Conclusie
KNVB)
Vitesse)
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
hof). [1]
Licentiereglement).
voorzieningenrechter). Vitesse vorderde, na eiswijziging en kort samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
CvA).
vonnis). [3] Daarin heeft hij, kort samengevat: in de hoofdzaak de vorderingen van Vitesse afgewezen en Vitesse veroordeeld in de (na)kosten; en in het incident de incidentele vordering tot voeging afgewezen.
MvA/MvG i.a.). Daarin heeft de KNVB, kort samengevat:
p-v).
arrest). [4]
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Inleidende beschouwingen
het in hoge matewaarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter het betreffende besluit zal vernietigen - van een zwaardere maatstaf is uitgegaan, volgt het hof hem daarin dus niet.
(…)
4.8 In dit geval moet dus worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie niet in stand kunnen blijven op één of meer van de hiervoor genoemde gronden [dit slaat terug op rov. 4.7, A-G], dit naar de toestand ten tijde van die besluiten. Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten verder de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment.
naar hun inhoudvernietigbaar zijn. Dit staat in de sleutel van art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en slotsom.
kennelijkgeschonden moet zijn. In werkelijkheid evenwel moeten rechters steeds het gewone foutconcept toepassen. De marginale toetsing is slechts een ‘vaderlijke aanmaning’ niet te vlug een fout aan te nemen. (…) Dat marginale toetsing zich niet onderscheidt van volle toetsing, is eigenlijk een dogmatische noodzaak. (…) Steeds dient een rechter de regel toe te passen dat fout is, de lichtste afwijking van het gedrag dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou ten toon gespreid hebben. Maar wat een redelijk mens zou doen, wordt nu precies door de omstandigheden bepaald. (…) Zoals reeds geargumenteerd [27] is het concept marginale toetsing echter onzeker van inhoud en daarom geen effectieve begrenzer van rechterlijke beoordelingsvrijheid. [28]
Terug naar het subonderdeel
onder 4.4.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.4.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.4.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
pluszo gezegd - indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk is en/of de geadresseerde van het besluit volgens die regelingen aan dat besluit is gebonden. Wederom: zo zit het recht niet in elkaar. [70]
onder 4.4.4 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder a.
onder b.
onder c.
onder d.
minderrechtvaardiging zou bestaan voor de sanctie van intrekking van de licentie.
nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVBzo’n houding heeft aangenomen. [95] Kort en goed: Vitesse had haar leven inmiddels gebeterd. Dit is goed te volgen.
onder 4.32.1-4.32.3 hiervoorbedoelde uitwerking, waarin geen recht wordt gedaan aan ’s hofs oordeel in rov. 4.9-4.80 ook in totaliteit bezien. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. Ik kan daarlaten of de rechtsklacht aan het slot van het subonderdeel wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv.
VAI) buiten het zicht van Vitesse een
sidelettersloot met Common Sport GP LLC, voorheen Common Group LLC (hierna:
Common Group), en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval “niet zodanig verwijtbaar” dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de
sideletteraldus tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten.
sub-subonderdeel 2.2.1geeft het zo-even weergegeven oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
sideletterniet anders kwalificeren en/of beoordelen dan de Licentiecommissie in dit besluit heeft gedaan. Het hof heeft dit miskend met (onder meer) het oordeel, in de woorden van het sub-subonderdeel: “dat
(a)Vitesse de gang van zaken rond de sideletter niet (voldoende) valt te verwijten en
(b)(bijgevolg) onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem.”
het bestaan van de sideletter en het willens en wetens achterhouden daarvan zeer hoog op”. De Licentiecommissie onderkende dat Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI en dat Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld, maar zij overwoog dat “
gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen”. Zij heeft Vitesse als sanctie hiervoor negen wedstrijdpunten in mindering opgelegd. Vitesse heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld, naar haar zeggen omdat zij herstel van haar moeizame relatie met de KNVB van groter gewicht vond dan een nieuwe juridische discussie met de Licentiecommissie.
onder 4.41.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
sideletter. En dat het hof daarbij, gezien ook rov. 4.37, in dit besluit van 28 november 2024:
sideletter“binnen de risicosfeer” van Vitesse viel, en Vitesse zelf de
sideletterheeft gemeld bij de KNVB; maar
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse.
sideletterging “om iemand die aandeelhouder zou worden, een beoogd aandeelhouder dus, en een derde partij”. [102] Die vaststelling van het hof ligt daarmee keurig in lijn.
sidelettertegenover de KNVB heeft verzwegen, geen steun vindt in de feiten. Dit betreft een ander besluit dan het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het sub-subonderdeel hier is ingestoken. Met die vaststelling brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de
sideletterna bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Zie nader onder 4.58.2 hierna.
onder 4.41.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.41.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, zo blijkt uit rov. 4.39. Daarbij gaat het hof ervan uit dat dit verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de
sideletterhooguit binnen “de risicosfeer” van Vitesse valt, maar niet (ook) feitelijk verwijtbaar handelen van Vitesse zélf oplevert, wat naar de aard iets anders is.
sideletterwilden achterhouden. [105]
sideletterbinnen “de risicosfeer” van Vitesse ligt, het hof voornoemde vraag niet anders had beantwoord. Daarmee valt reeds het doek voor het sub-subonderdeel.
sideletterzelf heeft opgesteld en/of tot haar beschikking had en welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. In dat licht is, anders dan het hof kennelijk meent, het door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de besluiten van 10 en 31 juli 2025 gemaakte verwijt niet dat Vitesse de
sideletterzelf heeft opgesteld en/of (eerder dan medio oktober 2024) tot haar beschikking had en toen welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. De overwegingen in voornoemde besluiten over intrekking moeten zo worden begrepen dat feitelijk sprake is van ‘verzwijgen’ (van de
sideletter) en ‘misleiden’ (van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie) door beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group), maar deze handelingen van VAI in de gegeven omstandigheden (zoals geschetst in dat besluit van 28 november 2024) in de risicosfeer van Vitesse vallen, (bijgevolg) aan haar moeten worden toegerekend en (dáárom) sprake is van verwijtbaar handelen - ‘verzwijgen’ en ‘misleiden’ - door Vitesse.
sidelettertegenover de KNVB heeft verzwegen geen steun in de gestelde feiten vindt. Dit verwijt moet “in de hierboven bedoelde zin” worden begrepen.
sideletterwilden achterhouden - óók voor Vitesse - en (ii) dat Vitesse op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de
sideletterdeze direct deelde met de KNVB, voor zover het hof hiermee bedoelt dat de achter (i) en (ii) genoemde omstandigheden van belang (kunnen) zijn voor het verwijt dat aan Vitesse rond de
sideletteris gemaakt en/althans dat verwijt zouden (kunnen) relativeren.
onder 4.55.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
sideletterzelf heeft opgesteld en/of (eerder dan medio oktober 2024) tot haar beschikking had en toen welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. Dit mist feitelijke grondslag in het arrest. Nergens daarin, ook niet in rov. 4.37-4.39, valt te lezen dat het hof dit besluit van 28 november 2024 aldus uitlegt en dit vervolgens doortrekt bij de uitleg van die besluiten van 10 en 31 juli 2025. Overigens lijkt het sub-subonderdeel dat hier ook wel te onderkennen (“anders dan het hof kennelijk meent”). Dit is al fataal.
onder 4.55.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
sideletterheeft verzwegen. [106] In het bestreden oordeel brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de
sideletterna bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Want Vitesse heeft, toen zij - medio oktober 2024 - bekend raakte met het bestaan van (de afspraak vervat in) de
sideletter, dus zélf, direct de Licentiecommissie/KNVB hiervan op de hoogte gesteld. Zie ook rov. 4.35 van het arrest (onbestreden in cassatie), geciteerd onder 4.43 hiervoor. Daarop valt het hof terug in het hier bestreden oordeel. Dit is onjuist noch onbegrijpelijk.
onder 4.55.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dat is niet onbegrijpelijk, want zoiets staat ook niet in dit besluit. Evenmin in het deel waarin de Licentiecommissie beziet “in hoeverre uw BVO [Vitesse, A-G] een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het bestaan van deze sideletter.” [107] Daar staat wel, en bij herhaling, “dat er in casu sprake is van een situatie [108] die binnen de risicosfeer van uw BVO [Vitesse dus] ligt.” [109] Maar niet dat die situatie feitelijk (ook) verwijtbaar handelen door Vitesse zélf oplevert. [110]
ofhet feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, is onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan komt betekenis toe bij de vraag, door het hof blijkens rov. 4.39, laatste zin ontkennend beantwoord, of er aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat deze gang van zaken onderdeel is “van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem
bij Vitesse”. [113]
sideletterwilden achterhouden - óók voor Vitesse. [114] Dit behoeft geen verdere toelichting.
sideletter, deze direct met de KNVB heeft gedeeld. Want blijkens het besluit van 10 juli 2025 van de Licentiecommissie (nr. 74, onder verwijzing naar haar besluit van 28 november 2024, nr. 44) [115] heeft de Licentiecommissie pas op 29 oktober 2024,
een weekna het bij Vitesse bekend worden van de
sideletter, na herhaald verzoek afschrift van de
sideletterontvangen
van de advocaat van VAI.
sideletterna bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Want Vitesse heeft, toen zij - medio oktober 2024 - bekend raakte met het bestaan van (de afspraak vervat in) de
sideletter, dus zélf, direct de Licentiecommissie/KNVB hiervan op de hoogte gesteld. Kortom, Vitesse heeft hierover geen verstoppertje gespeeld richting de KNVB.
sideletterals zodanig heeft gedeeld met de Licentiecommissie/KNVB. Dit blijkt ook wel uit rov. 4.37. Daar wijst het hof onder meer erop dat de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024 onderkende dat Vitesse geen partij was bij de
sideletter(“de overeenkomst tussen Common Group en VAI”) en dat Vitesse zelf de
sideletterheeft gemeld. Dit slaat terug op nrs. 31 en 41 van dit besluit. Daar wijst de Licentiecommissie erop wat de inhoud is van de
sidelettertussen VAI en Common Group (nr. 31). En dat Vitesse op 22 oktober 2024 de Licentiecommissie heeft geïnformeerd “over het bestaan van een sideletter”, waarbij Vitesse de Licentiecommissie eveneens heeft voorzien van een feitenrelaas met betrekking tot het onderzoek dat in dit verband door Vitesse is verricht (nr. 41). [116] Dit laatste komt ook terug in nr. 74 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, waar staat dat Vitesse pas op 22 oktober 2024 de Licentiecommissie “[heeft] geïnformeerd over het bestaan van de sideletter.”
sideletterheeft ontvangen (nr. 42). Hetzelfde geldt voor de herhaling van deze vaststelling in nr. 74 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.
sideletterwist en dat het lastig is zich tegen dergelijke afspraken te verweren.
sideletter) bekend had moeten zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk in het licht van de overwegingen van de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024. In dit besluit “ligt immers, kort samengevat, besloten” (i) dat van Vitesse verwacht had kunnen worden (meer) onderzoek te doen naar de beoogd aandeelhouder, zoals zij ook (min of meer) heeft erkend, en (ii) dat Vitesse redelijkerwijs (eerder dan medio oktober 2024) kennis van de
sideletterhad behoren te hebben.
onder 4.64.1-4.64.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse.
sideletter, verantwoordelijk was voor het handelen van VAI in de betekenis die het hof daaraan geeft in het bestreden oordeel. Het sub-subonderdeel wijst hier ook niet op een vindplaats in dit besluit waar zoiets zou staan. [117] Kortom, dit besluit staat niet in de weg aan het bestreden oordeel. Daarin komt het hof inzake de
sideletterdus ook niet tot een andere beoordeling/weging van “de risicosfeer” van Vitesse dan de Licentiecommissie: in die sleutel staat het bestreden oordeel niet.
onder 4.64.3 hiervoor.
sideletter, “sprake is van een situatie die binnen de risicosfeer van uw BVO [Vitesse, A-G] ligt” (nr. 55). Daarop ziet ook het vervolg, mede in nrs. 56-57 en 60-61 van dit besluit.
sideletteren dat het voor haar lastig is zich tegen dergelijke geheime afspraken te weren). [120]
sideletterte weinig onderzoek heeft gedaan naar het handelen van beoogd aandeelhouder VAI. Daar staat hooguit (nr. 61) dat de Licentiecommissie meeweegt dat zijdens Vitesse in een persconferentie op 31 oktober 2024 (kort na het terugtrekken van VAI als beoogd aandeelhouder) is “erkend” dat Vitesse “bij een toekomstige nieuwe (beoogd) aandeelhouder aan de voorkant zelfstandig onderzoek zal moeten doen”, omdat Vitesse “het zich niet kan permitteren dat er nogmaals zonder succes een verzoek tot wijziging van zeggenschap wordt ingediend.” [121]
sideletterhad behoren te hebben.
onder 4.64.4 hiervoor.
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, en (ii) dat het hof geen aanknopingspunten ziet voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse, (mede) berusten op de overwegingen die in de sub-subonderdelen 2.2.1-2.2.6 zijn bestreden. De klachten in die sub-subonderdelen tasten ook de overwegingen onder (i)-(ii) aan.
sidelettermet Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, niet zodanig verwijtbaar is dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, “te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024”, onbegrijpelijk is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om de in “onderdeel 2.1.1” genoemde redenen.
sub-subonderdeel 2.3.1de klacht dat het hof met deze “kanttekeningen” de in rov. 4.7 van het arrest genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist heeft toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
onder 4.77.1 hiervoor.
Koopovereenkomst Sterkhouders” verder uiteengezet).
onder 4.77.2 hiervoor.
toen, dus eind december 2024, “alle reden voor Vitesse [was] om bij Common Group aan te dringen op volledige transparantie over de leningverkoop en conversie, alvorens de vereiste goedkeuringen aan conversie zouden worden verleend.” Dit betekent dat de klacht ook in zoverre feitelijke grondslag in het arrest ontbeert.
Sterkhouders B.V.) als aandeelhouder in plaats van partijen bij de LSA. Dit is geenszins onbegrijpelijk.
onder 4.87.1 hiervoor.
in de procedures bij deze commissies vóór 7 juli 2025(dus in de in rov. 4.54 genoemde procedures bij deze commissies, die zijn uitgemond in de afwijzing door de Beroepscommissie van Vitesse’s beroepen op 7 juli 2025, hierna gezamenlijk: de
eerdere procedures). En in het verlengde daarvan (ii) dat het hof aldus in rov. 4.55, eerste zin een temporele ‘knip’ zet tussen vóór en vanaf 7 juli 2025, waarbij alleen vóór die datum sprake is van die stellingname van Vitesse.
in de onderhavige zaak, [131] oftewel de procedures bij deze commissies die hebben geleid tot de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. Dat is iets anders dan de klacht ervan maakt.
Tot zover over het verstrekken van de LSA. Na de nodige discussie is eerst een gelakte versie van de LSA verstrekt. In de gelakte versie stonden geen bedragen en percentages. De Licentiecommissie nam daarmee geen genoegen en wilde de ongelakte versie zien. Die is uiteindelijk op 13 juni 2025 verstrekt.
Dat was een maand vóór de intrekking van de licentie door de Licentiecommissie.
Dat gebeurde dus vóór het besluit van de Licentiecommissie. Er zijn sancties opgelegd vanwege deze gang van zaken, waartegen Vitesse beroep heeft ingesteld. Ook in de procedures over de intrekking van de licentie heeft Vitesse zich tegen de verwijten op dit punt verweerd. Vitesse heeft zich steeds verweerd door te zeggen dat er geen verplichting bestond om de LSA te overleggen. Vitesse heeft daarin uiteindelijk geen gelijk gekregen van de Beroepscommissie. De Beroepscommissie verbindt daaraan de conclusie: Vitesse begrijpt het nog steeds niet. Nu gaat het hierbij om het innemen van een standpunt in een procedure, in dit geval: een verenigingsrechtelijke procedure. Daarin kun je gelijk krijgen of niet. Maar kun je uit het feit dat je in een procedure een bepaald standpunt verdedigt conclusies trekken over loyaliteit en over de bereidheid om je aan de geldende verplichtingen te houden? Daar wordt ook wel kritisch tegenaan gekeken, ook vanuit het verdedigingsperspectief. Als je een bepaald standpunt niet meer kunt innemen in een procedure, omdat je een gebrek aan loyaliteit kan worden verweten als je ongelijk krijgt, dan word je in een moeilijke spagaat gebracht. Hoe ziet u dat? [132]
onder 4.87.2 hiervoor.
onder 4.87.3 hiervoor.
onder 4.87.4 hiervoor.
onder 4.87.5 hiervoor.
nietaldus zouden moeten worden gelezen dat “de drie bedoelde kanttekeningen” volgens het hof zouden afdoen aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was, de oordelen van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn. Want dan heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt wat dan wél de relevantie zou zijn van “de drie kanttekeningen” en welke gevolgen het hof precies aan “deze kanttekeningen” heeft verbonden voor diens beslissing.
Sub-subonderdeel 2.4.2stelt, kort samengevat, dat het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing hebben gelaten in de besluitvorming over intrekking van de licentie, onbegrijpelijk is in het licht van de inhoud van die besluiten en hetgeen de KNVB daarover heeft gesteld. De inhoud van die besluiten laat geen andere conclusie toe dan dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die actuele ontwikkelingen wél in beschouwing hebben genomen (in hun besluitvorming hebben betrokken). Zij hebben die ontwikkelingen echter zo beoordeeld en (af)gewogen dat deze niet tot een ander besluit hebben geleid dan tot intrekking van de licentie en ongegrondverklaring van het beroep daartegen. Ter onderbouwing verwijst het sub-subonderdeel naar nrs. 118-129 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en nr. 5.105 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.
Sub-subonderdeel 2.4.3stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 en 4.67 van het arrest dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op het door het hof in rov. 4.67 weergegeven deel van nr. 5.105 van het besluit van 31 juli 2025, dit ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd mede in het licht van wat de KNVB daarover heeft gesteld. Reeds uit dit door het hof weergegeven deel van nr. 5.105 blijkt immers dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen wel degelijk in beschouwing heeft genomen. Dit geldt te meer als ook in ogenschouw wordt genomen het niet door het hof weergegeven deel van nr. 5.105, waar de Beroepscommissie onder meer betrekt dat veel aspecten van Vitesse’s plannen nog nader dienen te worden uitgewerkt en die plannen met tal van onzekerheden zijn omgeven.
Sub-subonderdeel 2.4.4stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op de door het hof in rov. 4.64 geciteerde passages, dit onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gezien nrs. 118-129 (met name ook nr. 127) van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.
Sub-subonderdeel 2.4.5bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
kunnenfunctioneren en haar problematische verleden definitief van zich af
kanschudden. Zelfs als de in rov. 4.64 geciteerde passages wel erop zouden wijzen dat Vitesse nog binnen de kaders van het licentiesysteem zou
willenfunctioneren, wijzen die passages niet erop dat Vitesse dat ook zou
kunnenen haar problematische verleden definitief van zich af zou
kunnenschudden, zeker niet als de vele kansen die Vitesse in het verleden daartoe heeft gehad en verspeeld in ogenschouw worden genomen, zoals ook wordt gedaan in nr. 127 van dit besluit.
onder 4.110.1 hiervoor.
onder 4.110.2 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.4.6bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.114.1 hiervoor.
onder 4.114.2 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.4.7bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.118.1 hiervoor.
onder 4.118.2 hiervoor.
onder 4.118.3 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.4.8stelt dat het oordeel in rov. 4.11 van het arrest is gebaseerd op rov. 4.56-4.67 en inhoudelijk volledig overeenkomt met rov. 4.68, eerste drie zinnen, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook ‘s hofs oordeel in rov. 4.11 aantasten en/of daarop van overeenkomstige toepassing zijn.
Subonderdeel 2.5(“Te laat informeren over e-mail Common Group d.d. 2 juli 2025”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit de inleiding dat het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.69-4.73 van het arrest waar het hof, kort samengevat, de gang van zaken rond de e-mail van 2 juli 2025 van Common Group aan Sterkhouders B.V. en het oordeel van de Beroepscommissie daarover beziet.
Sub-subonderdeel 2.5.1bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.126.1 hiervoor.
onder 4.126.2 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.5.2beslaat ruim drie bladzijden aan tekst (p. 28-31 van de procesinleiding). Zij is gericht tegen rov. 4.73 van het arrest en bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
juiste en volledigeinformatie over te leggen.
onder 4.130.1 hiervoor.
niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, wat terugslaat op dit lid 1-2 voor zover daarin de eis wordt gesteld van het “onverwijld” verstrekken van die informatie. Iets anders is dat volgens het hof naar diens voorlopig oordeel dit verwijt onterecht is, althans dat ter zake Vitesse in ieder geval niet een zodanig verwijt treft dat dit een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie. Iets anders is ook dat het hof in het bestreden oordeel eveneens duidelijk maakt waarom Vitesse heeft voldaan aan de in art. 6 lid 3 Licentiereglement Pro neergelegde verplichting “om onverwijld
juiste en volledigeinformatie over te leggen”, wat tevens bevestigt dat het hof die eis van het “onverwijld” verstrekken van die informatie voor ogen heeft [140] en met dit citaat niet alleen doelt op dit lid 3. [141] Kortom, de klacht mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
onder 4.130.2 hiervoor.
juiste en volledigeinformatie over te leggen”, etc.). Kort en goed: het gaat hier om Vitesse’s gehoudenheid informatie die juist én volledig is onverwijld te verstrekken aan de Licentiecommissie, waarbij die juist- en volledigheid moet worden beoordeeld naar Vitesse’s feitelijke en normatieve kennis ten tijde van het verstrekken van de informatie. Die uitleg door het hof van art. 6 lid Pro 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien, wordt door de klacht niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv). Dat die uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.
onder 4.130.3 hiervoor.
onder 4.130.4 hiervoor.
onder 4.130.5 hiervoor.
onder 4.130.6 hiervoor.
onder 4.130.7 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.5.3stelt, kort samengevat, dat het arrest ter zake onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet in zijn oordeel betrekt dat de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 ook heeft overwogen dat Vitesse de Beroepscommissie onverwijld, maar uiterlijk bij het indienen van het beroepschrift althans vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van nadere stukken, behoorde te informeren over de bewuste e-mail, wat Vitesse heeft nagelaten.
niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025.” Het hof leest dus in het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 wel dat zij dit specifieke “verwijt” mede ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing in dit besluit, maar niet (ook) dat de Beroepscommissie iets vergelijkbaars heeft gedaan met een verwijt dat Vitesse in de beroepsprocedure de Beroepscommissie niet onverwijld heeft geïnformeerd over die e-mail.
Subonderdeel 2.6(“Patroon van omzeiling en misleiding (ook na 3 augustus 2024, en tot in de beroepsprocedure)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Het subonderdeel geeft onder meer weer het oordeel in rov. 4.76 van het arrest: dat de “opsomming” in rov. 4.75 (1) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en (2) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na augustus 2024 heeft voortgezet. En het oordeel in rov. 4.76: (3) dat voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken, althans sterk is te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen, dat wil zeggen het instappen van “de Sterkhouders” en het Herinrichtingsplan 2005, het geen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten.
Sub-subonderdeel 2.6.1richt zich tegen rov. 4.76 van het arrest en stelt dat het onder 4.141 hiervoor achter (2) weergegeven oordeel onbegrijpelijk is. Het sub-subonderdeel werkt dit, kort samengevat, als volgt uit.
terechthebben overwogen dat Vitesse
ernstig is tekortgeschotenin haar onderzoeks- en informatieplicht (art. 6 Licentiereglement Pro).
onder 4.142.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.142.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
sideletteren rond de LSA uitdrukkelijk in de sleutel zijn geplaatst van schending van de informatieplicht. Daarbij betrek ik ook het volgende.
sideletterheeft het hof al eerder in het arrest overwogen dat geen sprake is van een patroon van schending van de informatieplicht, althans van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse (zie rov. 4.39). Ten aanzien van de LSA heeft het hof weliswaar overwogen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht overwogen dat Vitesse ernstig is tekortgeschoten in haar onderzoeks- en informatieplicht als bedoeld in art. 6 Licentiereglement Pro (zie rov. 4.51), maar het hof heeft daarbij wel, ter relativering, kanttekeningen geplaatst (rov. 4.53-4.54).
onder 4.142.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.142.4 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.142.5 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.142.6 hiervoorbedoelde uitwerking.
sideletter) en rov. 4.73 (ten aanzien van de e-mail van Common Group van 2 juli 2025). Daarmee strandt het sub-subonderdeel hier al op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Sub-subonderdeel 2.6.2bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.151.1-4.151.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
onder 4.151.3 hiervoor.
onder 4.151.4 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.6.3bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
betreffende a.
als zodanig.
betreffende b.
Voor zover deze kwestie gerelateerd is aan de onderhavige beroepsprocedure geldt dat het hof dit punt wel degelijk onderkent, maar niet nader behandelt in het arrest omdat het niet (mede) dragend is voor de beslissing van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 tot het ongegrond verklaren van Vitesse’s beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025. Dat dit onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien. Zie mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.5.3 hiervoor. Bij die stand van zaken is het evenmin onbegrijpelijk te noemen dat het hof in rov. 4.76 geen aanleiding ziet dit punt daar wel te betrekken.
betreffende c.
Sub-subonderdeel 2.6.4bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
specifiekeen bepaalde categorie van schendingen van haar informatieplicht op grond van art. 6 Licentiereglement Pro (het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses) sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, niet meebrengt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie niet in redelijkheid konden oordelen dat
in het algemeensprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse.
onder 4.161.1 hiervoor.
onder 4.161.2 hiervoor.
onder 4.161.3 hiervoor.
in het algemeensprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse” in de klacht onder 4.161.1 hiervoor. [161] De klacht relateert “dit” immers aan zowel de Licentiecommissie als de Beroepscommissie. Daarmee strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want anders dan de klacht veronderstelt, oordeelt het hof in rov. 4.77 dus niet (noch elders in het arrest trouwens) dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie “dit” in redelijkheid niet konden doen. [162] Zie ook onder 4.163.1 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.6.5bestrijdt het arrest als onbegrijpelijk voor zover het hof bij de beoordeling van de vraag of de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid tot hun besluiten hebben kunnen komen gewicht heeft toegekend aan het antwoord op de vraag of het patroon van schending van de informatieplicht door Vitesse zich na 3 augustus 2024 heeft voortgezet, omdat - zoals het hof in rov. 4.14 overweegt - de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en “zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan
delicentievereisten voldeed.” Want zoals blijkt uit dit besluit van 3 augustus 2024 en de KNVB ook heeft gesteld, heeft de Beroepscommissie niet geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten - in de zin van: alle licentievereisten - voldeed, maar dat Vitesse voldaan had aan vier specifieke voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024.
4.32. De Beroepscommissie oordeelde dat Vitesse om deze redenen haar licentie behield. (…)
Subonderdeel 2.7(“Belangenafweging door de LC en de BC; belang van de rechtspersoon en betrokkenen; maatschappelijke belangen”) is gericht tegen rov. 4.78-4.80 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
Sub-subonderdeel 2.7.1stelt, kort samengevat, dat het hof in rov. 4.78-4.79 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet daadwerkelijk en/of onjuist heeft toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Sub-subonderdeel 2.7.2is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat onder die omstandigheden volgens het Licentiereglement (art. 14 lid Pro 2) en de Leidraad [165] onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie was die resteerde, en intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd had kunnen worden. En tegen het daarop gebaseerde oordeel van het hof in rov. 4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
voorwaardelijkopgelegd
had kunnen worden, niet (zonder meer) volgt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie
in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komendie leidde tot
onvoorwaardelijkeintrekking van de licentie.
onder 4.171.1 hiervoor.
onder 4.171.2 hiervoor.
onder 4.171.3 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.7.3is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar tegenover [staat] dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal.” Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.176.1 hiervoor.
onder 4.176.2 hiervoor.
Sub-subonderdeel 2.7.4is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar ook tegenover [staan] de relativering van de ernst van het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden.” Dit oordeel zou voortbouwen (i) op alle daaraan voorafgaande overwegingen, zodat de subonderdelen 2.1-2.6 ook dit oordeel aantasten, en (ii) wat betreft de recente - door het hof als “positief” gewaardeerde - ontwikkelingen op rov. 4.64-4.68, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook dit oordeel aantasten.
Sub-subonderdeel 2.7.5is gericht tegen rov. 4.78, tweede zin van het arrest en (de daarop voortbouwende oordelen in) rov. 4.79-4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
van de in art. 2:8 BW Pro bedoelde personenmoet afwegen, dus de belangen van de rechtspersoon (hier de KNVB) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken (zoals hier de leden van de KNVB, “onder andere de BVO’s”). Dit volgt ook uit de toetsingsmaatstaf in rov. 4.7. [168] Het hof heeft miskend dat de “aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” niet vallen onder de belangen van de in art. 2:8 BW Pro bedoelde personen en dus niet behoren tot de belangen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op grond van art. 2:8 BW Pro bij het nemen van hun besluiten in aanmerking moesten nemen en moesten afwegen.
onnodig of onevenredigwordt geschaad.
onder 4.182.1-4.182.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
onder 4.182.3 hiervoor.
onder 4.182.4 hiervoor.
onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. In andere woorden: de maatstaf die de klacht in de kern voorstaat, [176] hanteert het hof ook. Zie nader mijn uiteenzetting onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor, waaruit ook volgt dat dit oordeel geen nadere motivering behoefde. [177]
onder 4.182.5-4.182.6 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
Subonderdeel 3.1(“April-besluiten”) is gericht tegen rov. 4.90-4.92 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
Sub-subonderdeel 3.1.1is vooreerst gericht tegen het oordeel in rov. 4.90 van het arrest dat “de Licentiecommissie in dit geval op grond van artikel 13 lid 5 van Pro het Licentiereglement de uitkomst van het beroep tegen de aprilbesluiten had moeten afwachten, alvorens een voorgenomen intrekkingsbesluit te nemen dat mede op het onderwerp van de aprilbesluiten was gebaseerd.” Zij klaagt dienaangaande, kort samengevat, als volgt.
aprilbesluiten) de (tenuitvoerlegging van de) sancties die in die besluiten zijn opgelegd aan Vitesse: de aftrek van drie respectievelijk negen wedstrijdpunten (zie het dictum van die besluiten). Dit lid 5 heeft (dus) (slechts) tot gevolg gehad dat bij het beroep tegen de aprilbesluiten de uitvoering (tenuitvoerlegging) van die sancties is opgeschort, niet (het bestaan van) de op grond van het Licentiereglement op Vitesse rustende informatieverplichting, de vaststellingen/verwijten in de aprilbesluiten dat Vitesse aan die verplichting niet heeft voldaan en de in die besluiten opgenomen nieuwe termijnstelling voor het (alsnog) voldoen aan die bestaande verplichting.
onder 4.191-4.192 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
de uitvoering van die besluitenis opgeschort, waarbij het hof dit laatste toespitst op de omstandigheid dat
de Licentiecommissie op 23 mei 2025 het voorgenomen intrekkingsbesluit heeft genomen(nu het hof díe omstandigheid strijdig acht met die opschortende werking van Vitesse’s beroep tegen de aprilbesluiten).
onder 4.193 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 3.1.2stelt dat het hof heeft miskend: (i) dat in deze procedure het
definitievebesluit van de Licentiecommissie voorligt; [193] en/althans (ii) dat het voor de beoordeling of het
definitievebesluit in strijd is met art. 13 lid 5 Licentiereglement Pro en dát besluit (daarmee) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder c BW niet van belang is of (en in hoeverre) het
voorgenomenbesluit strookt (of strijdt) met dit lid 5. Daaraan voegt het sub-subonderdeel, kort samengevat, het volgende toe.
nadatde Beroepscommissie op de beroepen van de aprilbesluiten had beslist (op 7 juli 2025) - was de uitvoering van de aprilbesluiten niet meer opgeschort, zodat dit lid 5 ten aanzien van die besluiten geen ‘werking’ meer had. Daarom is onjuist (en/of met miskenning van de in sub-subonderdeel 3.1.1 bedoelde uitlegmaatstaf), althans onbegrijpelijk, dat het hof niettemin tot het kennelijke (uitleg)oordeel komt dat “dit besluit” (ik begrijp: het definitieve intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie) in strijd is met dit lid 5 en het hof het (daarom) voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat dit besluit vernietigbaar is op de voet van art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder c BW, kennelijk omdat het
voorgenomenbesluit niet strookte met dit lid 5. Het gaat niet om het voorgenomen besluit, maar om het definitieve besluit.
Sub-subonderdeel 3.1.3stelt vooreerst dat het oordeel in rov. 4.91 van het arrest dat “Vitesse nadeel heeft ondervonden van deze gang van zaken” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Zij voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.
vanwege(de dreiging die uitging van) het voorgenomen intrekkingsbesluit, zoals de Licentiecommissie ook heeft overwogen en Vitesse ook zelf heeft gesteld.
onder 4.204.1 hiervoor.
onder 4.204.2 hiervoor.
zonder dat er al een voorgenomen intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie lag. Immers:
onder 4.204.3 hiervoor.
vanwege(de dreiging die uitging van)” dit besluit). Veeleer is daar, kort samengevat, het volgende te lezen; en de strekking daarvan is toch echt een andere.
onder 4.204.4 hiervoor.
zonder dat er al een voorgenomen intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie lag. Zie nader onder 4.208.1 hiervoor. Daaraan doet niet af wat de klacht onder (i) te berde brengt.
onder 4.204.5 hiervoor.
onder 4.205 hiervoor.
Subonderdeel 3.2(“De behandeling van het beroep tegen het intrekkingsbesluit”) is gericht tegen rov. 4.103, 4.105-4.107 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
Sub-subonderdeel 3.2.1(“Vernietigbaar op welke grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro: a, b of c?”) stelt dat het hof in rov. 4.107 van het arrest in het midden heeft gelaten op welke grond de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 vernietigbaar zal oordelen (wegens het op de door het hof bedoelde punten niet-voldoen aan het beginsel van hoor en wederhoor): art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder a, b, of c BW. Volgens het hof is het een van deze gronden (“a/c”, “dan wel” b), maar het heeft niet (gemotiveerd) geoordeeld welke van deze drie. Voor zover het hof zijn oog heeft op (toepassing van) grond a/c, heeft het niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt met welke wettelijke of statutaire bepaling die het tot stand komen van besluiten regelt (onder a) of met welk artikel uit een reglement (onder c) het besluit van de Beroepscommissie in strijd zou zijn. Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de eisen die aan de motivering van diens oordeel worden gesteld (ook in kort geding) en/althans heeft het zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.
Sub-subonderdeel 3.2.2(“Gewone beroepsprocedure, geen voorlopige voorziening of ordemaatregel”) wordt voorafgegaan door een inleiding die oordelen in rov. 4.99-4.101, 4.103 en 4.106 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Het sub-subonderdeel stelt vervolgens dat voor zover het oordeel van het hof dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en (daarmee) aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 zal vernietigen (mede) erop berust dat de Beroepscommissie is afgeweken van de gebruikelijke procedure [224] en/doordat zij een “spoedprocedure” (in plaats van een “gewone beroepsprocedure”) zou hebben gevolgd, zonder dat zij daarvoor een dwingende c.q. voldoende reden(en) had, dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
onder 4.220.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.220.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.220.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.220.4 hiervoorbedoelde uitwerking.
Sub-subonderdeel 3.2.3bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het kennelijke oordeel van het hof dat de Beroepscommissie “de procedure niet had mogen inrichten/vormgeven zoals zij heeft gedaan en/omdat voor die inrichting/vormgeving geen, althans onvoldoende, (dringende) reden(en) zou(den) bestaan, althans dat die redenen zouden zijn gesteld noch gebleken.” Het sub-subonderdeel werkt dit, kort samengevat, als volgt uit.
tussentijdsuitvallen van een club aanzienlijke organisatorische en praktische problemen zou veroorzaken. Zonder nadere motivering (die ontbreekt) is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 4.100 dat dit geen “onoverkomelijke problemen” oplevert.
onder 4.226.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.226.2 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.226.3 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.226.4 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.226.5 hiervoorbedoelde uitwerking.
Sub-subonderdeel 3.2.4wordt voorafgegaan door een inleiding die oordelen in rov. 4.101-4.103 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Vervolgens stelt het sub-subonderdeel dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor (mede) berust op het (klaarblijkelijke) oordeel van het hof dat Vitesse niet (adequaat) heeft kunnen reageren op de inbreng [240] van de Licentiecommissie in de beroepsprocedure en dat aan Vitesse de mogelijkheid had moeten worden geboden voor een reactie op deze inbreng, ook als dat na de mondelinge behandeling zou zijn (en dit dus een van de in rov. 4.107 bedoelde “punten” is), dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Want Vitesse heeft zulks niet gesteld in dit kort geding, zodat het hof art. 24 Rv Pro heeft miskend en/of buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden althans een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven. Voor zover Vitesse deze stelling ter zitting in hoger beroep heeft ingenomen, was dit te laat en heeft het hof de eisen van een goede procesorde en/of de tweeconclusieregel miskend.
Sub-subonderdeel 3.2.5bestrijdt eveneens als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat Vitesse niet (adequaat) heeft kunnen reageren op de inbreng van de Licentiecommissie in de procedure bij de Beroepscommissie en aan Vitesse de gelegenheid had moeten worden geboden voor een (nadere) reactie op de inbreng van de Licentiecommissie, ook als dat zou betekenen dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
verplichthaar standpunt schriftelijk kenbaar te maken en stukken te overleggen. Zij had de
mogelijkheiddaartoe en kon bijvoorbeeld (ook) ervoor kiezen haar standpunt (pas) op de mondelinge behandeling naar voren te brengen. Dat de Licentiecommissie (daags) voor de zitting een schriftelijk standpunt indiende, is dus juist (eerder) in het voordeel van Vitesse geweest.
onder 4.240.1 hiervoorbedoelde uitwerking.
onder 4.240.2-4.240.5 hiervoorbedoelde uitwerking.
ex nunc”). (rov. 4.103)
onder 4.240.6 hiervoorbedoelde uitwerking.
Sub-subonderdeel 3.2.6bestrijdt als onbegrijpelijk vanwege de in de sub-subonderdelen 3.2.3 en 3.2.5 genoemde redenen: het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.106 van het arrest dat Vitesse niet (voldoende) in de gelegenheid zou zijn gesteld zich tot het laatste moment volledig en afdoende te verweren tegen de besluiten; het oordeel in rov. 4.106 dat “de zorgvuldigheid van de besluitvorming [zou zijn] aangetast”; en het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.100 dat de Beroepscommissie de procedure niet met de “grootst mogelijke zorgvuldigheid” zou hebben behandeld. Zoals uit die sub-subonderdelen volgt, heeft Vitesse zich wel degelijk tot het laatste moment volledig en afdoende kunnen verweren tegen het besluit van de Licentiecommissie en is de procedure bij de Beroepscommissie zorgvuldig verlopen.
Sub-subonderdeel 3.2.7stelt dat voor zover het (klaarblijkelijke) oordeel in rov. 4.103 van het arrest dat Vitesse de mogelijkheid had moeten krijgen om een reactie te geven op de inbreng van de Licentiecommissie, “ook als dat betekent dat dit ná de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn”, (mede) berust op art. 13 lid 7 en Pro 11 Licentiereglement (rov. 4.103), het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg van deze artikelen (en/of heeft miskend dat bij die uitleg de in sub-subonderdeel 3.1.1 genoemde (objectieve) maatstaf geldt). Dit lid 7 en 11 bepalen dat de Beroepscommissie moet beslissen “naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep”. Onder “behandeling” moet (naar objectieve maatstaven) worden begrepen de mondelinge behandeling (of, als de zaak schriftelijk wordt behandeld, de schriftelijke behandeling). In dit lid 7 en 11 staat (bijvoorbeeld) niet dat de Beroepscommissie moet beslissen naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van haar besluit. Anders dan het hof kennelijk oordeelt, volgt uit dit lid 7 en 11 dus juist
nietdat Vitesse nog gelegenheid had moeten (kunnen) krijgen voor een reactie
na de mondelinge behandeling(en pleiten dit lid 7 en 11 daar ook niet voor), althans valt gelet op het voorgaande zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet in te zien waarom dat wel zo zou zijn.
hoofdregel is dat de Beroepscommissie het besluit waartegen beroep is aangetekend, beoordeelt naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het desbetreffende besluit (lid 7), en dat zij bij vernietiging opnieuw recht doet naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het vernietigde besluit (lid 11). Dit betreft aldus beoordeling en opnieuw rechtdoen
ex tunc. Wanneer het beroep een intrekkingsbesluit betreft, is een
uitzondering opde hoofdregel van toepassing: beoordeling/opnieuw rechtdoen naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep.
ex tunc, ligt het m.i. in de rede dat daarmee wordt beoogd dat de Beroepscommissie bij een intrekkingsbesluit moet beoordelen/opnieuw recht moet doen op basis van de meest recente stand van zaken, oftewel
ex nunc. Dat is niet noodzakelijkerwijs beperkt tot de stand van zaken ten tijde van de mondelinge (dan wel schriftelijke) behandeling, want draait om de stand van zaken ten tijde van het doen van de uitspraak, waarbij ook ruimte kan bestaan voor de Beroepscommissie ontwikkelingen van na de mondelinge (dan wel schriftelijke) behandeling te betrekken.
Sub-subonderdeel 3.2.8stelt dat het in sub-subonderdeel 3.2.7 bedoelde oordeel (“ook als dat betekent dat dit ná de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn”) miskent dat een procedure op enig moment en zonder onredelijke vertraging tot een einde moet komen “(‘lites finiri oportet’) (vgl. ook art. 20 Rv Pro)”. Mede daarom kan van de Beroepscommissie niet worden verlangd dat zij gelegenheid biedt om na het sluiten van een uitvoerige (mondelinge) behandeling nog stukken/informatie te delen. Althans kan en mag de Beroepscommissie mede daarom na het sluiten van een (mondelinge) behandeling met haar gedeelde stukken/informatie buiten beschouwing laten en/of daarop geen acht meer slaan.
Sub-subonderdeel 3.2.9stelt dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 van het arrest voortbouwt op de oordelen die in de sub-subonderdelen 3.2.4-3.2.8 zijn bestreden, die sub-subonderdelen ook het oordeel van het hof in rov. 4.107 aantasten.
Sub-subonderdeel 3.2.10wordt voorafgegaan door een inleiding die rov. 4.103-4.105 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Vervolgens stelt het sub-subonderdeel dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor (mede) erop berust dat de Beroepscommissie de e-mail van 27 juli 2025 buiten beschouwing heeft gelaten (met als enige redengeving dat dit na de mondelinge behandeling is ingediend) (en dit dus één van de in rov. 4.107 bedoelde “punten” is), dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Vitesse heeft namelijk niet gesteld dat sprake is van schending van dit beginsel omdat de Beroepscommissie die e-mail buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft dan ook art. 24 Rv Pro miskend en/of is (daarmee) buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken gegeven.
De beroepstermijn van Vitesse is wel in ogenschouw genomen. Vitesse heeft een langere termijn gekregen om te reageren op het besluit van de Licentiecommissie en in het Licentiereglement staat dat de Licentiecommissie in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het beroep dat voorligt. Het is niet een verplichting voor de Licentiecommissie om daarop te reageren. Er is een kortere termijn geboden aan de Licentiecommissie om te reageren op het beroep van Vitesse. Er staat ook expliciet beschreven dat de Licentiecommissie is beknot in haar rechten en dat zij daarmee heeft ingestemd. Ik zie niet in hoe de belangen van Vitesse daarmee kunnen zijn geschaad.
Mag ik dat uitleggen?
Ja.
Volgens het Licentiereglement is de normale gang van zaken dat het de Licentiecommissie vooraf haar zienswijze schriftelijk kenbaar maakt. Dat is logisch, want dat zorgt voor een efficiënt debat, omdat Vitesse zich dan vooraf kan voorbereiden. Wij hebben ons niet kunnen voorbereiden. De reactie die de KNVB geeft is niet volledig. De Licentiecommissie heeft inderdaad een schriftelijke reactie ingediend, maar die kwam pas op de ochtend van de dag dat we zitting hadden bij de Beroepscommissie. Die zitting was om 12:00u, dus dat was niet genoeg tijd. Als de KNVB denkt dat dat wel zo is, dan dank ik hen voor het vertrouwen dat zij hebben in onze voorbereidingstijd, maar ik kan u zeggen dat het niet genoeg tijd was.
In het stuk van de Licentiecommissie - dat die morgen om 9.00 uur werd ingediend - stond ook het verhaal over [betrokkene 4] en dat hij die mail op 2 juli 2025 had gestuurd. Toen pas bleek dat een probleem te zijn voor Vitesse. Vitesse kon op dat moment, zo kort voor de zitting, niets meer oplossen.
Sub-subonderdeel 3.2.11bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.268.1 hiervoor.
onder 4.268.2 hiervoor.
dit uitgangspuntis volgens het hof niet goed te verenigen dat de e-mail van Vitesse van 27 juli 2025 met relevante informatie over de toekomstplannen met “de Sterkhouders” naar aanleiding van hetgeen op die mondelinge behandeling is besproken, door de Beroepscommissie in het besluit van 31 juli 2025 buiten beschouwing is gelaten met als enige redengeving dat die e-mail na die mondelinge behandeling is ingediend. Dit is iets anders dan de klacht ervan maakt.
ex nunc”)”). Dit uitgangspunt is immers niet beperkt tot hetgeen de KNVB heeft aangevoerd voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Overigens behoeft het geen betoog dat dit uitgangspunt nog niet van tafel is enkel omdat het gaat om een reactie van Vitesse die is gegeven na die mondelinge behandeling.
onder 4.268.3 hiervoor.
Sub-subonderdeel 3.2.12richt zich tegen hetzelfde oordeel in rov. 4.103 van het arrest als sub-subonderdeel 3.2.11 (“Daarmee”, etc.). Zij stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is gelet op de gang van zaken en/of het verhandelde/besprokene tijdens de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Vervolgens geeft het sub-subonderdeel enkele opmerkingen weer die aan het slot van die mondelinge behandeling zijn geplaatst. Uit onder meer die passages zou blijken dat de Beroepscommissie duidelijk is geweest: de behandeling was gesloten en ruimte voor het indienen van aanvullende stukken/reacties was er (dus) niet. Vitesse zou daartegen niet geageerd hebben, maar (juist) hebben opgemerkt dat “alles is besproken”. Toen de Beroepscommissie vervolgens opmerkte: “Waar het om gaat is dat alles aan de orde is gekomen”, reageerde de advocaat van Vitesse met: “Daar gaat het om.”
Sub-subonderdeel 3.2.13bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.277.1 hiervoor.
met als enige redengeving dat die e-mail na die mondelinge behandeling is ingediend. Met dit laatste doelt het hof op nr. 3.18 van dit besluit, waaruit ik citeerde onder 4.266.6 hiervoor, niet (ook) op nr. 5.104 en/of nr. 5.105 van dit besluit.
onder 4.277.2 hiervoor.
onder 4.277.3 hiervoor.
Sub-subonderdeel 3.2.14bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
Sub-subonderdeel 3.2.15stelt dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 van het arrest voortbouwt op de oordelen die in de sub-subonderdelen 3.2.10-3.2.14 zijn bestreden, die sub-subonderdelen ook het oordeel in rov. 4.107 aantasten.
Sub-subonderdeel 3.2.16bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.287.1 hiervoor.
onder 4.287.2 hiervoor.
Sub-subonderdeel 3.2.17bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
onder 4.291.1 hiervoor.
naar hun inhoudvernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro, terwijl rov. 4.93 e.v. in de sleutel staan van ‘s hofs (bevestigende) beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten
naar hun wijze van totstandkomingvernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro. Dit betreft in wezen twee zelfstandig dragende gronden voor het oordeel dat aannemelijk is dat de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 vernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro. Hieraan ziet de klacht voorbij met de veronderstelling dat (i) de oordelen in rov. 4.11 en 4.68 berusten op (ii) de oordelen in rov. 4.93 e.v., dit nog daargelaten dat in de opzet van het arrest (i) voorafgaat aan (ii).
onder 4.291.2 hiervoor.
onder 4.291.3 hiervoor.
Subonderdeel 4.1stelt vooreerst dat, gelet op de inhoud van grief 1 van de KNVB en rov. 4.14-4.15 van het arrest, zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.120 oordeelt dat het incidenteel hoger beroep faalt en het hof de KNVB zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in het (incidentele) hoger beroep, omdat de KNVB in het ongelijk zal worden gesteld. Tevens is onbegrijpelijk dat het hof (daarop voortbouwend) in rov. 5.4 de KNVB veroordeelt in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. Het arrest is in dit opzicht ook innerlijk tegenstrijdig.
Subonderdeel 4.2stelt dat indien en voor zover het oordeel in rov. 4.120 van het arrest zo begrepen moet worden dat het incidenteel hoger beroep van de KNVB faalt wegens gebrek aan belang, het oordeel over de proceskosten en de veroordeling in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Het hof heeft dan miskend dat de omstandigheid dat de KNVB, die door de voorzieningenrechter volledig in het gelijk was gesteld in die zin dat alle vorderingen van Vitesse waren afgewezen, in de vorm van een incidenteel hoger beroep verweer heeft gevoerd op een bepaald punt zonder een wijziging van een dictum te vorderen (zodat in zoverre sprake was van een ‘onnodig’ incidenteel hoger beroep), niet ertoe mag leiden dat verwerping van het incidentele hoger beroep wegens gebrek aan belang de KNVB op een kostenveroordeling komt te staan.
Subonderdeel 5.1stelt dat de klachten in de onderdelen 1 t/m 4 ook rov. 2.4-2.6 van het arrest aantasten, omdat rov. 2.4-2.6 een hele korte samenvatting behelzen van de in die onderdelen bestreden oordelen van het hof in rov. 4. Die klachten zijn (ook) op rov. 2.4-2.6 van (overeenkomstige) toepassing.
Subonderdeel 5.2stelt dat indien en voor zover de hele korte samenvatting in rov. 2.4-2.6 van het arrest op essentiële punten zou afwijken van de volledige schriftelijke uitwerking in rov. 4, rov. 2.4-2.6 in zoverre onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.