Conclusie
1.Feiten
A-G:
Het hof merkt op dat in deze brief de vraag waar het in dit geding om gaat niet juist is geciteerd. De vraag die [eiser] tijdens het aanvraagproces moest beantwoorden luidde: “Heeft u of iemand namens u ooit een verzekering aangevraagd die door de verzekeraar werd opgezegd, geweigerd of onder bijzondere voorwaarden voortgezet?”]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
in principaal appel: het bestreden vonnis zal bekrachtigen;
in incidenteel appel met wijziging van eis:alsnog met gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, de vordering van Achmea op [eiser] van € 116.019,30 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2019 tot aan de dag der gehele voldoening; en
in principaal appel en incidenteel appel: [eiser] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en reconventie en in de proceskosten van het principaal appel en incidenteel appel. [6]
grief 2van [eiser] faalt.”
grief 4van [eiser] faalt.”
3.Inleidende beschouwingen
kennisvereiste) en waarvan hij weet of behoort te begrijpen (
kenbaarheidsvereiste) dat de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, deze de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (
relevantievereiste). Deze mededelingsplicht ziet niet op feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen (
verschoonbaarheidsvereiste). In art. 7:928 lid 4 BW Pro heeft de wetgever echter in de tweede volzin een beperking op het verschoonbaarheidsvereiste opgenomen: de verzekeringnemer kan zich er niet op beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien hij op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord heeft gegeven. [11]
[…] / […]: [13] degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan is tegenover de wederpartij weliswaar gehouden om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder de invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, maar die gehoudenheid gaat niet zover dat hij niet zou mogen afgaan op door de wederpartij gedane mededelingen. In beginsel mag hij uitgaan van de juistheid van de aldus verkregen informatie. [14]
de Beursbengelbij wege van terugblik verzekeringsrechtelijke onderwerpen werden uitgelicht – in ieder geval duidelijk over dit onderwerp uitgelaten: [18]
in weerwil van allerlei fraudebeperkende voornemens” de registers niet raadpleegt dat bij een schadevoorval wel doet – ondervangt. [21] Indien de verzekeraar verzuimt om bij de aanvraag van de verzekering de gegevens van de verzekeringnemer tegen zijn registers aan te houden, dient deze volgens Van Tiggele-van der Velde niet door de beperking van het verschoonbaarheidsvereiste te worden beschermd. [22]
hier zijn de registers door en voor verzekeraars opgesteld en gevuld en zijn er waarborgen voor toetsing van die gegevens opgenomen.” [24]
onoplettende, onbedachtzame verzekerde”. [26]
Dit betekent dat de verzekeraar er verstandig aan doet om uitdrukkelijk toch naar die feiten te vragen die voor hem voor het sluiten van de verzekering van belang zijn en waarvan hij weet dat deze gegevens niet vrijelijk binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt, om aldus te voorkomen dat hem achteraf tegengeworpen wordt dat deze feiten reeds bij hem bekend waren.Dit lijkt ook geen bezwaar, omdat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst.
De nieuw voorgestelde tweede zin van het vierde lid brengt dan mee dat de verzekeringnemer de op deze feiten betrekking hebbende vragen naar juistheid moet beantwoorden. Aldus bezien is een verder wettelijk ingrijpen niet noodzakelijk.”
nieuw voorgestelde”) algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW Pro en de praktijk dat nog zelden verzekeringen worden gesloten zonder vragenlijst, niet noodzakelijk heeft geacht om
aanvullendnog iets te regelen voor de situatie dat bepaalde feiten weliswaar bij de verzekeraar bekend zijn maar niet binnen de organisatie mogen circuleren of voor andere doelen mogen worden gebruikt. Het risico dat de verzekeraar in die specifieke situatie loopt, vergt geen
extrawettelijke voorziening, maar wordt al afgedekt door de algemene regeling van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW Pro, zo lijkt te zijn gedacht. Daarmee is echter niet gezegd dat deze tweede volzin
enkeldat risico afdekt. Een dergelijke beperking van de betekenis van de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW Pro valt ook niet te lezen in de aan de zojuist geciteerde passage voorafgaande toelichting. Daaruit blijkt juist dat de tweede volzin van art. 7:928 lid 4 BW Pro voor meer geschikt en geschreven is. Ik geef deze toelichting die hiervoor in randnummer 3.3 al geciteerd is, hier voor het gemak nogmaals weer: [30]
standaardgeraadpleegd te worden. Het lijkt mij beter ervan uit te gaan dat de registers er zijn om in geval van ‘onraad’ te kunnen worden geraadpleegd, juist dus wanneer de verzekeraar twijfels heeft of een slecht (voor)gevoel (‘dit lijkt niet pluis’). Bovendien is het wat mij betreft de vraag of de Algemene verordening gegevensbescherming [31] (hierna: ‘AVG’) wel toestaat dat een verzekeraar
standaard, dus ook in het geval dat de verzekeraar geen ‘onraad’ ruikt, zijn registers raadpleegt, nu er in de regel voor de verwerking van persoonsgegevens, wat het raadplegen van een op persoonsniveau doorzoekbaar register toch is, een ‘noodzaak’ moet zijn. [32] Meer voor de hand ligt dan, gelet op de restrictieve uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat noodzakelijkheidscriterium heeft gegeven, [33] dat de verzekeraar zijn registers op grond van de AVG pas mag raadplegen als de aspirant-verzekeringnemer op een vraag een alarmerend antwoord heeft gegeven of een vraag niet heeft beantwoord.
wantrouwen(dat klinkt misschien zwaar maar daarvan gaat de idee dat standaardcontrole toch beter is dan de ander op zijn woord geloven uiteindelijk wel uit), terwijl het hiervoor besproken contractenrechtelijke uitgangspunt nu juist benadrukt dat standaard wantrouwen niet op zijn plaats is. We gaan er en we mogen er in het contractenrecht in principe ook vanuit gaan dat door de ander verschafte informatie en door hem gedane mededelingen juist zijn. Dat lijkt mij niet alleen principieel juist, maar ook het meest vruchtbaar. Ik zou dat uitgangspunt niet graag prijsgeven, ook niet in deze specifieke context. Dat standaardcontrole weinig moeite kost en daarom mogelijk ook niet kostbaar is, brengt mij niet op andere gedachten. Wat technisch kan, moet niet altijd meteen ook. Een op wantrouwen gerichte praktijk heeft wel degelijk een prijs.
bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen gewektdat de rechthebbende zijn aanspraak op zijn recht niet meer geldend zou maken. In het tweede geval hebben bijzondere omstandigheden in combinatie met een (of meer) gedragingen van de rechthebbende ertoe geleid dat
de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou wordenindien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend gemaakt wordt. [47] Het tweede geval kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de wederpartij door de gedraging van de rechthebbende onredelijk is benadeeld in haar bewijspositie [48] of als de wederpartij onvoldoende of niet heeft kunnen anticiperen op de financiële gevolgen van het (alsnog) geldend maken van het betrokken recht. [49] Dat laatste voorbeeld betreft een andere situatie dan die in deze zaak aan de orde is. In dat voorbeeld gaat het om de situatie dat de wederpartij door de rechthebbende op het verkeerde been is gezet en daardoor bijvoorbeeld niet binnen de voorgeschreven termijn aanspraak op haar verzekering heeft gemaakt, als gevolg waarvan zij geen verzekeringsdekking (meer) heeft. In deze zaak gaat het daarentegen om de situatie dat een wederpartij alsnog moet missen (in dit geval (voortzetting van) uitkeringen) waarop zij helemaal geen recht had.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
datAchmea heeft besloten tot het bijhouden van een IVR, dat dat register moet worden geraadpleegd. Daar dient het immers toe. Dat heeft het hof miskend, aldus subonderdeel 1.1. Voorts is het hof er volgens subonderdeel 1.1 aan voorbijgegaan dat de strekking van de door [eiser] bepleite onderzoeksplicht in casu een bijzonder kleine moeite betrof, terwijl de mededelings- en onderzoeksplicht als communicerende vaten plegen te werken.
bij het accepteren van een aanvraagop Achmea een onderzoeksplicht rust, inhoudende dat het IVR geraadpleegd had moeten worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft – conform de rechtspraak van Uw Raad met betrekking tot de kennisgevingsplicht [59] – geoordeeld dat of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet
nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft daarop de omstandigheden in de onderhavige zaak geschetst: Achmea heeft via een vragenlijst voor haar relevante informatie opgevraagd bij [eiser] , en [eiser] heeft vervolgens bewust een van die vragen verkeerd beantwoord. Daarop heeft het hof geoordeeld dat Achmea van de juistheid van de informatie mocht uitgaan, zodat er voor haar geen aanleiding was om te vermoeden dat [eiser] zijn mededelingsplicht had geschonden en er voor haar geen aanleiding was voor nader onderzoek.
bij het accepteren van de aanvraag. Het hof heeft voorts in rov. 5.6. overwogen dat het in het kader van de kennisgevingsplicht van Achmea nog zou terugkomen op de stelling dat Achmea al bekend was met de eerdere weigering en opzegging, zodat haar geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht. Dat heeft het hof in de hiervoor besproken rov. 5.19. gedaan.
subonderdeel 1.2is het feit dat Achmea haar eigen register niet raadpleegt, niet verenigbaar met haar stelling dat (en waarom) ‘volhardende’ premiewanbetaling bij een andere verzekeraar een ‘onaanvaardbaar’ risico is, welke stelling het hof heeft gehonoreerd in rov. 5.9. van het bestreden tussenarrest.
subonderdeel 1.3heeft het hof bovendien verzuimd om grief 1, aangevoerd in het principaal appel door [eiser] , inhoudelijk te bespreken. Het hof heeft in zowel het tussenarrest als het eindarrest de vereenzelviging van HEMA verzekeringen, Centraal Beheer en Achmea niet relevant geacht omdat i) niet in geschil zou zijn dat [eiser] op 27 oktober 2014 online een aanvraag heeft gedaan voor een autoverzekering bij Achmea en de vraag of hem eerder een verzekering is geweigerd of opgezegd met “
nee” heeft beantwoord en ii) omdat de mogelijkheid voor Achmea en andere – aan Achmea gelieerde – labels om het IVR te raadplegen geen onderzoeksplicht met zich brengt. Het hof heeft geoordeeld dat de genoemde beslissingen in het tussenarrest als bindende eindbeslissingen kwalificeren. Het hof heeft volgens het subonderdeel evenwel miskend dat het eindoordeel vervat in rov. 2.6. van het eindarrest, te weten dat er geen reden is om [eiser] te volgen in zijn betoog dat de dag waarop de IVR-melding in het systeem werd opgenomen als dag van de ontdekking heeft te gelden, ook een bindende eindbeslissing is. Het hof had tenminste de mogelijkheid voor Achmea om eerder te controleren dan ook alsnog bij de beoordeling moeten betrekken. Nu het hof dit niet (kenbaar) heeft gedaan, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
A-G) of enkele dagen later van het verzekeringsverleden van [eiser] op de hoogte was en op dat moment een beroep op verzwijging kon en moest doen. [62] [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stellingen aangevoerd: “
Enkel en alleen de omstandigheid dat niet H.I. Services als procespartij optreedt maakt duidelijk dat wel degelijk sprake is van vereenzelviging.” [63] En: “
Achmea erkent aldus een zekere mate van vereenzelviging.” [64]
3. Feiten”) heeft het hof vervolgens overwogen dat [eiser] grief 1 weliswaar heeft gericht tegen de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis vastgestelde feiten, maar dat deze grief, gelet op de toelichting daarop, betrekking heeft op het in rov. 4.10. van het in hoger beroep bestreden vonnis neergelegde oordeel dat H.I. Services B.V. en Centraal Beheer niet te vereenzelvigen zijn. De juistheid van de onder rov. 2.1. van het in hoger beroep bestreden vonnis genoemde feiten wordt naar het oordeel van het hof dan ook niet kenbaar bestreden. Daarop heeft het hof geoordeeld dat grief 1 daarmee faalt. Ik kom hierover nader te spreken bij de behandeling van subonderdeel 1.4. Het hof heeft in de inleidende alinea bij paragraaf 3 van het tussenarrest nog meegegeven dat de vereenzelviging bij de bespreking van grief 3 in principaal appel aan de orde komt. [eiser] heeft die grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. Daarover heeft het hof zich in rov. 5.14.-5.24. van het tussenarrest en rov. 2.2.-2.7. van het eindarrest uitgelaten. Over enkele van deze rechtsoverwegingen kom ik hierna nader te spreken.
A-G) dan wel 28 oktober 2014 aanwezig was bij Achmea en men toen kennelijk niet de moeite heeft genomen om die te ontdekken, [66] zodat Achmea zich niet tijdig op verzwijging heeft beroepen. [67] [eiser] heeft in dit verband onder andere de volgende stelling aangevoerd: “
Met name nu de rechtbank ermee akkoord gaat dat Achmea een beroep op verzwijging toekomt is het niet juist om de bij Achmea van meet af aan, te weten vanaf 24 oktober 2014, aanwezige kennis, niet aan Achmea toe te rekenen, maar aan een niet bestaande entiteit, te weten Hema, en te overwegen dat er geen sprake is van vereenzelviging. Waarvan dan wel. Hema was slechts een handelsnaam.” [68]
De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd.” Daarop heeft het hof in rov. 2.12. geoordeeld: “
Ook de omstandigheid dat Achmea eerder had kunnen controleren of [eiser] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht had geschonden, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin.(…)
Door niet eerder een controle uit te voeren heeft Achmea niet een norm geschonden, die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk had misleid.” Tegen deze achtergrond faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag.
onderdeel 1falen.
subonderdeel 2.1heeft het hof in rov. 2.11. van het eindarrest onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat “
de omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea zijn rechten om verdere uitkeringen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst stop te zetten en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zou maken.” [70] In dat kader is volgens
subonderdeel 2.2immers wél relevant of de verzekeraar eerder had kunnen ontdekken of hij vanwege de gebleken schending van de mededelingsplicht niet (meer) tot uitkering verplicht was. Er is dus om die reden geen sprake van enkel tijdsverloop, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel verwijst daarbij naar rov. 2.10. van het bestreden arrest.
De situatie is volgens [eiser] geheel te wijten aan de omstandigheid dat Achmea ervoor heeft gekozen om jarenlang geen controle te verrichten, terwijl zij die controle al bij de aanvraag van de verzekering had kunnen verrichten. Dat falen van Achmea en de onevenredig zware gevolgen voor hem dienen er volgens [eiser] toe te leiden dat zijn beroep op rechtsverwerking in hoger beroep alsnog wordt gehonoreerd.”
subonderdeel 2.3dat is gericht tegen de overweging in rov. 2.11. van het eindarrest dat vaststaat dat Achmea kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden de schadeafwikkeling heeft gestaakt en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetalingen meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. Deze overweging kan het oordeel, dat bij [eiser] niet het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten niet meer geldend zou maken, volgens subonderdeel 2.3 niet dragen. Het hof heeft daarmee volgens het subonderdeel een onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven.
voorts” in de in het subonderdeel weergegeven overweging benadrukt dat het hof ten overvloede heeft meegegeven dat Achmea, kort nadat de verzwijging haar bekend was geworden, de schadeafwikkeling heeft gestaakt en aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij geen uitbetaling meer zou doen en dat reeds betaalde bedragen werden teruggevorderd. Met de in het subonderdeel weergegeven overweging lijkt het hof slechts te hebben bedoeld om ten overvloede mee te geven dat als [eiser] het handelen van Achmea na de ontdekking van de verzwijging als bijzondere omstandigheid had aangevoerd – wat hij, gelet op de beschrijving van de door hem aangevoerde omstandigheden door het hof in rov. 2.9., niet heeft gedaan –, ook dat hem niet zou hebben gebaat, op de grond dat Achmea toen, in mijn woorden: tijdig en passend, heeft gehandeld. Wat mij betreft zijn de hiervoor geschetste overwegingen en oordelen goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2falen.
en terugvordert hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd, maar dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is, omdat [eiser] Achmea opzettelijk heeft misleid bij het aangaan van de verzekering en ervoor heeft gekozen daarover te blijven zwijgen, zodat deze negatieve gevolgen enkel aan zijn eigen handelen zijn te wijten – blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven, omdat de rechtsvraag die voorlag was of de vordering op voet van art. 7:930 lid 5 jo Pro. art. 6:203 BW Pro van
Achmeanaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, en niet of de consequenties van de schending van zijn mededelingsplicht al dan niet aan [eiser] te wijten zijn.
subonderdeel 3.2heeft het hof in rov. 2.12. (in samenhang met rov. 2.9. en 2.10.) van het eindarrest – door te oordelen dat Achmea door niet eerder een controle uit te voeren niet een norm heeft geschonden die strekte tot bescherming van de belangen van degene die haar opzettelijk heeft misleid – miskend dat een normschending van de rechthebbende in het kader van rechtsverwerking niet relevant is. Ook is een normschending niet relevant voor een beroep op onverschuldigde betaling. In dat kader is alleen relevant of er een rechtsgrond bestond voor de betalingen. Voor zover rechtens juist, heeft het hof in ieder geval een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het subonderdeel.
geensprake is, mag bij de beoordeling van een rechtsverwerkingsberoep in een concreet geval, waarbij juist naar het doen en nalaten van de rechthebbende wordt gekeken, wel degelijk een rol spelen en kan in deze zin dus ook relevant zijn. Toegespitst op het onderhavige geval: de omstandigheid dat Achmea door niet eerder te controleren geen norm heeft geschonden die [eiser] beoogde te beschermen, zegt iets over het (te verwachten) gedrag van Achmea en is hier dan ook relevant voor de vraag of Achmea haar recht om gevolgen te verbinden aan de opzettelijke misleiding door [eiser] heeft verwerkt.
als zodanig.
subonderdeel 3.3. [eiser] is op grond van art. 7:928 lid 1 jo Pro. 7:930 lid 5 BW in beginsel gehouden hetgeen door Achmea is uitgekeerd terug te betalen. De tekortkoming – schenden van de mededelingsplicht dan wel opzettelijke misleiding – staat dan al vast, alsmede de consequenties daarvan. Door bij de beoordeling in rov. 2.12. en 2.16. van het eindarrest nogmaals (de schending van de mededelingsplicht en) de opzettelijke misleiding van Achmea door [eiser] te betrekken en te oordelen dat het reeds daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat Achmea zich beroept op onverschuldigde betaling, heeft het hof volgens subonderdeel 3.3 een rechtens onjuist en onbegrijpelijk oordeel gegeven.
subonderdeel 3.4ook in rov. 2.16. van het eindarrest met het oordeel dat de eigen kosten van Achmea geheel aan [eiser] zijn toe te rekenen omdat hij met zijn handelwijze in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld en toerekenbaar tekort is geschoten jegens Achmea een, voor zover rechtens juist, in ieder geval onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven.
subonderdeel 3.3en faalt dan ook in het spoor van die klacht.
onderdeel 3falen.
onderdeel 4, inhoudende dat met het slagen van één of meer van de voorgaande klachten ook rov. 2.16. en het dictum van het eindarrest niet in stand kunnen blijven, faalt in het spoor van voorgaande klachten.