat in het algemeen, zo meen ik, niet gerechtvaardigd is.
Geen enkel maatschappelijk belang wordt gediend bij het handhaven van grenzen op een kaart, welke niet in het rechtsbewustzijn van partijen en hun rechtverkrijgenden of andere belanghebbenden leven.” [17] Bovendien: het gevaar is dat betrokkenen op basis van de kadastrale kaart, waarop zij in werkelijkheid niet zijn afgegaan, met enig opportunisme onbedoelde voordelen gaan najagen of alles doen om hun buren daarmee het leven zuur te maken.
optischesituatie ter plaatse. Misschien dat onder eigenaars ook wel de misvatting heerst dat de kadastrale grenzen samenvallen met de eigendomsgrenzen, [18] maar dat betekent nog niet – en dat is cruciaal – dat grondtransacties altijd zijn gebaseerd op een werkelijke overeenstemming tussen kadastrale grenzen en de optische situatie ter plaatse. Aannames over het samenvallen van de kadastrale grenzen en de optische situatie kunnen heel wel probleemloos voortleven, totdat een belanghebbende er belang bij heeft om de situatie beter te onderzoeken. In het algemeen wordt echter niet verondersteld dat betrokkenen onderzoek doen naar mogelijke discrepanties tussen de kadastrale kaart en de optische situatie ter plaatse. [19] Bijgevolg worden ook discrepanties tussen de kadastrale kaart en de eigendomsgrenzen (letterlijk) op de koop toe genomen. [20]
waarvoor een titel bestond. [22] Met de koopovereenkomst is volgens de systematiek van art. 3:84 leden Pro 1 en 2 in verbinding met art. 3:89 lid 1 BW Pro echter nog niet bepaald welke grond in eigendom is overgedragen. Want het is dus ook een leveringsstelsel, niet een consensueel stelsel. Nooit kan er, gelet op art. 3:84 lid 1 BW Pro, meer grond zijn overgedragen dan er is
geleverd. [23] Er zijn dus in wezen twee hoepels met een in potentie ongelijke omvang waar doorheen moet worden gesprongen: die van de titel en die van de levering. De kleinste hoepel is bepalend. [24]
hoezij het over te dragen stuk grond afbakenen, [27] mits dat natuurlijk in het format van een (bijlage bij een) akte past en met de hierna te bespreken randvoorwaarde. Zo kan aan de akte een schets worden gehecht waarop het desbetreffende grondstuk is ingetekend (met als achtergrond eventueel een lucht- of satellietfoto, of de kadastrale kaart), maar partijen kunnen ook een verbale omschrijving geven van het grondstuk en daarbij bijvoorbeeld verwijzen naar markeringen zoals grenspaaltjes en/of landschapskenmerken zoals beplantingen, sloten, wegen enzovoort. Een combinatie van een grafische en verbale afbakening is natuurlijk ook mogelijk. Kortom, er is een zekere mate van openheid in de afbakeningsmethodiek.
nietbesloten dat het rechtsobject van de inschrijving samenvalt met een perceel. Een eigenaar van een grondstuk dat samenvalt met een perceel kan ook een gedeelte van dat grondstuk overdragen (zie ook al nr. 4.9 hiervoor). [33] De hiervoor genoemde wetsbepalingen brengen dan ook slechts mee dat de kadastrale aanduiding van het betreffende perceel (of betreffende percelen) in de leveringsakte wordt vermeld, zonder dat daarmee is gegeven hoe het overgedragen grondstuk is afgebakend. Omdat er altijd een kadastrale aanduiding te vinden moet (en zal) zijn in een leveringsakte, is er des te minder aanleiding om te menen dat partijen zonder meer dááraan onderscheidende betekenis hebben gehecht. [34]
dat bij discrepantie tussen de kadastrale aanduiding en de feitelijke omschrijving van de onroerende zaak in de ingeschreven akte, de feitelijke omschrijving prevaleert”. [35] Dit is inderdaad (nog steeds) het geval. [36] Ook de wetsgeschiedenis gaat hiervan uit:
niet, zodat de koopakte en andere geschriften
nietzonder meer belangrijker zijn dan andere feiten en omstandigheden.
onjuist feitin de openbare registers staat ingeschreven, te weten de levering van een grondstuk terwijl daarvoor geen dekkende titel bestaat, terwijl C – zo veronderstel ik dan – deze de onjuistheid niet kende en deze ook niet door raadpleging van de openbare registers had kunnen kennen. A kan het ‘titeltekort’ in zo’n geval niet tegenwerpen aan C. Derdenbescherming verzacht zo voor derden de potentieel nadelige gevolgen van het causale stelsel. [43]
alleomstandigheden van het geval relevant kunnen zijn, is vervolgens een juiste maar ook wat gemakzuchtige constatering. Er is immers wel wat reliëf in het omstandighedenlandschap: sommige doen er in doorsneegevallen meer toe dan andere. In abstracto ligt het voor de hand om aan een aspect meer gewicht toe te kennen naarmate partijen er (vermoedelijk) bewuster bij hebben stilgestaan. [48] Dan is de kans groter dat het uitlegresultaat hun gezamenlijke bedoeling weerspiegelt en dat zij niet daardoor worden verrast. Wat hiervoor werd gezegd over het primaat van een eventuele feitelijke omschrijving in verhouding tot een kadastrale aanduiding in de leveringsakte (zie nr. 4.20 en 4.21), geldt tegen de achtergrond van de ‘gewone’ Haviltex-maatstaf nog sterker voor een feitelijke omschrijving in verhouding tot een kadastrale aanduiding in de koopakte. Zo’n feitelijke omschrijving zal vaak maatwerk zijn, de kadastrale aanduiding kan daarentegen op knip-en-plakwerk berusten. Daarom is in het algemeen gesproken de kans groter dat de feitelijke omschrijving de werkelijke bedoeling van partijen weerspiegelt dan dat de kadastrale aanduiding dat doet.
enerzijdsde alsdan vooral op zo’n kadastrale aanduiding gefundeerde eigendomssituatie en
anderzijdswat zij op het oog hadden. De daarmee te veroorzaken transactiekosten en potentiële complicaties zijn beter te vermijden, zeker als partijen doorgaans probleemloos kunnen afgaan op hun percepties van het verkochte en overgedragene, gebaseerd op de optische situatie ter plaatse. Het verdient, zo meen ik, de voorkeur dat laatste zo veel mogelijk in stand te houden.
gebruiksoppervlakte van de opstal(len) wordt veelal ingemeten, al was het maar omdat verkoopmakelaars die zijn aangesloten bij de NVM dat moeten doen, [53] maar voor de oppervlakte van het grondstuk geldt dat niet. Deze kan en zal doorgaans eenvoudigweg, als “perceeloppervlakte”, met enkele muisklikken zijn ontleend aan de basisregistratie kadaster. En het is ook niet zeker dat, nadat de aspirant-koper kennis heeft genomen van de advertentie, bij de oppervlakte van het grondstuk door partijen nog wordt stilgestaan . Als de aspirant-koper tevreden is met wat hij of zij ziet en in de (meestal terechte) veronderstelling verkeert dat de optische situatie ter plaatse correspondeert met de in de advertentie vermelde oppervlakte, dan kan daaruit nog steeds weinig worden ontleend voor wat betreft de bedoeling om daadwerkelijk de grond die samenvalt met het kadastrale perceel over te dragen. Kortom, ook dan is de optische situatie ter plaatse meestal toch belangrijker.
[…] / […], [54] dat zag op de overdracht van een stuk weiland. De Hoge Raad overwoog daar in r.o. 3.3 in algemene zin dat
indiende onroerende zaak, zoals omschreven in de tot levering bestemde akte, groter is dan partijen bij “de koopovereenkomst” zijn overeengekomen, de eigendom van het meerdere niet is overgegaan omdat voor overdracht van dat meerdere een geldige titel ontbreekt. De vraag is echter
ofer meer is geleverd dan er is verkocht. In r.o. 3.4 constateert de Hoge Raad – en daarom gaat het hier – dat de tot levering bestemde akte als verklaring van partijen niet alleen inhoudt dat zij een perceel weiland van 85,90 are
overdragenmaar ook dat A dat perceel aan B heeft
verkocht, zoals B dat perceel van A heeft
gekocht. In r.o. 3.5 overweegt de Hoge Raad dan – voor zover van belang – het volgende:
[…] / […]óók niet kan worden afgeleid, is dat een ‘titeltekort’ in de koopakte altijd of in beginsel wordt ‘geheeld’ of ‘aangevuld’ door een ‘afdekkende’ weergave van de koopovereenkomst in de leveringsakte. [55] Niet alleen volgt dat niet uit dat arrest, ook zou dat ongewenst zijn, omdat daarmee voor wat betreft de inhoud van de koopovereenkomst alsnog de ‘papieren werkelijkheid’ dominant wordt, terwijl daarvoor in doorsneetransacties tussen particulieren geen aanleiding bestaat, zo is de portée van het voorgaande. Dat zo’n ‘helende werking’ vanuit het perspectief van juristen kan bijdragen aan rechtszekerheid, is te begrijpen, maar als die ‘papieren werkelijkheid’ in feite niet ten grondslag ligt aan de verwachtingen van verkoper en koper en aan de situatie ter plaatse, dan doet het toekennen daaraan van een doorslaggevende rol per saldo juist af aan de rechtszekerheid. Daarvan kan het gevolg zijn dat in fysiek opzicht opeens van alles overhoop moet worden gehaald.
Brengt de inhoud van de notariële akte van 2 april 2013 mee dat de strook grond deel uitmaakt van de in 2013 aan [verweerders] overgedragen onroerende zaak?” ingegaan op de uitleg van de levering.
nummer 1, A-G]. Ook noemt het de grootte van het betreffende onroerend goed. De omschrijving vermeldt geen concrete nadere feitelijke kenmerken van het over te dragen onroerend goed, zoals het hek dat, onbetwist, ten tijde van de overdracht in 2013 al geruime tijd op het perceel met nummer [1] aanwezig was, en zij noemt ook geen andere objectieve feiten ter nadere identificatie. Zodoende biedt de omschrijving in de notariële akte van de over te dragen onroerende zaak, uitgelegd naar objectieve maatstaven bezien in het licht van de gehele inhoud van de notariële akte, naar het oordeel van het hof geen althans onvoldoende aanknopingspunten om het feitelijke kenmerk bestaande uit het hek ter plaatse te betrekken bij de vaststelling van de omvang van de aan [verweerders] overgedragen onroerende zaak. Van een discrepantie tussen feitelijke omschrijving en kadastrale aanduiding, in welk geval het eerstgenoemde prevaleert, is dan ook geen sprake. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de onroerende zaak die in 2013 op grond van de notariële akte door de [verkopers] aan [verweerders] is overgedragen het gehele perceel betreft zoals dat op de als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde kadastrale kaart is aangeduid met nummer [1], dus inclusief de strook grond.”
en al hetgeen volgens verkeersopvatting daartoe behoort’ bevat. Naar het oordeel van het hof is met die bewoordingen, uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de notariële akte, niet meer of anders tot uitdrukking gebracht dan dat van de verkochte en over te dragen onroerende zaak mede deel uitmaken alle zaken die duurzaam met de onroerende zaak zijn verenigd in de zin van artikel 5:20 lid 1 sub e BW Pro in combinatie met artikel 3:4 lid 1 BW Pro. De hier besproken zinsnede houdt in zoverre dus een uitbreiding in van wat op 2 april 2013 op grond van de notariële akte door de [verkopers] aan [verweerders] is overgedragen, en niet een beperking zoals [eisers] lijken voor te staan. Concreet is de betekenis hiervan dat het door de [verkopers] geplaatste hek dat zich op het in 2013 aan [verweerders] overgedragen perceel met nummer [1] bevindt, ook eigendom is geworden van [verweerders] ”
Is met betrekking tot de strookgrond sprake van een titelgebrek?” ingegaan op de uitleg van de koopovereenkomst.
titelgebrek” (ik spreek in deze Conclusie, gelet op de voorliggende casuïstiek, ook wel van een titeltekort) is omdat de koopovereenkomst geen betrekking heeft op de litigieuze strook:
nietmede de strook grond omvatte, zoals [eisers] bepleiten. Daarin is volgens [eisers] een gebrek in de titel tussen de [verkopers] en [verweerders] gelegen. In dat verband geldt naar het oordeel van het hof dat een belanghebbende derde als procespartij
feiten mag stellen, en zo nodig: bewijzen, waaruit volgt dat aan de titel die ten grondslag ligt aan de levering van een onroerende zaak aan zijn processuele wederpartij een gebrek kleeft, en zich op de rechtsgevolgen van dat gestelde titelgebrek beroepen. (…)”
de koopovereenkomst”). Volgens het hof bieden “
de koopovereenkomst” en de daarin gebezigde bewoordingen grond voor de uitleg dat partijen de bedoeling hadden het gehele kadastraal aangeduide perceel onderwerp van de koopovereenkomst te doen zijn:
, aan(…)
, [huisnummer] , postcode(…)
, kadastraal bekend gemeente(…)
, sectie G, nummer [1] groot 0 hectare 11 are 85 centiare, (...)”.
omdat daarmee niet vaststaat dat ook [verweerders] als kopers hebben geweten dat het hekwerk niet stond ter plaatse van de werkelijke kadastrale erfgrens maar op een plaats die meebracht dat zij minder kochten dan zij op grond van de contractuele omschrijving van het perceel in de koopovereenkomst, waar de kadastrale erfgrens deel uitmaakt van de omschrijving van de gekochte onroerende zaak ter afbakening, mochten verwachten. Om dezelfde redenen komt ook aan omstandigheid 5 (‘het hek fungeert daadwerkelijk als erfafscheiding’) onvoldoende gewicht toe. Omstandigheid 5 behelst naar het oordeel van het hof niet meer dan een veronderstelling, zodat ook daaraan onvoldoende gewicht toekomt.
gelet op de omschrijving in de koopovereenkomst van de door [verweerders] gekochte onroerende zaak.
Het gaat er naar het oordeel van het hof daarbij om dat als wat werkelijk wordt verkocht daarvan in verminderende zin afwijkt, dit door de [verkopers] als de verkopende partij bij [verweerders] uitdrukkelijk onder de aandacht had moeten worden gebracht, hetzij mondeling bij de onderhandelingen over de koop, hetzij door in de koopovereenkomst op enigerlei wijze concreet te verwijzen naar het hekwerk als de feitelijke begrenzing van de verkochte onroerende zaak.
Het gaat hier immers om een zeer ruim bouwperceel, in de koopovereenkomst aangeduid met een kadastraal nummer, waarbij zonder nadere toelichting van [de verkopers] aan [verweerders] , [verweerders] niet hoefden te verwachten dat een gering onderdeel van dat kadastraal perceel geen onderdeel van het verkochte uitmaakte. [eisers] hebben niet gesteld dat en zo ja welke mededelingen of uitlatingen [de verkopers] op dit punt tegenover [verweerders] hebben gedaan, zodat het hof aanneemt dat deze niet zijn gedaan.Om dezelfde redenen acht het hof ook omstandigheid 2 van onvoldoende betekenis. Omstandigheid 3 zegt naar het oordeel van het hof niet meer of minder dan dat [verweerders] op enig moment in 2021 hebben geconstateerd dat de feitelijke situatie ter plaatse niet overeenstemde met wat zij op grond van de omschrijving in de koopovereenkomst hadden gekocht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit gegeven bepalend is voor de omvang van de door [verweerders] gekochte onroerende zaak.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 197; HR 2 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1438). Naar het oordeel van het hof betreft de kwestie in deze zaak een geschil waarbij niet onzeker is waar de grens tussen de onderscheiden percelen van [verweerders] respectievelijk [eisers] gelegen is. Die grens is immers bevestigd door het kadaster. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat het vermoeden van het eerste lid van artikel 5:47 BW Pro door [verweerders] is weerlegd. Het bepaalde in artikel 3:119 BW Pro biedt zodoende geen grond voorafwijking van hetgeen het hof in het voorgaande heeft overwogen over de omvang van het aan [verweerders] toekomende perceel, te weten met inbegrip van de strook grond.”
De slotsom” onder andere het volgende in r.o. 3.34 en 3.35:
titelgebrek” is in verband met de verkrijging van de litigieuze strook door [verweerders] R.o. 3.27 en 3.28 van het arrest bouwen daarop voort en kunnen daarom evenmin in stand blijven, zo wordt geklaagd.
ter onderbouwing van hun stellingname dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd” het subsidiaire standpunt hebben ingenomen dat een discrepantie bestaat tussen wat op grond van de koopakte is verkocht en wat op grond van de leveringsakte is geleverd, en dat zij daarbij wijzen zij op diverse feiten en omstandigheden aan de zijde van de verkopers en [verweerders] In r.o. 3.22 en 3.23 is vervolgens onder andere te lezen dat tegen de achtergrond van de Haviltex-maatstaf en “gelet op de stellingname van [eisers] ” concreet dient te worden beoordeeld of de koopovereenkomst zo moet worden uitgelegd “
dat de toen te verkopen onroerende zaaknietmede de strook grond omvatte, zoals [eisers] bepleiten” (onderstreping toegevoegd) en dat volgens [eisers] daarin “
een gebrek in de titel” is gelegen. Het hof legt de stelplicht en bewijslast bij [eisers] , zo blijkt duidelijk uit de daarop volgende passage waarin het overweegt dat “
een belanghebbende derde als procespartij feiten mag stellen, en zo nodig: bewijzen, waaruit volgt dat aan de titel die ten grondslag ligt aan de levering van een onroerende zaak aan zijn processuele wederpartij een gebrek kleeft, en zich op de rechtsgevolgen van dat gestelde titelgebrek beroepen”.
titelgebrek” is. De benadering van het hof lijkt te zijn dat de rechtbank een uitlegoordeel heeft gegeven waartegen [eisers] opkomen, zodat zij moeten uitleggen wat er mis mee is en daartoe feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen.
nietleiden tot verkrijging door [verweerders] van de eigendom van de litigieuze strook is aan te merken als een betwisting en niet als een (bevrijdend) verweer. Het is niet zo dat het inroepen van een ‘titeltekort’ een (bevrijdend) verweer betreft, want daarbij worden geen rechtsgevolgen ingeroepen doch slechts de door de wederpartij ingeroepen rechtsgevolgen (te weten: overdracht) ontkend.
overeenkomsteerst en vooral aankomt op de koop
akte, twee begrippen die het hof overigens in het geheel niet onderscheidt. Als er van de koopovereenkomst al iets uit de openbare registers kenbaar is, dan is dat via de leveringsakte (mede gelet op art. 3:89 lid 2 BW Pro) en– eventueel – de koopakte. [57] Maar daarmee is dus nog niet zonder meer de gehele koopovereenkomst kenbaar uit de openbare registers (vgl. nrs. 4.29 t/m 4.38 hiervoor). Kortom, hoewel het hof in r.o. 3.22 (terecht) de ‘gewone’ Haviltex-maatstaf vooropstelt en op zichzelf in r.o. 3.24 niet overweegt dat een geobjectiveerde Haviltex-maatstaf geldt, is dat laatste per saldo wel het resultaat van een (impliciete) nadruk op wat via de openbare registers in akten, in het bijzonder de koopakte, te vinden is.
over die omstandigheden hebben gesproken. Aldus beperkt het hof, daar heeft het alle schijn van, de in aanmerking te nemen omstandigheden tot (wat voorwerp is geweest van) verbale communicatie. Dit is inderdaad niet te verenigen met een juiste toepassing van de Haviltex-maatstaf, nu daarbij ‘contextuele’ of ‘impliciete’ omstandigheden zonder meer wél van belang kunnen zijn, mede gelet op de vormvrijheid van art. 3:37 lid 1 BW Pro. [58] Bovendien kunnen ook omstandigheden van ná de totstandkoming van de overeenkomst (‘posterieure omstandigheden’) licht werpen op wat partijen hebben bedoeld (zie nader in nr. 4.105 hierna). Uit zijn arrest blijkt niet dat het hof aan de in nr. 77 van de memorie van grieven gestelde omstandigheden enige betekenis toekent.
een perceel grond en al hetgeen volgens verkeersopvatting daartoe behoort” en in deze notariële akte (art. 3) nu juist een overmaat/ondermaat-bepaling is opgenomen: “
Partijen kunnen geen rechten ontlenen aan een eventueel verschil tussen bovenvermelde perceelgrootte en de oppervlakte van het verkochte, zoals die uit de feitelijke en/of kadastrale begrenzingen blijkt.”
overeenkomsttussen partijen de door [eisers] gestelde feiten niet steeds één voor één afgewogen mogen worden tegen de tekst van de koop
akteom deze feiten vervolgens ‘af te serveren’ op basis van de bewoordingen van de koopakte.
omdat”. Het hof oordeelt dus niet generiek dat de bedoelde omstandigheid van onvoldoende gewicht is, zodat het subonderdeel feitelijke grondslag mist.
omdatdaarmee niet vaststaat dat ook [verweerders] als kopers[daarvan, A-G]
hebben geweten” (onderstreping overgenomen uit het subonderdeel). Immers, het hof miskent – ik vat nu enigszins samen – dat bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf ook aan omstandigheden waarvan [verweerders] niet hebben geweten voldoende gewicht kan toekomen.
de werkelijke kadastrale erfgrens” genoemd, terwijl deze laatste (mede) bepaalt wat [verweerders] mochten verwachten, kennelijk in doorslaggevende mate. Korter: [verweerders] wisten waar het hekwerk stond – dat konden ze zien – maar wisten niet dat dáár
nietde kadastrale grens lag, die voor [verweerders] belangrijker was.
overeenkomst(niet koop
akte) betreffende een grondstuk. Het hof impliceert in de tweede zin van r.o. 3.27 kennelijk dat een discrepantie tussen enerzijds de kadastrale grenzen, waarvoor de koopakte een aanknopingspunt geeft, en anderzijds de door een hekwerk gegeven situatie ter plaatse
alleenten nadele van de koper kan werken indien hij van die discrepantie
wist. Volgens mij is er voor die impliciete rechtsopvatting, die per saldo uitgaat van een bepalende rol van de kadastrale aanduiding in de koopakte, geen basis.
overeenkomstmet verkopers reeds een koop
aktezou hebben bestaan, laat staan dat [verweerders] gesteld zouden hebben dat zij op basis daarvan zouden hebben mogen verwachten dat zij, behalve de bouwkavel, tevens de litigieuze grondstrook zouden kopen.
een bouwkavel” kochten, wat door het hof op een onbegrijpelijke wijze tegenover het kopen van “
een huis met ondergrond en tuin als afgegrensd met een hekwerk” wordt geplaatst, waarvoor een andere maatstaf zou gelden. Bovendien heeft het hof met dit oordeel onvoldoende gerespondeerd op de stellingen van [eisers] betreffende de volledige omheining van de bouwkavel met het adres Nieuwstraat 94. [60] Niet, laat staan zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt in te zien waarom bij een “
huis met ondergrond en tuin als afgegrensd met een hekwerk” wél en bij een volledig omheinde – en dus eveneens afgegrensde – “
bouwkavel” geen aanleiding zou bestaan om te veronderstellen dat niet méér werd verkocht dan de bouwkavel tot het hekwerk dat de afscheiding vormde met de tuin van [de verkopers]
gelet op de omschrijving in de koopovereenkomst.” Immers, het hof gaat hier wederom uit van de veronderstelling dat bij het aangaan van de koop
overeenkomst(het bereiken van wilsovereenstemming) en zelfs reeds bij de bezichtiging van de bouwkavel de omschrijving van ‘het verkochte’ in de koop
akteal aan [verweerders] bekend geweest zou zijn alsmede dat [verweerders] daaraan gerechtvaardigde verwachtingen zouden hebben kunnen ontlenen, wat echter door [verweerders] überhaupt niet gesteld is. Gezien wat [verweerders] en [eisers] over en weer hebben gesteld, [61] is ontoereikend gemotiveerd ‘s hofs oordeel dat [verweerders] bij de bezichtiging van de bouwkavel en/of het sluiten van de koopovereenkomst gerechtvaardigde verwachtingen betreffende de omvang van de kavel – als ware dat de bouwkavel en het stuk tuin van [de verkopers] – zouden hebben kunnen ontlenen aan de omschrijving in de koopakte.
overeenkomstverwacht zouden hebben, laat staan zouden hebben mogen verwachten, dat zij méér zouden kopen dan de omheinde bouwkavel. [verweerders] hebben niet gesteld dat zij ten tijde van het concipiëren en/of ondertekenen van de koop
akteervan zouden zijn uitgegaan dat zij, behalve deze omheinde bouwkavel, ook de van deze kavel niet deel uitmakende litigieuze strook zouden kopen, laat staan dat zij gesteld zouden hebben om welke reden(en) zij daarvan zouden zijn uitgegaan, waarbij nog komt dat [verweerders] pas acht jaar later, na een toevallige inmeting, plots aanspraak maakten op de litigieuze strook.
omheind, gelet op nrs. 23, 66 (onder 3) en 77 (onder 3 t/m 5) van de memorie van grieven, gelezen in onderlinge samenhang. Op die basis hebben zij in nr. 66 onder 3 onder andere naar voren gebracht over het hekwerk langs de litigieuze strook: “
Het hek heeft dus ook daadwerkelijk de functie van een erfafscheiding. De aard en kwaliteit van het hek (hoogwaardig gaashekwerk) duidt ook op die functie.” [62] In nrs. 29 en 30 van de memorie van grieven hebben [eisers] samengevat naar voren gebracht dat de verkopers in 2012 of 2013 het perceel (ik lees: grondstuk) dat door [verweerders] is gekocht te koop hebben gezet en dat (ook) [verweerders] het grondstuk zullen hebben bezichtigd en toen niet, want pas in 2021, hebben beseft dat perceel nummer 1 volgens de kadastrale kaart wat groter was dan het met hekken afgebakende grondstuk dat zij bezichtigden. Deze stellingen zijn – naar ik meen: bij uitstek – van belang voor de toepassing van de Haviltex-maatstaf in dezen (zie nrs. 4.29 t/m 4.36 hiervoor). R.o. 3.28 verwijst naar nr. 78 van de memorie van grieven, waar het volgende te vinden is:
de litigieuze strook, A-G]. Integendeel, zij hebben zich gedurende acht jaren gedragen als eigenaren van (slechts) het door de gaashekwerken afgescheiden perceel.
geblekendat de feitelijke erfafscheiding (een zogenoemd “gaashekwerk”) die aanwezig was ten tijde van de koop en levering aan [verweerder 1] , niet op de kadastrale grens staat”.
[a]ls [verweerders] al bij bezichtiging en aankoop geen aanleiding hadden om te veronderstellen dat niet meer werd verkocht dan de kavel tot het hek(…)
dit [eisers] niet [kan] baten, gelet op de omschrijving in de koopovereenkomst van de door [verweerders] gekochte onroerende zaak.”
hierzo is, ondanks de stellingen van [eisers] Ik merk op dat de derde zin van r.o. 3.28 daarvoor niet dragend is. Deze verwijst immers, kennelijk, naar een algemene norm, inhoudende dat als wat werkelijk wordt verkocht in verminderende zin afwijkt van de omschrijving in de koopakte, dit door de verkoper uitdrukkelijk onder de aandacht moet worden gebracht. [eisers] hebben, zo begrijp ik het hof, niet gesteld (de vijfde zin van r.o. 3.28) dat dat is gebeurd. Die veronderstelde algemene norm in de verhouding tussen verkoper en koper biedt naar mijn mening echter geen uitsluitsel ten aanzien van het voorliggende probleem. Zie hierna in nr. 4.102 naar aanleiding van subonderdeel 6.2. Minder nog zie ik in hoe de vierde zin van r.o. 3.28 redengevend kan zijn voor doorslaggevendheid van de omschrijving in de koopakte, want mij ontgaat daarvan eenvoudigweg de logica: “
Het gaat hier immers om een zeer ruim bouwperceel, in de koopovereenkomst aangeduid met een kadastraal nummer, waarbij zonder nadere toelichting van [verkopers] aan [verweerders] , [verweerders] niet hoefden te verwachten dat een gering onderdeel van dat kadastraal perceel geen onderdeel van het verkochte uitmaakte.” En redengevend is ook niet, aan het slot van r.o. 3.28, dat [eisers] niet heeft toegelicht waarom het van belang is dat [verweerders] pas in 2021 “
hebben geconstateerd dat de feitelijke situatie ter plaatse niet overeenstemde met wat zij op grond van de omschrijving in de koopovereenkomst hadden gekocht”, want dit behelst een veronderstelling van het hof over wat er is gekocht, terwijl het nu juist gaat om de vraag wat is gekocht. Kortom, ofwel heeft het hof de Haviltex-maatstaf miskend, ofwel is zijn oordeel in de tweede zin van r.o. 3.28 onbegrijpelijk.
[o]mstandigheid 3(…)
naar het oordeel van het hof niet meer of minder [zegt] dan dat [verweerders] op enig moment in 2021 hebben geconstateerd dat de feitelijke situatie ter plaatse niet overeenstemde met wat zij op grond van de omschrijving in de koopovereenkomst hadden gekocht.” Geklaagd wordt – samengevat – dat het hof miskent dat voor een Haviltex-conforme uitleg van de koopovereenkomst alleszins relevant is het feit dat [verweerders] pas in 2021 hebben geconstateerd dat de feitelijke situatie ter plaatse niet overeenstemde met de tekst van de koopakte omdat de wijze waarop partijen een door hen gesloten overeenkomst hebben uitgevoerd van belang is voor de uitleg van de inhoud van de overeenkomst.
hebben begrepen. [64]
nietaan de koper ter beschikking wordt gesteld en dat de koper dat pas jaren later opmerkt. Dit werpt immers bij uitstek licht op wat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in fysiek opzicht de perceptie van de koper was met betrekking tot de eigenschappen van het verkochte en hoeveel belang de koper in werkelijkheid hechtte aan de kadastrale grenzen in verhouding tot de optische situatie ter plaatse.
Onderdeel 7is gericht tegen r.o. 3.29. Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk en/of onbegrijpelijk is ‘s hofs oordeel, aldus het onderdeel, dat de verklaring van [betrokkene 2] van 10 juni 2024 (productie 2 bij de memorie van grieven) geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden zou bevatten waaruit volgt dat [verweerders] voor, bij of na het sluiten van de koopovereenkomst begrepen hebben of redelijkerwijs hebben moeten begrijpen dat de gekochte onroerende zaak in omvang beperkter was dan wat volgt uit haar omschrijving in de koopakte.
Onderdeel 8,
onderdeel 9en
onderdeel 10lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Onderdeel 8 is gericht tegen r.o. 3.14. Samengevat komt het onderdeel erop neer dat het hof daar ten onrechte overweegt dat het bij het beantwoorden van de vraag wat de omvang is van een “
overgedragen” onroerende zaak aankomt op de leveringsakte. Want de leveringsakte bepaalt, aldus het onderdeel, alleen wat er is
geleverd, terwijl voor het antwoord op de vraag wat is
overgedragenook uitleg van de koopovereenkomst als titel nodig is. Onderdeel 9 ligt in het verlengde daarvan en maakt hetzelfde punt ten aanzien van r.o. 3.15, r.o. 3.17 en r.o. 3.18, en in het verlengde daarvan valt onderdeel 10 concluderende oordelen in r.o. 3.17 t/m 3.19.
overgedragenalleen de levering bepalend is. Het hof heeft echter, blijkens r.o. 3.20 t/m 3.30, wel degelijk onderkend dat wat er is overgedragen volgens art. 3:84 lid 1 BW Pro niet alleen afhankelijk is van de levering maar ook van de titel, die het hof daar heeft uitgelegd. Daaraan doet niet af dat tegen die uitleg in onderdelen 1 t/m 7 wat mij betreft slagende klachten worden gericht.
Onderdeel 11is gericht tegen r.o. 3.17 en bestaat uit subonderdelen 11.1 t/m 11.3.
uitwerking en toelichting” (p. 23-24) wordt daarbij ook gewezen op de passage in de leveringsakte dat wordt geleverd het perceel “
en al hetgeen volgens verkeersopvatting daartoe behoort”. Daarnaast wordt nog geklaagd dat indien en voor zover het hof tot uiting heeft gebracht dat een adresaanduiding geen feitelijke omschrijving zou zijn die verwijst naar de feitelijke situatie ter plaatse, die een rol kan spelen bij d uitleg van een leveringsakte, onduidelijk is welke maatstaf het hof heeft gehanteerd, wat het oordeel, zonder nadere motivering, eens te meer onbegrijpelijk maakt.
Het moet er daarom voor worden gehouden dat de onroerende zaak die in 2013 op grond van de notariële akte door de [verkopers] aan [verweerders] is overgedragen het gehele perceel betreft zoals dat op de als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde kadastrale kaart is aangeduid met nummer [1], dus inclusief de strook grond.”
feitelijkekenmerken van de over te dragen onroerende zaak, zoals het ‘hek’, bevat.
en al hetgeen volgens verkeersopvatting daartoe behoort” en
alshet hof tot uiting heeft gebracht dat een adresaanduiding geen ‘feitelijke omschrijving’, dit onbegrijpelijk is. Deze klacht slaagt niet gelet op wat ik naar aanleiding van subonderdeel 11.1 opmerkte (zie nr. 4.114 hiervoor).
Onderdeel 12bevat een voortbouwklacht, die samengevat inhoudt dat ’s hofs concluderende oordelen in r.o. 3.30 ook niet kunnen standhouden.
Onderdeel 13ziet op de beoordeling in r.o. 3.31 van de reconventionele vordering van [eisers]
nietkomt vast te staan dat [verweerders] in 2013 door overdracht eigenaars werden van de litigieuze strook,
duseigenaars daarvan zijn. Dat is net iets te snel gedacht. Want volgens art. 3:80 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 150 Rv Pro zullen [eisers] moeten stellen en bewijzen dat zij de eigendom van de litigieuze strook wél hebben verkregen. Daarbij zie ik niet over het hoofd dat als [eisers] bezitters zijn van de litigieuze strook – waarop het debat in cassatie niet ziet – zij tegenover derden, die geen partij zijn bij deze procedure, in beginsel ook voor eigenaars daarvan zullen worden gehouden (art. 3:119 lid 1 BW Pro). [66] Kortom: er is wel degelijk nog een derde optie, namelijk dat niet komt vast te staan dat [verweerders] eigenaars zijn van de litigieuze strook en óók niet komt vast te staan dat [eisers] eigenaars daarvan zijn. In dat geval trekken [eisers] niettemin aan het langste eind als zijbezitters zijn van de litigieuze strook en een ander geen beter recht ten aanzien daarvan kan aantonen. Afwijzing van de reconventionele vordering draagt dus ook niet automatisch toewijzing van de conventionele vordering in zich (en omgekeerd). Zie nader hierna in nr. 4.134.
dat de passage over de feitelijke situatie in de leveringsakte van [eisers] (“je koopt wat je ziet”; de benoeming van het huis met aanhorigheden, ondergronden tuin) voldoende gewicht heeft om aan te nemen dat partij en de levering van de ruimte tot aan het hek bedoelden.”
alleendat de reconventionele vordering van [eisers] tot veroordeling van [verweerders] tot medewerking aan een kadastrale grenscorrectie definitief is afgewezen. Deze afwijzing leidt er
niettoe dat [eisers] de litigieuze strook ter beschikking moeten stellen aan [verweerders] en moeten meewerken aan de verplaatsing van het hekwerk naar de kadastrale grens, want daarvoor zou moeten komen vast te staan – naar aanleiding van de vorderingen in conventie – dat [verweerders] wél eigenaars zijn van de litigieuze strook. Dat laatste moet – indien mijn beoordeling van de zaak wordt gevolgd – door het verwijzingshof nu juist (opnieuw) worden beoordeeld in conventie. [68] Het oordeel met betrekking tot de reconventionele vordering van [eisers] heeft bovendien ook alleen gezag van gewijsde tussen partijen en hún rechtsopvolgers (art. 236 leden Pro 1 en 2 Rv) en niet tussen [eisers] en enige andere derde, zoals enige rechtsvóórganger van [eisers] Als het zo is dat [eisers] als bezitters van de litigieuze strook moeten worden aangemerkt, genieten zij wel de bescherming die een bezitter toekomt, behoudens – kort gezegd – tegen een derde met een beter recht (zie art. 3:119 BW Pro en art. 3:125 BW Pro). Een en ander ter volledigheid.
Onderdeel 14, ten slotte, is gericht tegen r.o. 3.32 t/m 3.35 en bestaat uit subonderdelen 14.1 t/m 14.3.
De slotsom”. De daar door het hof bereikte conclusie dat [eisers] niet op goede gronden hoger beroep hebben ingesteld kan namelijk inderdaad niet in stand blijven indien onderdeel 12 tegen de concluderende oordelen in r.o. 3.30 slaagt, wat mijns inziens het geval is (zie nr. 4.126 hiervoor). Dit spreekt voor zichzelf. Voor zover r.o. 3.34 ziet op de reconventionele vordering slaagt het subonderdeel niet, gelet op wat in nrs. 4.128 t/m 4.134 hiervoor aan bod kwam met betrekking tot onderdeel 13. Ook dat spreekt voor zichzelf.
De slotsom”, slaagt het subonderdeel wat mij betreft. Het daar gegeven oordeel dat aan nadere bewijslevering niet wordt toegekomen berust mede op “
wat hiervoor is overwogen en aan feiten en omstandigheden is gebleken”. En dus wordt dit oordeel ook getroffen door het slagen van onderdeel 12 gericht tegen het aan r.o. 3.35 voorafgaande r.o. 3.30, waarin het hof immers een vaststellingen doet omtrent feiten en omstandigheden, te weten dat het ervoor “
moet(…)
worden gehouden dat de [de verkopers] en [verweerders] bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben bedoeld dat het gehele perceel [nummer 1] aan [verweerders] zou worden verkocht en overgedragen, dus met inbegrip van de strook grond.”
wat hiervoor is overwogen en aan feiten en omstandigheden is gebleken” het aangeboden bewijs onvoldoende specifiek en niet ter zake dienend is.
wat hiervoor is overwogen en aan feiten en omstandigheden is gebleken” kan niet worden uitgesloten dat het passeren van het bewijsaanbod mede berust op door [eisers] met succes bestreden oordelen van het hof met betrekking tot de uitleg van de koopovereenkomst in r.o. 3.20 t/m 3.30. Op voorhand kan niet worden gezegd dat het bewijsaanbod onvoldoende specifiek is in zijn verwijzing naar “
de informatie die zij [ [verweerders] , A-G] hebben vergaard ter voorbereiding van de in 2013 gesloten koopovereenkomst”.