ECLI:NL:PHR:2026:365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
24/02103
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a SrArt. 81.1 ROArt. 313 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen mensensmokkel met boot naar Groot-Brittannië

De zaak betreft een veroordeling wegens medeplegen van mensensmokkel, waarbij verdachte als schipper betrokken was bij het vervoer van acht Albanezen op een gehuurde boot van Nederland naar Groot-Brittannië. De rechtbank en het hof stelden vast dat verdachte wist van de illegale aanwezigheid van de Albanezen en dat hij hen toegang tot de boot had verschaft met het kennelijke doel hen naar Groot-Brittannië te vervoeren.

De bewijsvoering bestond uit huurcontracten, crewlists, verklaringen van getuigen, telefoongegevens met Britse nummers, WhatsApp-berichten over paspoorten en valse documenten, en de omstandigheden aan boord van de boot. De verdachte voerde aan niet te weten van de aanwezigheid van de Albanezen, maar dit werd door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld.

In cassatie werden drie middelen aangevoerd: onjuiste bewezenverklaring over het doel van de boot, onduidelijkheid over medeplegen, en grondslagverlating door verbeterde lezing van de tenlastelegging. De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde dat de verbeterde lezing van de tenlastelegging geen schending van de verdediging opleverde. De veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van mensensmokkel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02103
Zitting7 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Bij arrest van 27 mei 2024 (parketnummer 20-000399-23) [1] heeft het gerechtshof 'sHertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 6 februari 2023 (parketnummer 02-700178-18) [2] bevestigd, met uitzondering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde en met dien verstande dat het hof het primair tenlastegelegde en de bewezenverklaring verbeterd leest en de strafmotivering aanvult. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens primair “mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd”. De rechtbank heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en H. Weisfelt, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat bewezen is verklaard dat de verdachte aan personen heeft toegestaan op een boot te verblijven “met het kennelijke doel om die personen met die boot naar Groot-Brittannië te varen/brengen”, terwijl dit deel van de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. In de toelichting op het middel wordt gewezen op het feit dat uit de bewijsmiddelen weliswaar kan volgen dat een van de aangetroffen personen de ambitie had om (uiteindelijk) in Groot-Brittannië te gaan werken en dat een ander aangetroffen persoon veelvuldig telefonisch contact met Britse telefoonnummers heeft gehad, maar dat hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de boot waarop deze personen zijn aangetroffen kennelijk Groot-Brittannië als bestemming had.
2.2
Het primair aan de verdachte tenlastegelegde luidt, na verbeterde lezing door het hof, als volgt:
“hij in of omstreeks de periode 16 augustus 2018 tot en met 25 augustus 2018 Yerseke en/of Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
8, althans meerdere, personen met de Albanese nationaliteit,
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië en een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad
hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorreis wederrechtelijk was,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- een boot heeft/hebben gehuurd en/of
- deze boot tezamen met zijn mededader(s) heeft opgehaald en/of vervolgens naar de haven van Colijnsplaat heeft gebracht/gevaren en/of
- voornoemde 8 personen met Albanese nationaliteit toegang heeft/hebben verschaft, danwel heeft/hebben verleend tot de boot en/of
- deze personen toe te staan om in de boot te verblijven (met het kennelijke doel om die personen met die boot naar Groot-Brittannië te varen/ brengen).”
2.3
De door het hof verbeterd gelezen bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde houdt vervolgens in dat:
“hij in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 25 augustus 2018 te Yerseke en/of Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
8 personen met de Albanese nationaliteit, behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië en een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad
hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die toegang en doorreis wederrechtelijk waren,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- een boot hebben gehuurd en
- deze boot tezamen met zijn mededader(s) heeft opgehaald en vervolgens naar de haven van Colijnsplaat heeft gebracht/gevaren en
- voornoemde 8 personen met Albanese nationaliteit toegang hebben verschaft, dan wel hebben verleend tot de boot en
- deze personen toe te staan om in de boot te verblijven (met het kennelijke doel om die personen met die boot naar Groot-Brittannië te varen/brengen).”
2.4
De door de rechtbank voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen luiden als volgt:

11.1 Het proces-verbaal van bevindingen, vanaf pagina 31, met bijlagen, van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 16 augustus is één van de mannen bij hem geweest om een zeiljacht te huren
(de rechtbank begrijpt: bij [de verhuurder] , bij het bedrijf jachtverhuur [A] te [plaats] ).Hij heeft vervolgens met deze man een huurcontract opgesteld, welke door beiden ondertekend was. Hierbij heeft deze huurder ook 2.170,00 euro betaald. (€ 1.000-- borg en € 1.170-- huur voor de boot). De huurder legitimeerde zich met een Belgisch identiteitsbewijs op naam van: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te Tunesië. Een kopie van de huurovereenkomst alsmede de ID-kaart zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Op maandag 20 augustus 2018 zou [betrokkene 1] vertrekken met de boot. Hij is 20 augustus 2018 ook daadwerkelijk langsgekomen, samen met een vrouw. De verhuurder heeft vervolgens uitgelegd hoe de boot werkt, maar hij had nog een crewlist nodig voordat de boot kon/mocht vertrekken. Deze zou [betrokkene 1] de volgende morgen meenemen. De man en de vrouw zijn vervolgens vertrokken, maar zijn niet teruggekomen.
De boot was verhuurd voor de periode vanaf maandag 20 augustus 2018 tot en met zondag 26 augustus 2018 aan [betrokkene 1] . Echter kwam [betrokkene 1] vrijdag 24 augustus 2018, samen met een andere man en twee vrouwen bij het verhuurbedrijf om te varen met de gehuurde boot.
De crewlist is door het verhuurbedrijf wel ontvangen. Hierop is te zien dat de volgende personen mee zouden varen:
- [betrokkene 2]
- [betrokkene 2]
- [betrokkene 3]
Al deze personen zouden de Belgische nationaliteit bezitten volgens de crewlist.
De crewlist is op 24 augustus 2018 ondertekend door het verhuurbedrijf. Een kopie van deze crewlist heeft de verhuurder aan ons overhandigd en is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
11.2
Het proces-verbaal van aanhouding, vanaf pagina 39, waaruit blijkt dat verdachte op 25 augustus 2018 wordt aangetroffen op het zeiljacht ‘ [naam 1] ’ op de jachthaven te Colijnsplaat.
11.3
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 88, met bijlagen, van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naast [verdachte] werden er Albanese documenten getoond. Een vreemdeling kon niets overhandigen. Deze gaf op te zijn: [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , Albanië.
De gedocumenteerde personen waren:
[betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 7] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 9] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , Albanië
[betrokkene 11] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , Albanië
11.4
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 290 van voornoemd eind-proces-verbaal, waaruit blijkt dat voornoemde personen allen onrechtmatig in Nederland verbleven.
11.5
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 92 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijdens de controle viel ons op dat binnen in de kajuit een kalme sfeer heerste. Er werd onderling wat overlegd in een voor ons onbekende taal. Wij zagen enkele tientallen grote flessen water op de vloer staan en op het aanrecht lag een zak brood. Verder was er geen sprake van een alcohollucht en zagen wij geen verpakkingen van enig alcoholhoudende drank. We zagen dat het toilet vol stond met vermoedelijk urine en dat er binnen gerookt werd.
11.6
Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , vanaf pagina 303 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben de havenmeester, van de Watersportvereniging [naam 2] , gevestigd te [a-straat 1] te [plaats] . Gisteren laat in de middag, begin van de avond, liep het zeiljacht " [naam 1] " hier de jachthaven binnen. Het was tussen 17:00 uur en 19:00 uur.
11.7
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 312 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Toen ik contact had met Taxi Centrale [...] hoorde ik van medewerker [naam 3] het navolgende:
• dat hij zich als medewerker van het taxibedrijf herinnerde dat er een rit had plaatsgevonden uit de jachthaven in Colijnsplaat;
• dat deze rit ergens op vrijdag 24 augustus 2018 was tussen 18:00 uur en 19:00 uur;
• dat het twee (2) mannen en twee (2) vrouwen betrof;
• dat het mogelijk buitenlanders betrof.
11.8
Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Nokia, pagina 102 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, kort samengevat uit het relaas:
Naar aanleiding van het aantreffen van een Nokia mobiele telefoon tijdens de doorzoeking aan boord van het zeiljacht " [naam 1] ", heeft er een onderzoek plaats gevonden naar de inhoud van deze Nokia mobiele telefoon. Uit dit onderzoek is gebleken dat er op 25 augustus 2018 gebeld wordt naar en gebeld is door verschillende Britse telefoonnummers.
11.9
Het proces-verbaal van bevindingen, vanaf pagina 208 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 27 augustus 2018 is door mij, een onder [betrokkene 8] , [geboortedatum] 1994 inbeslaggenomen Iphone handmatig uitgelezen.
Whatsappgesprek met contact " [betrokkene 12] " met telefoonnummer [nummer 1]
A: [betrokkene 12]
F: [betrokkene 8]
F: 19:31 wacht even misschien vertrekt die vriend uit Koninkrijk
A: 19:31 OK, oh broer heeft [betrokkene 13] een paspoort? Heeft hij ooit een eigen paspoort gemaakt?
F: 19:32 je broer wat zeg je nou [betrokkene 13] is tot Malediven geweest met paspoort
A: 19:33 ik kan niet een persoon vinden die geen kaart of paspoort heeft gehad. Aaa ik ben het vergeten niet in mijn hoofd
F: 19:50 Ja maar waarom heb je het nodig
A: 19:51 ik heb alleen certificaat nodig om een kaart en paspoort aan te vragen op zijn naam met mijn foto erop
F: 19:59 er zin genoeg dorpelingen broer voor dat werk
A: 19:59 broer ik kan niemand vinden ik heb overal gezocht
F: 20:05 ik zal iemand vragen
In de telefoon stond een Whatsappgesprek met contact met Brits telefoonnummer [nummer 2] , hier heeft de tolk mondeling de vertaling van gegeven.
Aanvang gesprek zaterdag 25 augustus 2018 12:00
NN: a ju moren a jo akoma
Dit betekende vermoedelijk: "ben je opgehaald".
11.1
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 210, met bijlagen, van voornoemd eind-proces-verbaal, waaruit blijkt dat [betrokkene 8] op 21 augustus 2018 middels WhatsApp 2 foto’s heeft ontvangen. Deze foto’s betroffen afbeeldingen van twee Albanese paspoorten, waaronder van verdachte.
11.11
Het proces-verbaal van bevindingen, vanaf pagina 283 van voornoemd eind-proces-verbaal, waaruit blijkt dat op de telefoon van [betrokkene 5] een foto van een nationaal Albanees paspoort met pasfoto en gegevens van verdachte zijn aangetroffen.
11.12
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 4] op 31 augustus 2018, vanaf pagina 239 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Je sprak met hem over valse papieren, wat kun je daarover vertellen?
O: Dit gesprek is als bijlage bij dit verhoor gevoegd.
A: Misschien hebben we het daar wel over gehad. Het is afhankelijk. Het kan zijn dat het zo was dat ik valse documenten wilde om weg te gaan?
V: Waar vandaan?
A: Albanië.
V: Waar wilde je heen gaan?
A: Ik wilde dan ergens gaan werken, in Engeland.
V: Dus je wilde valse papieren hebben om naar Engeland te kunnen reizen?
A: Ja.
11.13
Het proces-verbaal van bevindingen, vanaf pagina 177 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
De verhuurder van het zeiljacht betreft [de verhuurder] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] . Wij hoorden hem zeggen dat:
• Het zeiljacht is uitgerust met een motor. Dat de inhoud van de brandstoftank voldoende is om ermee naar Engeland te varen.
• Hij had afgesproken met de huurder dat ze het zeiljacht zondag terug zouden brengen naar Yerseke.
• Bij het tonen van de foto van de verdachte [verdachte] hij deze herkende als de schipper welke vrijdag erbij aanwezig was toen ze het zeiljacht kwamen ophalen.
• Het door hen gehuurde zeiljacht geschikt is voor 6 personen en er ook 6 reddingsvesten aan boord zijn.
11.14
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] op 27 november 2018, vanaf pagina 162 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Was u op 16/08/2018 bij de verhuurmaatschappij [A] in Nederland?
A: Dat klopt.
V: Wat bent u gaan doen bij [A] ?
A: [getuige 2]
(De rechtbank begrijpt: [getuige 2] )wilde de bloemetjes buitenzetten in Nederland, maar dat men haar de laatste keer geen boot heeft willen verhuren omdat zij de Albanese nationaliteit heeft. Vervolgens vroeg zij of ik de Belgische nationaliteit had en of ik voor haar op mijn naam een boot wilde huren. Omdat het hier om een cliënte gaat, heb ik haar vertrouwd en heb ik de boot op mijn naam gehuurd.
V: U was weer bij [A] op 20/08/2018?
A: Dat klopt.
V: Met wie was u?
A: Met [getuige 2] .
11.15
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 26 augustus 2018, vanaf pagina 49 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wat zijn je ervaringen met varen?
A: Ik heb niet heel veel ervaring er mee. Ik heb twee keer gevaren in mijn leven.
V: Waar heb je die boot gehuurd?
A: Weet ik niet. Ik ben samen met die Belg en die twee meisjes er naar toe gereden.
V: Wie was de schipper van de boot?
A: Ik voer met de boot.
11.16
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 27 augustus 2018, vanaf pagina 56 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben benaderd door een goede vriend van mijn vriend om samen een bootje te gaan varen. Ik zou 200 euro krijgen voor het varen.
V: Wanneer ben je vertrokken vanuit Brussel?
A: In de ochtend samen met 2 vrouwen en die meneer die boot had gehuurd.”
2.5
Verder bevat het vonnis van de rechtbank de volgende bewijsoverwegingen:

4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II het volgende vast. Verdachte is op 25 augustus 2018 in Colijnsplaat aangetroffen op de boot ‘ [naam 1] '. Gebleken is dat hij de schipper was van de boot. In de kajuit van de boot bevonden zich 8 Albanese personen. De Albanezen waren allen onrechtmatig in Nederland. De boot is gehuurd door de medeverdachte. Hij is op 16 augustus 2018 bij het verhuurbedrijf geweest om de huur van de boot te regelen. De boot is aan de medeverdachte verhuurd voor de periode van 20 augustus 2018 tot en met zondag 26 augustus 2018. Op 20 augustus 2018 is de medeverdachte opnieuw bij het verhuurbedrijf geweest, ditmaal samen met getuige [getuige 2] . Aan hen is toen verzocht om de crewlist in te vullen. Dit hebben zij niet gedaan en zij zijn uiteindelijk zonder de boot vertrokken. De boot is uiteindelijk op 24 augustus 2018 in Yerseke opgehaald door de medeverdachte, [getuige 2] en twee andere personen. Gelet op de verklaring van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte één van die andere twee personen was. De crewlist is toen ingeleverd en vast is komen te staan dat deze niet naar waarheid is ingevuld. Niet is vast komen te staan wie de crewlist heeft ingevuld en die dag heeft ingeleverd. Na een kort stuk varen, zijn de vier personen bij Colijnsplaat aangemeerd en zijn er vier personen vlak daarna met een taxi vertrokken. Op enig moment tussen 24 augustus en 25 augustus 2018 waren verdachte en de 8 Albanezen samen aan boord.
Illegale doortocht
Zes van de Albanezen zijn gehoord. Hieruit is gebleken dat zij allen voordat zij in Nederland op de boot zijn aangetroffen, in Brussel verbleven en dat zij daar zijn benaderd met het aanbod om feest te komen vieren op de boot. De rechtbank acht deze verklaringen ongeloofwaardig. In de kajuit van de boot zijn tientallen flessen water aangetroffen en op het aanrecht lag een zak brood. Het toilet stond vol met vermoedelijk urine en er werd binnen gerookt. Er zijn geen flessen met alcoholhoudende dranken aangetroffen. De boot was daarnaast geschikt voor slechts zes personen en is voor een week gehuurd voor een bedrag van ruim tweeduizend euro, waardoor onaannemelijk is dat het doel is geweest om slechts één of een beperkt aantal dagen te feesten. Daar komt bij dat in de telefoon van een van de illegale Albanezen WhatsApp-gesprekken zijn aangetroffen, waarin op 24 augustus 2018 wordt gesproken over paspoorten en waarin op 25 augustus 2018, de dag dat de Albanezen worden aangetroffen op de boot, aan hem wordt gevraagd of hij al is opgehaald. Verder heeft een van de Albanezen verklaard dat hij graag valse papieren wilde hebben om naar Engeland te kunnen reizen. Daarnaast zijn er telefonische contacten met Britse telefoonnummers aangetroffen op twee telefoons. De rechtbank stelt, gelet op deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat de Albanezen onrechtmatig in Nederland waren, vast dat de in de boot aangetroffen Albanezen op illegale doortocht waren naar Groot-Brittannië.
De rol van verdachte
Vast staat dat verdachte de schipper was van de boot. Hij heeft verklaard dat hij niet wist van de aanwezigheid van de Albanezen in de kajuit. In dit verband stelt de rechtbank vast dat één van de 8 Albanezen de broer van verdachte is en dat er op de telefoons van twee van de andere Albanezen foto’s van het paspoort van verdachte en zijn broer zijn aangetroffen. Ook de wijze waarop de verdachte de klus om als schipper van de boot op te treden heeft aangenomen, ondanks zijn beperkte ervaring, roept de nodige vragen op. Hieruit blijkt in ieder geval dat hij betrokken is geweest bij het voortraject van de mensensmokkel. De Albanezen waren daarnaast illegaal in Nederland. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij niet wist van de aanwezigheid van de vreemdelingen ongeloofwaardig. Hij heeft de Albanezen toegang tot de boot verschaft en de gelegenheid gegeven om daar te verblijven. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat verdachte wist dat de toegang en doorreis voor de door hem vervoerde personen wederrechtelijk was en dat het zijn bedoeling was de vreemdelingen ongemerkt en illegaal naar Groot-Brittannië te vervoeren.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rol van verdachte moet worden geduid als medepleger. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten vereist, waarbij de bijdrage van verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Op basis van het dossier kan de – voor het strafrecht van betekenis zijnde – betrokkenheid van de medeverdachte bij de mensensmokkel niet worden vastgesteld. De rechtbank gaat daarom niet uit van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. Wel is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat naast de medeverdachte ook getuige [getuige 2] betrokken is geweest bij de huur van de boot. Niet kan worden uitgesloten dat zij wellicht een schakel is geweest tussen de huur van de boot en de later daarop aangetroffen Albanezen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij door een vriend van een vriend is benaderd met het verzoek om de boot te gaan varen. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensensmokkel veelal in georganiseerd verband plaatsvindt en er meerdere personen betrokken zijn bij verschillende facetten van de uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is komen vast te staan dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de mensensmokkel. Verdachte heeft daarbij als schipper van de boot een bijdrage van voldoende gewicht geleverd om te kunnen spreken van medeplegen.
Voltooide mensensmokkel
Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht bevat een zelfstandig strafbaar gestelde medeplichtigheid. Het is een voortdurend delict en is al voltooid op het moment dat de illegale doorreis een aanvang heeft genomen. In dit geval is voldaan aan het bestanddeel ‘behulpzaam zijn’ bij het verschaffen van toegang tot en verblijf in Groot-Brittannië. Verdachte heeft de Albanese personen op de boot aan boord genomen en was zelf de schipper. Deze handelingen van verdachten zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm al een voltooiing van het bestanddeel ‘behulpzaam zijn’. Dat de boot nog niet onderweg was doet niet af aan het behulpzaam zijn bij de illegale doorreis. Het behulpzaam zijn ving aan op het moment dat het aan boord gaan van de boot mogelijk werd gemaakt. Het is volgens vaste rechtspraak niet noodzakelijk dat de landsgrens daadwerkelijk is gepasseerd.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel, zoals primair ten laste is gelegd.”
2.6
Uit de bewijsvoering volgt dat op de boot waarvan de verdachte de schipper was, acht onrechtmatig in Nederland verblijvende Albanezen zijn aangetroffen. Op de telefoon van één van deze Albanezen, te weten [betrokkene 8] , zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen waarin op 24 augustus 2018 – aldus één dag voorafgaand aan het aantreffen van de Albanezen op de boot – wordt gesproken over paspoorten en op de dag van het aantreffen wordt gevraagd of hij al is opgehaald (bewijsmiddel 9). Uit de bewijsvoering volgt verder dat een van de andere Albanezen, te weten [betrokkene 4] , heeft verklaard dat hij graag valse papieren wilde hebben om naar Engeland te kunnen reizen (bewijsmiddel 12). Ook zijn telefonische contacten met Britse telefoonnummers aangetroffen op twee telefoons (bewijsmiddel 8 en 9). Daarnaast volgt uit de verklaring van de verhuurder dat de inhoud van de brandstoftank voldoende was om daarmee naar Engeland te kunnen varen (bewijsmiddel 13). Tot slot is van belang dat de rechtbank de verklaring van de Albanezen dat zij op de boot zaten om feest te vieren, mede gelet op de goederen die (niet) op de boot zijn aangetroffen en de kosten voor het huren van de boot, ongeloofwaardig acht, welk oordeel in cassatie niet wordt bestreden.
2.7
Uit het voorgaande heeft de rechtbank, naar het mij voorkomt, kunnen afleiden dat de verdachte de personen heeft toegestaan om in de boot te verblijven met het kennelijk doel om die personen met die boot naar Groot-Brittannië te varen/brengen. Ik acht daarvoor in het bijzonder redengevend de verklaring van getuige [betrokkene 4] en de contacten met de Britse telefoonnummers.
2.8
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van medeplegen. In de toelichting op het middel wordt daartoe naar voren gebracht dat uit de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.
3.2
Uit de bewijsvoering volgt dat medeverdachte [betrokkene 1] de boot heeft gehuurd voor de periode van 20 tot en met 26 augustus 2018. Nadat [betrokkene 1] op 16 augustus 2018 bij het verhuurbedrijf is geweest, is hij hier op 20 augustus wederom geweest, ditmaal tezamen met getuige [getuige 2] . [betrokkene 1] heeft hierover verklaard dat hij op verzoek van [getuige 2] de boot heeft gehuurd. Op 24 augustus 2018 is de boot vervolgens opgehaald. Daarbij waren [betrokkene 1] , [getuige 2] , de verdachte (als schipper) en een vierde persoon aanwezig. Bij dit ophalen is een niet naar waarheid ingevulde crewlist overhandigd. Vervolgens is de boot na een kort stuk varen aangemeerd, zijn vier personen met een taxi vertrokken en zijn op een later moment de verdachte en de acht Albanezen op de boot aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte van 27 augustus 2018 volgt dat hij door een goede vriend van een vriend is benaderd om samen “bootje te gaan varen” en dat hij in dit verband vanuit Brussel is vertrokken met twee vrouwen en medeverdachte [betrokkene 1] . De rechtbank overweegt over de rol van de verdachte dat hij de acht Albanezen toegang tot de boot heeft verschaft en hen de gelegenheid heeft geboden om daar te verblijven. Verder overweegt de rechtbank dat het accepteren van de klus als schipper door de verdachte, gelet op zijn beperkte ervaring, duidt op betrokkenheid van de verdachte bij het voortraject van de mensensmokkel.
3.3
Uit de bewijsvoering heeft de rechtbank kunnen afleiden dat de verdachte nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt. Uit de bewijsvoering volgt immers dat door (een) ander(en) dan de verdachte de boot is gehuurd, dat de verdachte tezamen met anderen deze boot heeft opgehaald op 24 augustus 2018 en dat de verdachte door een ander is benaderd om als schipper van deze boot op te treden. Daaraan doet, gelet op de uit de bewijsvoering af te leiden samenwerking met getuige [getuige 2] en de door de verdachte omschreven “goede vriend van mijn vriend”, niet af dat de rechtbank niet uitgaat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] . Verder heeft de rechtbank kunnen overwegen dat de bijdrage van de verdachte als schipper kwalificeert als een bijdrage van voldoende gewicht.
3.4
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel bevat de klacht dat sprake is van grondslagverlating nu het hof de tenlastelegging zodanig verbeterd heeft gelezen dat het daarmee aan die tenlastelegging een volstrekt andere betekenis heeft toegekend.
4.2
De overwegingen van het hof met betrekking tot de verbeterde lezing van het primair tenlastegelegde luiden als volgt:

Verbeterde lezing van het primair tenlastegelegde
Het hof stelt op basis van het kwalificatieve deel van het primair tenlastegelegde en de daaronder vermelde wetsartikelen vast, dat de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld het verwijt van art. 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met het vierde lid van dat artikel aan de verdachte ten laste te leggen, meermalen gepleegd. Gelet daarop, bevat de tekst van het primair tenlastegelegde een kennelijke verschrijving. De zinsnede: ‘terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
dat verblijfwederrechtelijk
was’ moet dan zijn: ‘terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
die toegang en/of doorreiswederrechtelijk
was/waren’.
Het hof leest deze kennelijke verschrijving in het primair tenlastegelegde verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat het de verdediging duidelijk was tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen.
Voor de duidelijkheid zal het hof hierna het primair tenlastegelegde met inachtneming van deze verbeterde lezing integraal opnemen.
Aan de verdachte is primair tenlastegelegd, dat:
hij in of omstreeks de periode 16 augustus 2018 tot en met 25 augustus 2018 Yerseke en/of Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
8, althans meerdere, personen met de Albanese nationaliteit,
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië en een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad
hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorreis wederrechtelijk was,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- een boot heeft/hebben gehuurd en/of
- deze boot tezamen met zijn mededader(s) heeft opgehaald en/of vervolgens naar de haven van Colijnsplaat heeft gebracht/gevaren en/of
- voornoemde 8 personen met Albanese nationaliteit toegang heeft/hebben verschaft, danwel heeft/hebben verleend tot de boot en/of
- deze personen toe te staan om in de boot te verblijven (met het kennelijke doel om die personen met die boot naar Groot-Brittannië te varen/brengen).”
4.3
Art. 197a Sr luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“1. Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te NewYork totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te NewYork totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(…)
4. Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.”
4.4
Voor de beoordeling van het middel stel ik voorop dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het op de weg van de feitenrechter ligt om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren. De verdachte mag daardoor niet in zijn verdediging worden geschaad. Een dergelijke verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv Pro, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of de verdachte is vereist. [3] De feitenrechter heeft grote vrijheid bij de interpretatie van de tenlastelegging. [4] Uitgangspunt is dat de uitleg van de tenlastelegging door de feitenrechter in cassatie wordt geëerbiedigd en slechts marginaal wordt getoetst. De Hoge Raad grijpt alleen in wanneer sprake is van grondslagverlating omdat de uitleg van de feitenrechter onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. [5]
4.5
Het hof heeft het primair tenlastegelegde verbeterd gelezen, inhoudende dat “terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
dat verblijfwederrechtelijk
was” moet worden gelezen als “terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat
die toegang en/of doorreiswederrechtelijk
was/waren” (MvW: onderstrepingen door hof). Het hof heeft in dat verband overwogen dat het openbaar ministerie gelet op het kwalificatieve deel van het primair tenlastegelegde en de daaronder weergegeven wetsartikelen bedoeld heeft het verwijt van art. 197a lid 1 jo. lid 4 Sr, meermalen gepleegd, ten laste te leggen, zodat naar het oordeel van het hof sprake is van een kennelijke verschrijving. Het hof overweegt verder dat de verdachte daarvoor niet in zijn verdediging is geschaad, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het de verdediging duidelijk was tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen.
4.6
Uit hetgeen onder randnummer 4.4 is vooropgesteld volgt dat een verbeterde lezing van een tenlastelegging door de feitenrechter in cassatie slechts marginaal wordt getoetst en dat in cassatie enkel zal worden ingegrepen als deze verbeterde lezing onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. Nu in de tenlastelegging reeds was opgenomen dat de verdachte acht Albanezen behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door – kort gezegd – Nederland en/of Groot-Brittannië en/of andere staten en de tenlastelegging gebaseerd is op art. 197a lid 1 (jo. lid 4) Sr, waarin het behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en de daarin opgenomen staten strafbaar is gesteld, kan worden aangenomen dat de opname van “dat verblijf” in de tenlastelegging berust op een kennelijke verschrijving. Met het hof ben ik dan ook van oordeel dat de verbeterde lezing van het primair tenlastegelegde niet strijdig is met de bewoordingen van de tenlastelegging. Het hof heeft de grondslag van de tenlastelegging dan ook niet verlaten.
4.7
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

3.Zie HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, rov. 3.3 en HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308, rov. 2.4.
4.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
5.Vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2958, rov. 2.4 en HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2521, rov. 3.4.