ECLI:NL:PHR:2026:405

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/00041
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 lid 1 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 432 lid 1 SvArt. 432 lid 2 SvArt. 1 lid 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken grieven

De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens poging tot diefstal met braak. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door een griffiemedewerker namens de verdachte, met een volmacht waarin stond dat het appel zich richtte op de strafmaat. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat geen schriftuur met grieven was ingediend en er ter zitting geen mondelinge bezwaren waren opgegeven.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde in zijn conclusie dat de mededeling in de volmacht dat het appel ziet op de strafmaat voldoende duidelijk maakt wat de inzet van het hoger beroep is en daarom als grief moet worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld en dat ook een volmacht grieven kan bevatten.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De procedure toont het belang van een ruime interpretatie van grieven in hoger beroep en bevestigt dat een volmacht met een duidelijke inzet voldoende is.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00041
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 16 juli 2021 (parketnr. 22-000850-21) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Broere, advocaat, heeft een middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte niet een schriftuur houdende grieven heeft ingediend.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Voor ik toekom om aan de bespreking van het cassatiemiddel sta ik kort stil bij de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, nu cassatie is ingesteld een aantal jaren nadat het hof arrest heeft gewezen, namelijk op 6 januari 2025.
2.2
Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, volgt dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie nu van de verdachte geen woon of verblijfplaats bekend was. Uit de stukken blijkt niet dat de verdachte (niettemin) tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting. Het arrest van het hof vermeldt dat de procedure in hoger beroep bij verstek is gevoerd. [1] Gelet op dit alles blijkt niet dat ingevolge art. 432 lid 1 Sv Pro de termijn voor het instellen van cassatie is aangevangen direct na de uitspraak van het hof.
2.3
Bij de stukken bevindt zich verder een schriftelijke mededeling van de uitspraak van het hof die blijkens de bijbehorende uitreikingsakte op 2 januari 2025 [2] aan de verdachte in persoon is betekend. [3] Het cassatieberoep is binnen veertien dagen nadien ingesteld. Dat is, gelet op art. 432 lid 2 Sv Pro, tijdig.
2.4
De verdachte kan worden ontvangen in het cassatieberoep.

3.De procedure in feitelijke aanleg

3.1
De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter van 23 maart 2021 wegens “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.
3.2
Blijkens de daarvan opgemaakte akte is op 24 maart 2021 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis door een griffiemedewerker die daartoe gemachtigd was door de op zijn beurt gemachtigde raadsman. De schriftelijke volmacht van de raadsman vermeldt dat “het appel ziet op de stafmaat in bovengenoemde zaak”. De volmacht houdt in:
“In bovengenoemde zaak bericht ik u hierbij dat ondergetekende door cliënt, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987, bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter te Den Haag d.d. 23 maart 2021.
Het appel ziet op de strafmaat in bovengenoemde zaak. Vriendelijk verzoek ik u de betreffende akte op te maken en ondergetekende hiervan een afschrift te doen toezenden. Ondergetekende machtigt de medewerkers van de strafgriffie om namens hem de akte op te stellen en te doen ondertekenen. (…).”
3.3
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het arrest van het hof houdt hierover de volgende overweging van het hof in:
“De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

4.De bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het hof de zin “Het appel ziet op de strafmaat in bovengenoemde zaak” in de volmacht tot het instellen van hoger beroep, had moeten aanmerken als grief, zodat het hof de verdachte niet met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
4.2
Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2 september 2025 van belang: [4]
“Op grond van artikel 410 lid 1 Sv Pro moet een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep kan dergelijke grieven bevatten. Onder ‘grieven’ kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Dit geldt ook voor de in artikel 416 leden Pro 1 en 2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. (Vgl. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251.) Aan de formulering van de grieven - die ook door de verdachte zelf kunnen worden ingediend - worden geen hoge eisen gesteld (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rechtsoverweging 2.40). Wel moeten de opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is.”
4.3
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, indien met enige concreetheid is aangeduid met welk onderdeel van een vonnis de verdachte zich niet kan verenigen en dus wat de inzet van het hoger beroep is, vervolgens geen hoge (inhoudelijke) eisen meer worden gesteld aan de grief. Ik noem twee zaken waarin de formulering van de grief niet ver afligt van de mededing van de raadsman in deze zaak dat “het appel ziet op de strafmaat”.
4.4
In de zaak die ten grondslag lag aan HR 20 mei 2025 [5] had de raadsman van de verdachte een appelschriftuur ingediend en daarin verwoord: “Het onderhavige appel richt zich tegen de strafmaat”. Het cassatiemiddel tegen het oordeel dat geen grieven waren ingediend was terecht voorgesteld, zo oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal. In de zaak die leidde tot HR 15 september 2020 [6] had de raadsman in een faxbericht medegedeeld: “Het hoger beroep is gericht tegen de bewezenverklaring en de strafmaat.” Ook dit faxbericht had volgens de Hoge Raad moeten worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven. [7]
4.5
Dit brengt mij tot de conclusie dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. Zoals door de Hoge Raad is geoordeeld in de onder 4.2 geciteerde overweging, kan een grief ook naar voren worden gebracht in de volmacht tot het instellen van het hoger beroep. De mededeling van de raadsman in die volmacht dat “het appel ziet op de strafmaat” maakt voldoende duidelijk wat de inzet van het hoger beroep is en moet worden aangemerkt als een ‘grief’ in de zin van art. 410 lid 1 Sv Pro. Bijgevolg kan de beslissing van het hof om de verdachte met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep niet in stand blijven.

5.Slotsom

5.1
Het cassatiemiddel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de stukken bevindt zich niet een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2.Er zitten ook eerdere mededelingen uitspraak bij de stukken, maar daarbij behorende uitreikingsaktes zijn niet aanwezig of niet ingevuld.
3.Overigens vermeldt de raadsman in de volmacht tot het instellen van het cassatieberoep dat de uitspraak op 21 december 2024 aan de verdachte is betekend. Ook als van die datum zou worden uitgegaan, is het cassatieberoep tijdig ingesteld. De beroepstermijn van 14 dagen zou in dat geval zijn geëindigd op zaterdag 4 januari 2025 en ingevolge art. 1 lid 1 van Pro de Algemene termijnenwet zijn verlengd tot en met maandag 6 januari 2025.
4.HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213,
5.HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:748
6.HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415.
7.Gewezen kan ook nog worden op HR 7 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:25, waarin de raadsman ten behoeve van de rolzitting in een e-mail had geschreven dat de verdachte het “niet eens is met de veroordeling alsmede met de hoogte van de aan hem opgelegde straf. Ook is hij het niet eens met de aan de veroordeling hangende TUL.”