ECLI:NL:HR:2022:1423

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2022
Publicatiedatum
11 oktober 2022
Zaaknummer
21/00949
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 33a.1.a SrArt. 33a.1.c Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verbeurdverklaring geldbedrag bij drugsvervoer en -verkoop

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het vervoeren van 3,6 gram cocaïne en 1,4 gram heroïne en het verkopen, afleveren en verstrekken van 0,1 gram cocaïne aan een koper die 'op de pof' kocht. Bij de aanhouding werd €790 in contanten aangetroffen, samen met drugs en telefoons.

Het hof verklaarde dit geldbedrag verbeurd omdat het geheel of grotendeels uit de baten van het bewezenverklaarde strafbare feit zou zijn verkregen en met behulp waarvan het feit zou zijn begaan. De Hoge Raad herhaalt de vereisten uit eerdere jurisprudentie dat verbeurdverklaring alleen mogelijk is indien het geldbedrag direct verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

Gezien het feit dat de koper de cocaïne zonder directe betaling afnam, acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het geldbedrag geheel of grotendeels uit de baten van het bewezenverklaarde is verkregen en dat het feit met dat geld is begaan, niet zonder meer begrijpelijk. Daarom vernietigt de Hoge Raad de verbeurdverklaring en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Het overige beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de verbeurdverklaring van €790 en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00949
Datum11 oktober 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 maart 2021, nummer 22-001946-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 790.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 30 maart 2019 te Rotterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 3,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 1,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
2.2.2
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte, waarvan ambtshalve bekend was dat hij handelt in verdovende middelen en dat hij gebruik maakt van een voertuig met kenteken [kenteken], is op 30 maart 2019 in Rotterdam als bestuurder van genoemd voertuig gesignaleerd. De verbalisanten hebben de auto gevolgd en vervolgens waargenomen dat de auto op de [g-straat] te Rotterdam tot stilstand werd gebracht. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat de verdachte uit de auto stapte en bij een woning aan de [g-straat] te Rotterdam naar binnen ging. Na ongeveer één minuut verliet de verdachte de woning, liep naar de auto, stapte in aan de bestuurderszijde en reed vervolgens weer weg. Korte tijd later is de verdachte staande gehouden door verbalisanten en gefouilleerd. Bij de verdachte zijn in zijn onderbroek in een zwarte sok 17 gripzakjes met in totaal 2,7 gram cocaïne, 9 gripzakjes met in totaal 1,4 gram heroïne, 2 pony packs met in totaal 0,9 gram cocaïne aangetroffen en voorts zijn bij verdachte 790 euro aan contant geld in coupures van € 50, € 20, € 10 en € 5 en 3 mobiele telefoons (2 Nokia's en een Iphone) aangetroffen. Vervolgens zijn er verbalisanten naar de woning aan de [g-straat] te Rotterdam gegaan. De voordeur van de woning werd open gedaan door [betrokkene 1]. Zij overhandigde de verbalisanten na een daartoe strekkende vordering een leeg gripzakje, dat – wat formaat en opdruk betreft – grote gelijkenis vertoonde met (“exact hetzelfde was als”) de gripzakjes die onder de verdachte werden aangetroffen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij tien minuten voordat de politie bij haar aan de deur kwam, 0,1 gram cocaïne ‘op de pof’ heeft gekocht en dat zij in de afgelopen twee maanden tien keer eerder bij deze dealer had gekocht.
Het hof is op grond van genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 3,6 gram cocaïne en ongeveer 1,4 gram heroïne en aan het verkopen, afleveren en verstrekken van ongeveer 0,1 gram cocaïne.”
2.2.3
Het hof heeft bij de strafoplegging geldbedragen van in totaal € 790 verbeurd verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van 220 euro, 160 euro, 300 euro en 110 euro, zijnde gelden die aan de verdachte toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit zijn verkregen en met behulp waarvan dat feit is begaan, geldt dat deze geldbedragen verbeurd worden verklaard.”
2.3.1
Artikel 33a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt voor zover van belang:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
(...)
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
(...)”
2.3.2
Onder ‘het strafbare feit’ en ‘het feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. (Vgl. HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9.)
2.4
Blijkens de bewijsoverweging van het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde betrekking op het opzettelijk vervoeren van ongeveer 3,6 gram cocaïne en ongeveer 1,4 gram heroïne en het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van ongeveer 0,1 gram cocaïne aan [betrokkene 1]. Gelet op deze bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en mede in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] de cocaïne ‘op de pof’ – dus zonder op dat moment aan de verdachte te betalen – heeft gekocht, is het oordeel van het hof dat de inbeslaggenomen geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde zijn verkregen en dat het onder 1 bewezenverklaarde met behulp van die geldbedragen is begaan, niet zonder meer begrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de beslissing ten aanzien van deze inbeslaggenomen geldbedragen opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 oktober 2022.