Conclusie
Nummer23/04569
Inleiding
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" (feit 1) en “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr Pro). Tevens heeft het hof een beslissing genomen over het beslag, een en ander als nader in het arrest bepaald.
Het middel
De bewezenverklaring en de motivering van de verbeurdverklaring
1. op 15 november 2022, te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 14 gram cocaïne en 10 gram heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij gelegenheid van het vooronderzoek onder de verdachte een geldbedrag van € 7,70, een geldbedrag van € 1.255,00, 8 stuks cocaïne zonder vermelding van de hoeveelheid (uit het proces-verbaal bevindingen (p. 26) blijkt dat het in totaal om 4 gram gaat), 40 stuks heroïne in totaal 10 gram heroïne, 31 stuks cocaïne in totaal 10 gram cocaïne en 1 stuk heroïne zonder vermelding van de hoeveelheid in beslag zijn genomen.
Het juridisch kader
bewezen verklaardefeit – één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet. [2] Uit ’s hofs overweging kan worden afgeleid dat het hof de verbeurdverklaring heeft doen steunen op artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr. Op grond van deze bepaling zijn vatbaar voor verbeurdverklaring “
voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het[bewezen verklaarde]
strafbare feit zijn verkregen”. Het gaat dus om voorwerpen die (geheel of ten dele) kunnen worden aangemerkt als het product of de opbrengst van het bewezen verklaarde feit. [3] De vatbaarheid voor verbeurdverklaring hoeft niet noodzakelijkerwijs te blijken uit bewijsmiddelen. De vaststelling van de vatbaarheid voor verbeurdverklaring moet berusten op gegevens die zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting. [4]
De bespreking van het middel
meerderetransacties, dat verdachte zich structureel met drugshandel bezighoudt, wat de prijs was van de op die dag verkochte verdovende middelen, noch dat de kort vóór de aanhouding waargenomen transactie een bedrag van deze omvang kan verklaren. Het hof heeft volstaan met de overweging dat de geldbedragen zijn verkregen door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezen verklaarde. Nu dat feit slechts betrekking heeft op één verkoop van een geringe hoeveelheid verdovende middelen (ongeveer 0,7 gram heroïne en 0,9 gram cocaïne), is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat de aangetroffen geldbedragen als opbrengst daarvan kunnen worden aangemerkt. De motivering van de verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr schiet daarmee tekort. [5]