ECLI:NL:PHR:2026:416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet-naleving dagvaardingstermijn in hoger beroep
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat geen schriftuur met grieven was ingediend en hij niet was verschenen. De advocaat-generaal stelde dat het hof het onderzoek had moeten schorsen vanwege het niet in acht nemen van de dagvaardingstermijn van ten minste tien dagen zoals voorgeschreven in art. 413 lid 1 Sv Pro.
Uit de stukken bleek dat de dagvaardingstermijn niet was nageleefd: de dagvaarding was pas op 15 juli 2025 uitgereikt aan het openbaar ministerie, terwijl de terechtzitting op 21 juli 2025 plaatsvond. Pogingen om de dagvaarding op het geregistreerde adres van de verdachte te betekenen waren tevergeefs geweest. De verdachte was niet verschenen en had geen toestemming gegeven voor verkorting van de termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen vanwege het verzuim de termijn van art. 413 lid 1 Sv Pro te respecteren. Het niet schorsen leidde tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.
De Hoge Raad vond geen andere gronden voor vernietiging en bevestigde dat de termijn van tien vrije dagen strikt moet worden nageleefd, tenzij de verdachte toestemming geeft of verschijnt. De zaak wordt terugverwezen voor een correcte procedurele behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.