Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
11.1 Het proces-verbaal van bevindingen, vanaf pagina 31, met bijlagen, van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
(de rechtbank begrijpt: bij [de verhuurder] , bij het bedrijf jachtverhuur [A] te [plaats] ).Hij heeft vervolgens met deze man een huurcontract opgesteld, welke door beiden ondertekend was. Hierbij heeft deze huurder ook 2.170,00 euro betaald. (€ 1.000-- borg en € 1.170-- huur voor de boot). De huurder legitimeerde zich met een Belgisch identiteitsbewijs op naam van: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te Tunesië. Een kopie van de huurovereenkomst alsmede de ID-kaart zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
(De rechtbank begrijpt: [getuige 2] )wilde de bloemetjes buitenzetten in Nederland, maar dat men haar de laatste keer geen boot heeft willen verhuren omdat zij de Albanese nationaliteit heeft. Vervolgens vroeg zij of ik de Belgische nationaliteit had en of ik voor haar op mijn naam een boot wilde huren. Omdat het hier om een cliënte gaat, heb ik haar vertrouwd en heb ik de boot op mijn naam gehuurd.
4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
3.Het tweede middel
4.Het derde middel
Verbeterde lezing van het primair tenlastegelegde
dat verblijfwederrechtelijk
was’ moet dan zijn: ‘terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
die toegang en/of doorreiswederrechtelijk
was/waren’.
dat verblijfwederrechtelijk
was” moet worden gelezen als “terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
die toegang en/of doorreiswederrechtelijk
was/waren” (MvW: onderstrepingen door hof). Het hof heeft in dat verband overwogen dat het openbaar ministerie gelet op het kwalificatieve deel van het primair tenlastegelegde en de daaronder weergegeven wetsartikelen bedoeld heeft het verwijt van art. 197a lid 1 jo. lid 4 Sr, meermalen gepleegd, ten laste te leggen, zodat naar het oordeel van het hof sprake is van een kennelijke verschrijving. Het hof overweegt verder dat de verdachte daarvoor niet in zijn verdediging is geschaad, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het de verdediging duidelijk was tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen.